Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6993

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/09/678307 / FA RK 25-145
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:131 BWArt. 1:141 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing partneralimentatie en afwikkeling huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding

Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen. De rechtbank spreekt de echtscheiding uit omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man vordert partneralimentatie van € 2.502,- bruto per maand, de vrouw betwist dit. De rechtbank stelt de behoefte van de man vast op € 3.500,- netto per maand, maar houdt rekening met zijn verdiencapaciteit en inkomen, waardoor hij niet behoeftig is. Het verzoek om partneralimentatie wordt daarom afgewezen.

De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betreft de verdeling van de inboedel, motoren, auto en bankrekeningen, waarbij ook een jaarlijkse gift van de moeder van de man wordt meegenomen. Vergoedingsrechten worden deels toegewezen, onder meer voor investeringen van de vrouw in de woning van de man en voor een dakkapel en dakgoten betaald door de man aan de woning van de vrouw. Nadere bewijslevering wordt gevraagd voor overige vergoedingsrechten.

De rechtbank bepaalt dat partijen ieder hun eigen bankrekeningen behouden onder verrekening van de saldi en stelt een termijn voor schriftelijke reacties over belastingaanslagen en bewijsstukken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie afgewezen en huwelijkse voorwaarden afgewikkeld met verdeling van vermogen en vergoedingsrechten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-145 (echtscheiding)
FA RK 25-3759 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/678307 (echtscheiding)
C/09/685508 (verdeling)
Datum beschikking: 26 februari 2026

Scheiding

Beschikking op het op 8 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.C. Meijler te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.W. Hoff te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 10 januari 2025 van de vrouw, met als bijlage de huwelijksakte;
  • het F9-formulier van 16 januari 2025 van de vrouw, met als bijlage het betekeningsexploot;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift van de man;
  • het verweerschrift op zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoekschrift van de vrouw;
  • het F9-formulier van 21 mei 2025 van de vrouw;
  • het F9-formulier van 8 januari 2026 van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 12 januari 2026 van de vrouw, met bijlagen.
Op 21 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [dag] 2000 te [plaats] .
  • Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen.
  • Deze rechtbank heeft op 19 februari 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
- de man met ingang van 1 maart 2025 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ;
- de vrouw aan de man met ingang van datum beschikking een voorlopige partneralimentatie van € 2.079,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met een nevenvoorziening tot:
- afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als volgt:
- de vrouw heeft een vergoedingsrecht op de man van € 19.972,59;
- de saldi op de gezamenlijke bankrekeningen, waaronder het saldo op de Evi Roparco rekening dient per peildatum tussen partijen te worden gedeeld;
- de inboedel tussen partijen is in onderling overleg verdeeld, partijen wensen daar geen nadere omschrijving meer van, behoudens de auto en de motoren in bezit van partijen;
- de motoren, allen in bezit van partijen, dienen te worden gewaardeerd en de waarden dienen met elkander te worden verrekend;
- de vrouw is aan de man een bedrag van € 11.000,- verschuldigd voor de in haar bezit zijnde auto;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht:
  • vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie van € 2.502,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden conform een nader door de man in te dienen voorstel;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen de verzochte partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Partneralimentatie
Behoefte
De man stelt dat zijn huwelijksgerelateerde behoefte € 3.500,- netto per maand bedraagt aan de hand van een behoeftelijst. De vrouw betwist de gestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de man en zij overlegt ook een behoeftelijst, daaruit blijkt een huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.491,60,-.
De rechtbank overweegt dat het salaris van de vrouw in 2024 een bedrag van € 120.249,- per jaar bedroeg en dat zij huuropbrengsten geniet, in 2025 waren de huuropbrengsten € 2.140,- bruto per maand. Bij de man staat vast dat hij in 2024 een militair invaliditeitsuitkering van € 16.288,- bruto per jaar ontving en een nettobedrag van € 6.000,- in 2024 en € 8.400,- in 2025 voor het beheer van de panden van mevrouw [naam] . Gelet op de vaststaande inkomens van partijen en de door de man overgelegde betalingen gedurende het huwelijk volgt de rechtbank de door de man gestelde behoefte van € 3.500,-.
Aanvullende behoefte en behoeftigheid
Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man moet in mindering gebracht worden op de hiervoor vastgestelde netto behoefte van € 3.500,- per maand. De man heeft ter zitting aangevoerd dat hij geen verdiencapaciteit heeft. Hij heeft afwijzingen van verschillende sollicitaties overgelegd, variërend van de functie van opzichter planmatig onderhoud tot projectleider. Hij vermoedt dat de afwijzingen te maken hebben met leeftijdsdiscriminatie, de man is namelijk 59 jaar, en met de lange tijd dat hij uit het arbeidsproces is. De vrouw betwist dat de man behoeftig is. Zij voert aan dat de man een verdiencapaciteit heeft om in zijn aanvullende behoefte te kunnen voorzien.
De rechtbank acht het in dit geval redelijk bij de man uit te gaan van een verdiencapaciteit. De man is niet arbeidsongeschikt en heeft aangegeven panden te beheren, de rechtbank begrijpt in bouwkundig opzicht, waarvoor hij € 700,- netto per maand ontvangt. De rechtbank acht de man daarom ook in staat om ieder geval het minimumsalaris te verdienen. Omdat de man al werkzaamheden verricht, zal zij rekening houden met een extra verdiencapaciteit van 32 uur per week in plaats van 40 uur. Gelet op het in 2026 vastgestelde minimumloon van € 14,71, houdt de rechtbank rekening met een inkomen van € 471,- bruto per week, exclusief vakantiegeld. De man ontvangt nog een militair invaliditeitspensioen van € 17.783,- bruto per jaar, waar de rechtbank ook rekening mee houdt.
Aan de hand van het voorgaande berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op
€ 3.614,-. Gelet op het voorgaande heeft de man voldoende financiële middelen om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De rechtbank wijst daarom het verzoek om partneralimentatie af.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden waarin zij iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten. De huwelijkse voorwaarden bevatten verder in artikel 9 een Pro periodiek verrekenbeding. Partijen hebben het verrekenbeding niet uitgevoerd.
Nu er sprake is van een niet nageleefd periodiek verrekenbeding geldt het bepaalde in artikel 1:141 lid 1 BW Pro. Dit artikel bepaalt dat indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft en deze zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW Pro wordt, indien bij het einde van het huwelijk aan een huwelijkse voorwaarden overeengekomen periode, het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
De financiële afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ziet op het volgende:
  • een eenvoudige gemeenschap, te weten de inboedel;
  • te verrekenen vermogen;
  • vergoedingsrechten.

