Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6995

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696693 / FA RK 25-9793
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen inzake woninggebruik, zorg- en alimentatieregeling na echtscheiding

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek om voorlopige voorzieningen tussen een gehuwd stel met twee minderjarige kinderen. De vrouw verzocht onder meer om het uitsluitend gebruik van de woning toe te wijzen aan de man, toewijzing van de jongste minderjarige aan haar, en vaststelling van voorlopige zorg- en alimentatieregelingen.

Partijen waren het eens over het uitsluitend gebruik van de woning door de man en de toewijzing van het oudste kind aan hem. De rechtbank oordeelde dat het in het belang van het jongste kind, dat een autismespectrumstoornis en lichte verstandelijke beperking heeft, is dat het voorlopig bij de man blijft wonen, die samen met zijn zussen voor het kind zorgt. Toewijzing aan de vrouw volgt zodra zij een zelfstandige woonruimte heeft.

De rechtbank stelde een voorlopige zorgregeling vast waarbij de vrouw wekelijks contact heeft met het jongste kind en na toewijzing een wisselende verblijfsregeling geldt. De voorlopige kinderalimentatie werd vastgesteld op €186 per maand, ingaand bij toewijzing van het kind aan de vrouw. Het verzoek om partneralimentatie werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan draagkracht bij de man.

