Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6991

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/09/685779 / FA RK 25-3907
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:12 BWArt. 1:253a BWArt. 1:253c BWArt. 1:402 BWArt. 265 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag, zorgregeling en kinderalimentatie voor minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over de minderjarige toe te wijzen, een zorgregeling vast te stellen en kinderalimentatie te bepalen. De moeder verzet zich tegen het gezamenlijk gezag en de zorgregeling, stellende dat de communicatie tussen ouders verstoord is en dat de vader niet volledig betrokken is geweest bij de opvoeding.

De rechtbank oordeelt dat het wettelijk uitgangspunt gezamenlijk gezag is en dat er onvoldoende reden is om hiervan af te wijken. De vader is sinds de geboorte betrokken bij het kind en er is geen onaanvaardbaar risico dat het kind klem raakt tussen de ouders. De rechtbank beveelt ouderschapsbemiddeling aan om de communicatie te verbeteren.

Ten aanzien van de zorgregeling stelt de rechtbank vast dat er geen onderling overeengekomen regeling is en dat het in het belang van het kind is dat zij bij de vader kan verblijven en overnachten. De rechtbank wijst het verzoek van de vader toe met een opbouw in overnachtingen en stelt een vakantie- en feestdagenregeling vast.

De alimentatie wordt vastgesteld op €352 per maand, ingaande 25 februari 2026, rekening houdend met de draagkracht van de ouders, de behoefte van het kind en een zorgkorting vanwege de omgangsregeling. De vader draagt zorg voor het halen en brengen van het kind. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag, zorgregeling en kinderalimentatie van €352 per maand toe met ingang van 25 februari 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3907
Zaaknummer: C/09/685779
Datum beschikking: 26 februari 2026

Beschikking op het op 23 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. van de Kolk te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 16 januari 2026 van de vader, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 21 januari 2026 van de vader, met bijlage.
Op 28 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] met een collega namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vader zijn op de zitting nadere stukken overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de moeder luidt, met ingang van 7 februari 2025, de kinderalimentatie op
€ 834,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt:
  • een omgangs-/zorgregeling te bepalen in die zin dat:
  • [minderjarige] gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur na het eten bij de vader is, waarbij het weekend wordt verlengd tot maandag 18.00 uur als het omgangsweekend in het Paasweekend of in het Pinksterweekend valt;
  • [minderjarige] gedurende twee weken in de zomervakantie bij de vader is, in de even jaren in de eerste twee vakantieweken en in de oneven jaren in week vier en vijf van de zomervakantie;
  • [minderjarige] bij de vader is in de even jaren op Eerste Kerstdag van 10.00 uur tot Tweede Kerstdag 10.00 uur en in de oneven jaren op Tweede Kerstdag van 10.00 uur tot de volgende dag om 10.00 uur;
  • [minderjarige] om het jaar met Oud en Nieuw bij de vader zal zijn van 31 december 10.00 uur tot 1 januari om 18.00 uur;
  • [minderjarige] bij de vader is op Vaderdag als dat niet in een omgangsweekend valt vanaf de zaterdag ervoor om 18.00 uur tot zondag 18.00 uur en dat [minderjarige] bij de moeder is op Moederdag vanaf de zaterdag ervoor om 18.00 uur;
  • de vader [minderjarige] op haar verjaardag gedurende tenminste een uur kan bezoeken als dat niet in een omgangsweekend is;
  • [minderjarige] op de verjaardag van de vader kan zijn voor tenminste twee uur als het op een schooldag is en tenminste vier uur als het in een weekend valt dat [minderjarige] niet bij hem is;
  • waarbij de moeder [minderjarige] voor elke omgang naar de vader brengt en de vader haar na afloop van de omgang terugbrengt naar de moeder;
  • te bepalen dat de vader tezamen met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt belast;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de vader dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats].
  • De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
  • [minderjarige] verblijft bij de moeder.
  • De vader heeft de Belgische nationaliteit en de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige] heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.