Eenvoudige gemeenschap

Peildatum
De rechtbank zal als peildatum 8 januari 2025 hanteren, te weten de datum van de indiening van het echtscheidingsverzoek van de vrouw.
Inboedel
Ten aanzien van de inboedel is niet gebleken dat die aan één van partijen toebehoort, waardoor de inboedel op grond van artikel 1:131 BW Pro geacht wordt aan ieder voor de helft toe te behoren. Dit vloeit ook voort uit artikel 3 lid 3 van Pro de door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden. Dit betekent dat de inboedel een eenvoudige gemeenschap is die dient te worden verdeeld.
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel als verdeeld kan worden beschouwd. De rechtbank hoeft daarom niets meer hierover te beslissen.

Te verrekenen vermogen

De peildatum voor de omvang en de samenstelling van het te verrekenen vermogen is de datum van de indiening van het verzoekschrift, zijnde 8 januari 2025.
Vast is komen te staan dat volgens partijen het te verrekenen vermogen op de peildatum uit de volgende bestanddelen bestaat:
Motoren en een auto;
Bankrekeningen;
Belastingaanslagen.
Ad a. motoren en auto
De man stelt dat er in totaal zes motoren zijn en één auto. De auto en één motor is in het bezit van de vrouw. De andere vijf motoren heeft de man in bezit.
De vrouw vindt dat de motoren gewaardeerd moeten worden en dat de waarde verrekend moet worden tussen partijen. Voor de auto geldt dat zij een bedrag van € 11.000,- moet voldoen aan de man, aangezien de auto op een bedrag van € 22.000,- is gewaardeerd. Op de zitting is door de vrouw naar voren gebracht dat de motor inmiddels door haar verkocht is voor een bedrag van € 17.150,-. Van dit bedrag komt ook de helft toe aan de man.
Ten aanzien van de motor en de auto die in bezit zijn van de vrouw bepaalt de rechtbank dat de waarde hiervan bij helfte in de verrekening dient te worden meegenomen. Het gaat dan om een bedrag van € 19.575,- ((€ 17.150,- / 2) + € 11.000,-). Voor de motoren, die in bezit zijn van de man, geldt dat die getaxeerd moeten worden. De helft van de waarde van de motoren dient in de verrekening meegenomen te worden.
Ad b. bankrekeningen
Partijen zijn het niet eens over de gift van de moeder van de man die op de bankrekening van de man wordt gestort. De rechtbank overweegt dat onweersproken is gesteld dat de moeder van de man jaarlijks een bedrag overmaakt naar de man, ter hoogte van het vrijgestelde bedrag voor schenkbelasting. Niet gebleken is dat er een uitsluitingsclausule is opgenomen bij deze gift. Omdat al het vermogen tussen partijen verrekend moet worden, is de rechtbank van oordeel dat ook de gift van de moeder in de verrekening meegenomen moet worden. Partijen moeten daarom alle saldi per peildatum, inclusief de gift, met elkaar verrekenen.
Ten aanzien van de bankrekeningen bepaalt de rechtbank dat ieder van partijen de op zijn/haar naam staande rekening(en) houdt onder verrekening van het saldo met de andere partij per peildatum.
Ad c. belastingaanslagen
Door de man is in zijn pleitnota voor het eerst een verzoek gedaan om te bepalen dat partijen ieder hun eigen belastingaanslag over 2024 zullen dragen. De rechtbank zal de vrouw in de gelegenheid stellen om schriftelijk op dit verzoek te reageren, binnen twee weken na de beschikkingsdatum.

