Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6981

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/09/675643 / FA RK 24-8153
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 lid 2 RvArt. 815 lid 6 RvArt. 1:100 BWHaags Huwelijksvermogensverdrag 1978
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen over zorgregeling, huurrecht en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd in 2015 en hebben een minderjarig kind geboren in 2022. De vrouw verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen waaronder vaststelling van de hoofdverblijfplaats van het kind, kinderalimentatie, huurrecht van de echtelijke woning en verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man voert verweer en heeft tevens een zelfstandig verzoek ingediend.

De rechtbank constateert dat de vrouw geen ondertekend ouderschapsplan heeft overgelegd, maar gelet op de omstandigheden is het redelijkerwijs niet mogelijk dit te verkrijgen. Daarom verklaart de rechtbank het verzoek ontvankelijk. Het huwelijk is duurzaam ontwricht, hetgeen door de man niet is betwist, zodat de echtscheiding wordt uitgesproken.

De man heeft de woning verlaten en stemt in met toewijzing van het huurrecht aan de vrouw. De hoofdverblijfplaats van het kind wordt bij de vrouw vastgesteld. De zorgregeling wordt aangepast met een gedetailleerd schema van verblijfs- en ophaaltijden vanaf 1 maart 2026. De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €111,- per maand, geïndexeerd ten opzichte van de voorlopige voorziening.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap vindt plaats op basis van de algehele gemeenschap van goederen, met peildatum 14 november 2024. De gezamenlijke bankrekening wordt bij helfte verdeeld en opgeheven, terwijl privérekeningen worden behouden met verrekening van de saldi. Verzoeken over spaargeld in Pakistan, woning in Pakistan en erfenis zijn ingetrokken. Sieraden behoren niet tot de gemeenschap en worden buiten beschouwing gelaten.

De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, wijst het huurrecht toe aan de vrouw, stelt de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vrouw vast, legt de zorgregeling en kinderalimentatie vast en regelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8153
Zaaknummer: C/09/675643
Datum beschikking: 26 februari 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 14 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Arslan te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Pherai te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het betekeningsexploot, overgelegd bij F9-formulier van 4 december 2024;
- het bericht van 12 januari 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 20 januari 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlage.
Op 22 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat en doventolk F. Workum;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat en doventolk R. Koster.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2015 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 9 mei 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
  • de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;
  • de minderjarige aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
  • de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben: op vrijdag van 15.00 uur tot 18.00 uur, op zondag van 13.30 uur tot 17.00 uur, de helft van de Islamitische en Christelijke feestdagen en gedurende een paar uur tijdens de verjaardag van de man, de verjaardag van [minderjarige] en Vaderdag;
  • de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 106,- per maand zal betalen.