Uitkomst: Man krijgt uitsluitend gebruik woning en toewijzing oudste kind; jongste kind aan vrouw na zelfstandige woonruimte; voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld; partneralimentatie afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9793
Zaaknummer: C/09/696693
Datum beschikking: 26 februari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 24 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Celikkal in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.K. Tosun in Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;
  • het bericht van 9 januari 2026, met bijlage, namens de vrouw;
  • het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de man;
  • het bericht van 2 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw;
  • het verweer op de zelfstandige verzoeken, namens de vrouw;
  • het bericht van 4 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw.
Op 5 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • De vrouw en de man zijn gehuwd op 6 augustus 1998 in Turkije.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 2] (roepnaam: [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2012 in
[geboorteplaats] .
  • De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.
  • Volgens de Basisregistratie Personen hebben de vrouw, de man en de kinderen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
  • (naar de rechtbank begrijpt) de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ;
  • primair:[de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd c.q. het voorlopig hoofdverblijf van [de minderjarige 2] bij de vrouw wordt vastgesteld;
subsidiair:[de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd zodra zij een eigen woonruimte heeft;
  • samenhangend met het subsidiaire verzoek een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige 2] wordt vastgesteld waarbij [de minderjarige 2] minimaal drie keer per week voor minimaal twee uur omgang met de vrouw heeft;
  • een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 650,- per maand voor [de minderjarige 2] wordt vastgesteld;
  • een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 1.700,- per maand netto wordt vastgesteld,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer tegen de verzochte voorlopige kinderalimentatie en partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat:
  • de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
  • [de minderjarige 1] aan de man wordt toevertrouwd;
  • een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij [de minderjarige 2] elke week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.30 uur bij de man is, althans een beslissing te nemen die de rechtbank in justitie juist acht,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandig verzochte zorgregeling met [de minderjarige 2] , welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
In deze voorlopige voorzieningenprocedure heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht en wordt Nederlands recht toegepast.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De vrouw en de man zijn het erover eens dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man toekomt. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen.
Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.
Toevertrouwing [de minderjarige 1]
De vrouw en de man zijn het erover eens dat [de minderjarige 1] aan de man wordt toevertrouwd, conform de feitelijke situatie. [de minderjarige 1] heeft in haar gesprek met de rechter ook aangegeven dat zij bij de man wil blijven wonen. De rechtbank zal, nu zij dat ook in het belang van [de minderjarige 1] acht, haar aan de man toevertrouwen.
Toevertrouwing [de minderjarige 2]
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Op 29 oktober 2025 is de vrouw vertrokken uit de echtelijke woning. Zij heeft eerst in een crisisopvang verbleven en heeft inmiddels een studio tot haar beschikking. Deze woonsituatie is tijdelijk en de vrouw heeft urgentie voor een zelfstandige woning aangevraagd. [de minderjarige 2] heeft autismespectrumstoornis en een licht verstandelijke beperking. [de minderjarige 2] verblijft nu bij de man en wordt zowel door hem als door [de minderjarige 1] en een inmiddels meerderjarige dochter van partijen verzorgd. [de minderjarige 2] gaat naar het bijzonder onderwijs en werd voorheen met een taxibusje gehaald en gebracht. Deze service is in november 2025 gestopt, omdat de chauffeur te vaak voor een dichte deur had gestaan. De vader brengt [de minderjarige 2] sindsdien naar school en één van zijn zussen haalt hem op.
De rechtbank overweegt als volgt. [de minderjarige 2] is een kwetsbaar kind vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek. De rechtbank begrijpt de wens van de vrouw om [de minderjarige 2] aan haar toevertrouwd te krijgen, maar acht het gelet op zijn autismespectrumstoornis niet in zijn belang om nu eerst te moeten verhuizen naar de studio van de vrouw en vervolgens opnieuw te moeten verhuizen wanneer de vrouw een definitieve woonruimte toegewezen krijgt. Daarbij acht de rechtbank een verblijf in een studio ook niet wenselijk voor [de minderjarige 2] . Hij is bekend in de echtelijke woning, waar hij nu verblijft en waar hij goed wordt verzorgd door de man en zijn twee oudere zussen, die hem ook al (deels) verzorgden toen de vrouw nog onderdeel uitmaakte van het gezin. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 2] dat deze situatie voorlopig voortduurt, zodat de rechtbank het primaire verzoek van de vrouw zal afwijzen. Zodra de vrouw een definitieve woonruimte heeft op een goede reisafstand van de school van [de minderjarige 2] en het vervoer daarvoor is geregeld, zal de rechtbank [de minderjarige 2] vanaf dat moment aan de vrouw toevertrouwen. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij het daarmee eens is en de rechtbank acht dat ook in het belang van [de minderjarige 2] .
Voorlopige zorgregeling met [de minderjarige 2]
Op dit moment heeft de vrouw contact met [de minderjarige 2] op zijn school, één of twee keer per week. De vrouw regelt dit in overleg met de school. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 2] dat hij een structurelere basis heeft voor contact met de vrouw. Zolang [de minderjarige 2] bij de man woont en totdat de vrouw geschikte zelfstandige woonruimte heeft, zal de rechtbank daarom vaststellen dat er iedere week op zaterdag of zondag omgang tussen [de minderjarige 2] en de vrouw is van 10.00 uur tot 15.00 uur. De rechtbank weet niet of deze tijden praktisch uitkomen in verband met mogelijke andere verplichtingen. Het staat de ouders vrij om in onderling overleg de tijden aan te passen, wanneer zij ook afspreken op welke weekenddag de omgang plaats zal vinden. De rechtbank gaat er verder vanuit dat het de ouders lukt om samen afspraken te maken over het halen en brengen en de locatie van de overdracht, wat in ieder geval niet bij de woning van de vrouw zal zijn. Daarvoor is het belangrijk dat de man op zijn telefoon de vrouw deblokkeert.