Beoordeling

Absolute bevoegdheid en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige en het verzoek tot vaststelling van een omgangs-/zorgregeling.
Nu de ouders beiden in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Relatieve bevoegdheid
Op grond van artikel 265 Rechtsvordering Pro (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats van de minderjarige. Op grond van artikel 1:12 eerste Pro lid Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de woonplaats van de minderjarige die van degene die het gezag over hem of haar uitoefent. De woonplaats van de moeder en daarmee ook van [minderjarige] is [plaats]. Gelet op het voorgaande is de rechtbank Rotterdam bevoegd om over deze verzoeken te beslissen.
Artikel 270 Rv Pro bepaalt dat de rechter, indien hij beslist dat niet hij, maar een andere rechter van gelijke rang bevoegd is, de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar die andere rechter verwijst. Verwijzing vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.
Op de zitting hebben de vader en de moeder aangegeven dat zij geen verwijzing wensen. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van art. 1:253c BW eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van een kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Dit verzoek wordt op grond van het tweede lid van voornoemd artikel slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vader stelt ter onderbouwing van zijn verzoek dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en dat geen sprake is van contra-indicaties. Het is in het belang van [minderjarige] dat de ouders het gezamenlijk gezag hebben en samen beslissingen kunnen nemen. Volgens de moeder is de communicatie daarvoor niet voldoende, maar de ouders zijn wel degelijk in staat tot communicatie. Zij ondernemen elke zaterdag uitstapjes met zijn drieën. Dat zou niet mogelijk zijn als de communicatie ernstig verstoord is. Bovendien staat de vader ervoor open om, bijvoorbeeld met behulp van ouderschapsbemiddeling, aan de onderlinge communicatie te werken. Hij wil actief betrokken zijn bij het leven van [minderjarige] en daarvoor is gezamenlijk gezag noodzakelijk. De moeder heeft de vader eerder wel betrokken bij gezagsbeslissingen, zoals de schoolkeuze, maar inmiddels doet zij dat niet meer. De vader kreeg tot september 2023 informatie over [minderjarige] van de school, maar dit is stopgezet, waarschijnlijk op verzoek van de moeder. Verder geeft de moeder regelmatig aan dat zij met [minderjarige] wil verhuizen naar [land]. Dat wil de vader niet, omdat hij [minderjarige] dan nog minder kan zien dan op dit moment het geval is.
De moeder stelt zich op het standpunt dat als de ouders gezamenlijk met het gezag worden belast een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. De communicatie en samenwerking tussen de ouders is volgens de moeder verstoord en zij verwacht niet dat dit binnenkort zal veranderen. De ouders belden voorheen iedere dag met elkaar, maar dat is nu niet meer mogelijk. De moeder vreest dat de verstoorde verhouding tussen de ouders een negatieve weerslag op [minderjarige] zal hebben als partijen in het kader van het gezamenlijk gezag vaker met elkaar zullen moeten communiceren. Daarnaast stelt zij dat de vader sinds de geboorte niet volledig betrokken is geweest bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige]. Daarom is hij niet goed in staat om beslissingen over haar te nemen. Bovendien betrekt de moeder de vader al bij te nemen beslissingen over [minderjarige].
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het wettelijk uitgangspunt is dat de ouders het gezamenlijk gezag uitoefenen. De rechtbank ziet in de bezwaren van de moeder onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De vader is al sinds de geboorte betrokken bij het leven van [minderjarige]. Tot voor kort had hij dagelijks contact met de moeder. Daarnaast doen de ouders en [minderjarige] elke zaterdag leuke dingen met zijn drieën. Onder deze omstandigheden is er geen reden om aan te nemen dat een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders bij toewijzing van het gezamenlijk gezag. De rechtbank zal het verzoek van de vader om hem mede met het gezamenlijk gezag te belasten, toewijzen.
De Raad heeft op de zitting voorgesteld dat de ouders een traject ouderschapsbemiddeling aangaan, zodat zij het gezamenlijk gezag samen kunnen vormgeven. De vader staat daarvoor open, maar de moeder heeft nog tijd nodig om hierover na te denken. De rechtbank drukt de moeder op het hart dat ouderschapsbemiddeling bij uitstek geschikt is om aan de communicatie en samenwerking tussen de ouders te werken. De ouders kunnen zelf een doorverwijzing vragen bij de huisarts of het wijkteam.