Vergoedingsrechten

Investeringen in onroerende zaken
De vrouw stelt een vergoedingsrecht van € 19.972,59 op de man te hebben, vanwege de betaling van de keuken en de badkamer van de echtelijke woning die in eigendom aan de man toebehoort. De man erkent dit vergoedingsrecht.
De man stelt dat hij een vergoedingsecht heeft van in totaal € 19.010,25 op de vrouw. Dit vergoedingsrecht bestaat uit door de man gemaakte kosten voor de woning van de vrouw. Het gaat om een dakkapel, de vervanging van dakgoten, de kosten van de kozijnen en andere kosten voor het opknappen van de woning van de vrouw. De vrouw betwist het vergoedingsrecht van de man.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe, aangezien de man haar vergoedingsrecht erkent. Voor wat betreft het vergoedingsrecht van de man zal de rechtbank voormelde posten afzonderlijk beoordelen.
De man stelt dat hij geld heeft opgenomen van de en/of bankrekening en de de dakkapel contant heeft afgerekend, buiten de omzetbelasting om. Hiervan is ook een offerte van € 9.210,- overgelegd. De vrouw betwist het vergoedingsrecht, maar zij betwist niet dat er gedurende het huwelijk een dakkapel is geplaatst op haar woning. De vrouw heeft ook niet gesteld dat de dakkapel door haarzelf is betaald. De vrouw heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist dat de man voor haar woning de dakkapel heeft betaald. De rechtbank vindt het daarom voldoende aannemelijk dat het bedrag van € 9.210,- door de man is betaald voor de dakkapel. Het vergoedingsrecht voor de dakkapel bedraagt dan de helft van de totale kosten, te weten een bedrag van € 4.605,-.
Door de man is een factuur van € 1.996,50 op zijn naam overgelegd voor de dakgoten van de woning voor de vrouw. Die kosten heeft de man betaald met een opname van de en/of bankrekening. De vrouw heeft de werkzaamheden aan de dakgoten niet betwist. De rechtbank volgt daarom het standpunt van de man dat hij een vergoedingsrecht heeft ter waarde van de helft van het bedrag op de factuur, te weten € 998,-.
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht van € 1.500,- heeft voor kosten die gemaakt zijn voor de kozijnen van de woning van de vrouw. De man heeft hiervoor geen bewijs in de vorm van een offerte of factuur overgelegd. Gelet op de betwisting door de vrouw vindt de rechtbank het onvoldoende onderbouwd dat de man deze kosten heeft voldaan voor de kozijnen van de vrouw.
Tot slot voert de man aan dat hij een totaalbedrag van € 11.907,- heeft uitgegeven voor het opknappen en onderhouden van de woning van de vrouw. De rechtbank begrijpt uit de brief van de man van 8 januari 2026 dat hij kan aantonen dat het hiervoor genoemde bedrag is uitgegeven aan de woning van de vrouw. De rechtbank zal de man daarom de gelegenheid bieden om binnen twee weken aan te geven op welke wijze hij deze stelling met bewijs kan onderbouwen. De vrouw krijgt vervolgens twee weken gelegenheid om hierop te reageren.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing met betrekking tot de vergoedingsrechten aanhouden.
Aflossing hypotheek
De rechtbank merkt nog op dat partijen, hoewel zij hier geen verzoeken over hebben gedaan, het eens zijn over de aflossing van hypotheken met gespaard inkomen. Door de man is gesteld dat hij een vergoedingsrecht heeft van € 8.958,- en de vrouw een vergoedingsrecht van € 1.040,-. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij het hier mee eens is. De rechtbank zal daarom overeenkomstig beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2000 te [plaats] ;
*
wijst af het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie;
*
bepaalt ten aanzien van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de man en de vrouw en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden – onder voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand – dat:
  • met betrekking tot de inboedel er niets meer dat er niets meer te verdelen valt;
  • met betrekking tot de motor en de auto in bezit van de vrouw: de helft van de waarde van de motor en de auto in de verrekening meegenomen dient te worden, te weten een bedrag van € 19.575;
  • met betrekking tot de motoren in bezit van de man: de motoren moeten in onderling overleg getaxeerd worden en vervolgens de helft van de waarde hiervan in de verrekening meegenomen dient te worden;
  • met betrekking tot de bank- en spaarrekeningen: de man en de vrouw ieder de op hun eigen naam staande bank- en spaarrekeningen behouden, onder verrekening van de saldi per peildatum, waarbij geldt dat ook de gift van de moeder van de man tot het banksaldo behoort;
*
bepaalt dat de vrouw binnen twee weken na de beschikkingsdatum kan reageren op het verzoek ten aanzien van de belastingaanslagen;
*
bepaalt dat de man binnen twee weken na de beschikkingsdatum kan berichten op welke wijze hij kan aantonen dat het bedrag van € 11.907,- is uitgegeven aan de woning van de vrouw,
bepaalt dat de vrouw twee weken de tijd heeft om te reageren op voormelde akte van de man;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere
beslissing ten aanzien van de betaling van de belastingaanslagen en de vergoedingsrechtenaan tot
31 maart 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 februari 2026.