Verzoek en verweer

Het verzoek, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
- vaststelling van een kinderalimentatie van € 400,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw zoals vermeld onder punt 22 en verder van het verzoekschrift;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht tot:
- vaststelling van een kinderalimentatiebedrag van € 47,75,- per maand;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man zoals verwoord onder punt 13, 16 en 17 van zijn verweerschrift.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid: ontbreken ouderschapsplan
De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd zoals omschreven in artikel 815 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). In de wet is voorgeschreven dat een ouderschapsplan een processuele eis is bij een verzoek tot echtscheiding. Daarom heeft de rechtbank de bevoegdheid om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv Pro).
De vrouw heeft bij haar verzoekschrift een ongetekend concept-ouderschapsplan ingediend. Tijdens de zitting is gebleken dat het partijen, ondanks meerdere pogingen daartoe, niet is gelukt een door beiden ondertekend ouderschapsplan te overleggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat het voor de vrouw redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen. De rechtbank zal de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Huurrecht
De man heeft de woning inmiddels verlaten en maakt geen bezwaar tegen toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw. De rechtbank zal het huurrecht van de woning daarom aan de vrouw toewijzen.
Hoofdverblijfplaats
Partijen zij het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw moet worden bepaald, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.
Zorgregeling
Bij beschikking van voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 9 mei 2025 is een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] op vrijdag van 15.00 uur tot 18.00 uur en op zondag van 13.30 uur tot 17.00 uur bij de man verblijft.
Tijdens de zitting hebben partijen opnieuw over de zorgregeling gesproken. Zij hebben hierover overeenstemming bereikt en de volgende afspraken gemaakt. Met ingang van
1 maart 2026 brengt de man [minderjarige] van maandag tot en met vrijdag iedere ochtend naar de BSO. Hij haalt haar om 7.15 uur op bij de vrouw.
Daarnaast verblijft [minderjarige] vanaf 1 maart 2026 iedere vrijdag uit school tot 18.30 uur bij de man. Zij eet dan ook bij de man. Verder verblijft [minderjarige] in de oneven weken op zondag van 13.30 uur tot 17.00 uur bij de man en in de even weken op zaterdag van 9.00 uur tot 12.30 uur bij de man.
Gelet op de bereikte overeenstemming zal de rechtbank deze zorgregeling vaststellen. De rechtbank benadrukt dat het van belang is dat beide ouders de afgesproken tijden nakomen. Als een van de ouders de regeling niet kan nakomen, bijvoorbeeld vanwege een bijzondere gelegenheid, moet die ouder dit tijdig met de andere ouder bespreken om samen tot een passende oplossing te komen.
Kinderalimentatie
Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij kan instemmen met het (geïndexeerde) kinderalimentatiebedrag dat is vastgesteld in de voorlopige voorzieningen, te weten € 106,- per maand in 2025 en geïndexeerd naar 2026 € 111,- per maand. De man heeft hiermee ingestemd.
De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, en bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige] een bedrag van € 111,- per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Niet in geschil is dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op het verzoek tot afwikkeling van het huwelijksvermogensregime nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de echtscheiding.
De rechtbank gaat ter bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende.Nu de echtgenoten op [dag] 2015 in Nederland met elkaar zijn gehuwd, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
Ten tijde van de huwelijkssluiting had de vrouw de Nederlandse nationaliteit en de man de Pakistaanse. De echtgenoten woonden ten tijde van het huwelijk al in Nederland en zijn na de huwelijkssluiting in Nederland blijven wonen. Nu niet is gebleken dat de echtgenoten vóór het huwelijk een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht, wordt het huwelijksvermogensregime – op grond van artikel 4 lid 1 van Pro genoemd verdrag – beheerst door het recht van de staat waar zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigden, te weten Nederland. Het Nederlands recht is nog steeds van toepassing.
In 2015 kende het Nederlandse recht als wettelijk huwelijksgoederenstelsel de algehele gemeenschap van goederen. Partijen hebben gesteld dat zij niet bij huwelijkse voorwaarden een daarvan afwijkend huwelijksgoederenregime zijn overeengekomen, zodat er tussen partijen sprake is van een gemeenschap van goederen. Deze gemeenschap dient op grond van artikel 1:100 BW Pro bij helfte tussen partijen te worden verdeeld.
Peildatum
De peildatum voor de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap is
14 november 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt de datum van de feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of op basis van redelijkheid en billijkheid daarvan dient te worden afgeweken.
Omvang van de huwelijksgoederengemeenschap
Door de man en de vrouw zijn de volgende bestanddelen en schulden van de huwelijksgoederengemeenschap naar voren gebracht:
de inboedel;
het spaargeld (van de man);
de woning in Pakistan;
de erfenis van de vrouw;
de bank- en spaarrekeningen;
de sieraden.
Ad 1. De inboedel
De rechtbank stelt vast dat de inboedel reeds in onderling overleg is verdeeld, zodat daarover niets meer hoeft te worden beslist.
Ad 2. Het spaargeld
De vrouw heeft gesteld dat de man beschikt over spaargeld op een bankrekening in Pakistan. De man heeft dit betwist. Nu de vrouw geen stukken heeft overgelegd om haar stelling te onderbouwen, kan niet worden vastgesteld of deze bankrekening daadwerkelijk bestaat. Gelet hierop kan de rechtbank geen beslissing over het spaargeld nemen.
Ad 3 en 4. De woning in Pakistan en de erfenis van de vrouw
Tijdens de zitting heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de verdeling van de woning in Pakistan ingetrokken. De man heeft op zijn beurt zijn verzoek ten aanzien van de verdeling van de erfenis van de vrouw ingetrokken. De rechtbank hoeft hierover daarom geen beslissing meer te nemen.
Ad 5. De bank- en spaarrekeningen
De man wil dat het saldo van de (geblokkeerde) gezamenlijke rekening bij helfte wordt verdeeld en dat de rekening daarna wordt opgeheven. De vrouw voert verweer en wil graag dat het volledige saldo aan haar wordt toegedeeld, zonder verrekening, omdat haar salaris op deze rekening wordt gestort.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal bepalen dat partijen het saldo van de gezamenlijke rekening bij helfte met elkaar zullen delen. Daarna zullen partijen de gezamenlijke bankrekening opheffen.
Ten aanzien van de privérekeningen van partijen wil de man graag dat ieder zijn of haar eigen rekening behoudt, onder verrekening van de helft van het saldo op de peildatum. De vrouw wil graag dat ieder zijn of haar eigen rekening behoudt zonder nadere verrekening van het saldo op de peildatum.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal bepalen dat ieder zijn of haar eigen bankrekening behoudt, onder verrekening van de helft van het saldo per peildatum.
Ad 6. De sieraden
Tijdens de zitting is gebleken dat de sieraden die de vrouw heeft genoemd niet tot de gemeenschap behoren. De rechtbank zal hierover daarom geen beslissing nemen.
Partijen hebben wel afspraken gemaakt over de sieraden. De ketting die de moeder van de vrouw aan de moeder van de man heeft geschonken, zal worden teruggeven aan de moeder van de vrouw. De armbanden die de moeder van de man aan de moeder van de vrouw heeft gegeven, zullen worden teruggeven aan de moeder van de man. Mochten partijen hier onderling niet uitkomen, kunnen zij hun advocaten inschakelen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2015 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] ;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te
[geboorteplaats] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat [minderjarige] – met ingang van 1 maart 2026 – op de volgende momenten bij de man verblijft:
  • iedere vrijdag uit school tot 18.30 uur, waarbij ze ook bij de man eet;
  • in de oneven weken op zondag van 13.30 uur tot 17.00 uur;
  • in de even weken op zaterdag van 9.00 uur tot 12.30 uur;
*
bepaalt dat de man – met ingang van 1 maart 2026 – [minderjarige] van maandag tot en met vrijdag iedere ochtend naar de BSO brengt, waarbij hij haar om 7.15 uur bij de vrouw ophaalt;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ten behoeve van [minderjarige] een bedrag van € 111,- per maand aan kinderalimentatie zal betalen;
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. met betrekking tot de bank- en spaarrekeningen:
- dat partijen het saldo van de gezamenlijke rekening bij helfte met elkaar zullen
delen, waarna partijen de gezamenlijke bankrekening zullen opheffen;
- dat ieder zijn of haar eigen bankrekening behoudt, onder verrekening van de helft van de saldi op de peildatum;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 februari 2026.