Aangezien de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede met het gezag te belasten zal toewijzen, zal zij in het vervolg spreken over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a tweede lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft verzocht om de vaststelling van een zorgregeling en een vakantie- en feestdagenregeling. De vader nam [minderjarige] voorheen af en toe mee naar de woning van zijn moeder. Hij ziet [minderjarige] nu echter alleen in aanwezigheid van de moeder en wanneer de moeder dat goed vindt. Zij maken vaak uitstapjes met zijn drieën, omdat de vader [minderjarige] van de moeder niet mag meenemen naar zijn eigen woning. Er is dus geen sprake van een onderling overeengekomen zorgregeling, zodat de vaderontvankelijk is in zijn verzoek. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] bij de vader kan verblijven, zonder de aanwezigheid van de moeder, zodat zij zich aan hem kan hechten en vertrouwd met hem kan raken. Daarvoor is ook nodig dat zij bij de vader kan overnachten, zodat zij daarin een gezamenlijke routine kunnen creëren. Er zijn geen zorgen over de thuissituatie bij de vader. De kinderen van zijn (inmiddels) ex-partner komen niet bij hem over de vloer. De ex-partner zal verhuizen zodra zij een eigen woning heeft. Verder stelt de vader dat de moeder bijzondere bijstand kan aanvragen, zodat zij [minderjarige] ook kan halen of brengen. Voor zover dat (nog) niet mogelijk is, is de vader bereid om [minderjarige] te halen en te brengen.
De moeder stelt zich primair op het standpunt dat er al een overeengekomen zorgregeling tussen partijen geldt, die inhoudt dat [minderjarige] in onderling overleg bij de vader kan verblijven. De vader heeft geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden gesteld, zodat zijn verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair stelt de moeder dat de door de vader verzochte zorgregeling niet in het belang van [minderjarige] is. Zij is niet gewend om bij de vader te overnachten en de moeder heeft signalen opgepikt dat zij dit ook niet wil. Ook zouden er zorgen zijn over de kinderen van de huidige partner van de vader, die af en toe ook in de woning verblijven. De vader verschaft de moeder daarover geen informatie. Daarnaast is de moeder bezorgd dat hij niet in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. Verder is [minderjarige] gewend aan de huidige zorgregeling. Het is niet in haar belang om dit nu te wijzigen.
Ten aanzien van de vakanties stelt de moeder dat een verblijf bij de vader van twee weken te lang is, omdat [minderjarige] niet gewend is om bij de vader te overnachten. Een feestdagenregeling is overbodig, omdat de ouders dit in onderling overleg kunnen afspreken. Tot slot stelt de moeder dat zij niet in staat is om [minderjarige] te halen of te brengen, omdat zij daar vanwege haar inkomen onvoldoende middelen voor heeft.
De rechtbank overweegt dat geen sprake is van een onderling overeengekomen zorgregeling. Er zijn nooit afspraken gemaakt door de ouders en de vader mag [minderjarige] alleen zien onder door de moeder gestelde voorwaarden. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij haar vader regelmatig kan zien en dat zij de gelegenheid krijgt om een hechte band met hem op te bouwen. Daar hoort bij dat [minderjarige] met de vader in zijn woning kan zijn en daar ook kan overnachten. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat er geen zorgen zijn over de thuissituatie bij de vader. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom toewijzen. Omdat [minderjarige] nog niet eerder bij de vader heeft overnacht, zal de rechtbank hierin een opbouw bepalen. Desgevraagd heeft de moeder op de zitting aangegeven dat zij geen praktische bezwaren heeft tegen de vakantie- en feestdagenregeling zoals is voorgesteld door de vader. Daarom zal de rechtbank deze, met een opbouw, vaststellen zoals is verzocht door de vader. Omdat [minderjarige] nog zal moeten wennen aan deze nieuwe situatie, zal de rechtbank ten aanzien van de zomervakantie 2026 bepalen dat [minderjarige] alleen de eerste week van de zomervakantie bij de vader verblijft. Vanaf de zomervakantie van 2027 zal [minderjarige] gedurende twee weken aaneensluitend bij de vader verblijven. De rechtbank overweegt verder dat het niet van de moeder gevergd kan worden dat zij bijzondere bijstand aanvraagt om [minderjarige] te kunnen halen of brengen. Bovendien draagt de moeder al een groot deel van de zorg voor [minderjarige] op zich. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vader [minderjarige] altijd zal halen en brengen.
Alimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 25 februari 2026, de datum waarop de rechter beslist, omdat gebleken is dat de vader eerder al wel heeft bijgedragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige], zoals de (helft van de) kosten voor de aanschaf van een fiets.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor de berekening van de behoefte is het van belang of de ouders al dan niet hebben samengewoond. Volgens de moeder was dat het geval; volgens de vader niet. De rechtbank overweegt dat de ouders gedurende hun relatie weliswaar regelmatig bij elkaar verbleven, maar zij stonden elk ingeschreven op een eigen adres en hadden een aparte financiële huishouding. De rechtbank gaat er daarom van uit dat partijen nooit in gezinsverband hebben samengewoond. De rechtbank zal hierbij het jaar 2021 als uitgangspunt nemen, omdat in dit jaar de relatie van partijen is geëindigd.
Omdat partijen nooit in gezinsverband hebben samengewoond, moet de behoefte van [minderjarige] worden bepaald aan de hand van het gemiddelde van de behoefte bij iedere ouder. Dit wordt dus berekend door de behoefte op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ene ouder (inclusief het door haar ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de andere ouder (inclusief het fictief te ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen. Het gemiddelde hiervan is uiteindelijk de behoefte.
Voor het bepalen van de behoefte van [minderjarige] bij de moeder moet allereerst haar NBI worden bepaald. Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder in 2021 een bijstandsuitkering ontving. Dit leidt tot een NBI aan haar zijde van € 1.079,- per maand.
Bij dit NBI had de moeder recht op een kindgebonden budget van € 370,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2021 en vier kinderbijslagpunten leidt het voorgaande tot een forfaitair tabelbedrag van € 147,- per maand voor [minderjarige].
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 4.870,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met de premie WIA Excedent van € 13,- per maand. Overeenkomstig het Rapport Alimentatienormen wordt er geen rekening gehouden met de fiscale bijtelling die verband houdt met de leaseauto. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2021 op € 3.777,- per maand.
Bij dit NBI had de vader (fictief) recht op een kindgebonden budget van € 139,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2021 en vier kinderbijslagpunten, leidt het voorgaande tot een forfaitair tabelbedrag van € 517,- per maand voor [minderjarige].
De gemiddelde behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2021 € 332,- per maand ((€ 147,- + € 517,-) : 2). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 414,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen de ouders moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
Partijen zijn het erover eens dat de moeder geen draagkracht heeft, omdat zij een bijstandsuitkering ontvangt. De rechtbank zal dit volgen.
Draagkracht vader
Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de vader € 1.067,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Draagkrachtvergelijking
Als partijen samen genoeg draagkracht hebben voor de kosten van de kinderen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
Door het ontbreken van een draagkracht aan de zijde van de moeder, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De totale behoefte van [minderjarige], te weten € 414,- per maand, komt dus voor rekening van de vader.
Zorgkorting
Omdat de vader gemiddeld een dag per week de zorg heeft voor [minderjarige], geldt een percentage van 15. De zorgkorting bedraagt dan € 62,- per maand (15% van € 414,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan € 352,- per maand (€ 414,- -/- € 62,-).
Conclusie
De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot een bedrag van € 352,- per maand toewijzen en voor het overige afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats];
bepaalt dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
  • met ingang van zaterdag 7 maart 2026: eens per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 10.30 uur;
  • met ingang van zaterdag 18 april 2026: gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur na het eten bij de vader, waarbij het weekend wordt verlengd tot maandag 18.00 uur als het omgangsweekend in het Paasweekend of in het Pinksterweekend valt;
  • waarbij de vader [minderjarige] altijd haalt en brengt;
bepaalt ten aanzien van de vakanties en feestdagen als volgt:
  • zomervakantie 2026: bij de vader in de eerste week, bij de moeder in de overige weken;
  • zomervakantie 2027 en verder: in de even jaren bij de vader in de eerste twee weken bij de vader en bij de moeder in de overige weken, in de oneven jaren bij de vader in week vier en vijf en bij de moeder in de overige weken;
  • Kerst: in de even jaren bij de vader op Eerste Kerstdag van 10.00 uur tot Tweede Kerstdag 10.00 uur en bij de moeder op Tweede Kerstdag van 10.00 uur tot de volgende dag om 10.00 uur, in de oneven jaren andersom;
  • Oud en Nieuw: het ene jaar bij de ene ouder, het andere jaar bij de andere ouder van oudejaarsdag 10.00 uur tot Nieuwjaarsdag om 18.00;
  • Vaderdag: bij de vader vanaf de zaterdag ervoor om 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, tenzij [minderjarige] dat weekend al bij de vader is;
  • Moederdag: bij de moeder vanaf de zaterdag ervoor om 18.00 uur, tenzij [minderjarige] dat weekend al bij de moeder is;
  • Verjaardag [minderjarige]: de vader kan [minderjarige] bezoeken gedurende ten minste een uur, tenzij [minderjarige] dat weekend al bij de vader is;
  • Verjaardag vader: [minderjarige] is op de verjaardag van de vader voor tenminste twee uren als het op een schooldag is en tenminste vier uren als het in een weekend valt dat [minderjarige] niet bij hem is;
  • waarbij de vader [minderjarige] altijd haalt en brengt;
bepaalt de door de vader aan de moeder met ingang van 25 februari 2026 te betalen alimentatie voor [minderjarige] op € 352,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 februari 2026.