Vanaf het moment dat [de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling met de man vaststellen. Daarbij begrijpt de rechtbank de wens van de vrouw om ook soms in het weekend tijd met [de minderjarige 2] te kunnen doorbrengen. De rechtbank zal daarom vaststellen dat [de minderjarige 2] bij de man zal zijn in de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de andere week van vrijdag uit school tot zaterdag na het avondeten.
Voorlopige kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Ingangsdatum
Aangezien [de minderjarige 2] op dit moment nog bij de man verblijft, zal de rechtbank in redelijkheid vaststellen dat de voorlopige kinderalimentatie in zal gaan vanaf het moment dat [de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd.
Behoefte
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De vrouw en de man zijn in de tweede helft van 2025 feitelijk uit elkaar gegaan, zodat de rechtbank zal rekenen met de tarieven van 2025-II.
Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank, net als de man in zijn berekening heeft gedaan, uit van een inkomen van € 0,- per maand. Het NBI van de vrouw komt daarmee ook neer op € 0,- per maand.
Vast is komen te staan dat de man een ondernemer is van drie bedrijven; een juwelierszaak, een taxibedrijf en een autorijschool. Vanwege het fluctuerende inkomen van ondernemers is het gebruikelijk om met de gemiddelde winst uit onderneming over drie jaar te rekenen. De rechtbank volgt het standpunt van de man dat de cijfers over 2025 nog niet beschikbaar zijn, aangezien het ook gebruikelijk is dat de jaarcijfers niet direct aan het einde van het jaar beschikbaar zijn. Uit de overgelegde IB-aangiften, aanslagen en jaarrekeningen van 2022-2024 blijkt dat de man in die periode een gemiddelde winst uit onderneming had van
€ 37.819,- bruto per jaar (€ 46.566,- bruto in 2022, € 31.368,- bruto in 2023 en € 35.522,- bruto in 2024). Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man ten tijde van het uiteengaan van partijen op € 2.795,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedroeg het NBGI van partijen ten tijde van het uiteengaan € 2.795,- per maand. Conform de aanbevelingen uit het rapport 2025 moet bij het NBGI worden opgeteld het kindgebonden budget waar de ouders ten tijde van de samenleving recht op hadden. De ouders hadden gezien hun inkomen recht op een kindgebonden budget van € 555,- per maand. Hun NBGI komt daarmee uit op € 3.350,- per maand.
Gelet op dit NBGI bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 voor twee kinderen uit het rapport € 736,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 770,- per maand, te weten
€ 385,- per maand per kind.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2026 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht vrouw
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bijstandsuitkering van € 16.824,- netto per jaar, zoals door de man is gesteld en door de vrouw niet is betwist. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en het kindgebonden budget voor één kind ( [de minderjarige 2] ) berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.962,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Bij een NBI onder € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Aangezien het NBI van de vrouw tussen de € 1.950,- en € 2.000,- per maand ligt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 50,- per maand (voor twee kinderen) voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht man
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vader gaat de rechtbank, net als bij de berekening van de behoefte, uit van een gemiddelde winst uit onderneming van
€ 37.819,- bruto per jaar. De rechtbank houdt geen rekening met het kindgebonden budget voor [de minderjarige 1] , omdat zij in mei 2026 meerderjarig wordt. De voorlopige kinderalimentatie die in deze beschikking wordt vastgesteld zal met name zien op de periode daarna, waarin de man geen recht meer heeft op het kindgebonden budget. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.779,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
In deze voorlopige voorzieningenprocedure ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule
€ 406,- per maand, te weten 70% x [2.779 - (0,3 x 2.779 + 1.365)].
Conclusie
Op de door de man te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de vast te stellen voorlopige zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 2] ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 25%. Het bedrag aan zorgkorting bedraagt € 96,- per maand (25% van € 385,-).
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de man vermindert wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Indien er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting. In dit geval leidt dit tot de volgende conclusie.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (€ 50,- + € 406,- =) € 456,- per maand ten opzichte van een totale behoefte van de kinderen van € 770,- per maand. Aangezien de vrouw alleen ten aanzien van [de minderjarige 2] een bedrag aan voorlopige kinderalimentatie verzoekt, ziet de rechtbank aanleiding om de draagkracht van beide partijen voor het doel van deze berekening te halveren. De rechtbank gaat daarom uit van een gezamenlijke draagkracht van partijen voor [de minderjarige 2] van (€ 25,- + € 203,- =) € 228,- per maand ten opzichte van de behoefte van [de minderjarige 2] van € 385,- per maand. Het tekort aan draagkracht bedraagt € 157,- per maand. De helft van dit tekort, te weten € 79,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de man. De man kan dus nog € 17,- per maand aan zorgkorting verzilveren (€ 96,- minus
€ 79,-).
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen voorlopige kinderalimentatie voor [de minderjarige 2] vaststellen op € 186,- per maand (€ 203,- minus
€ 17,-).
Voorlopige partneralimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen van € 1.700,- netto per maand. Op de zitting is namens de vrouw toegelicht dat dit verzochte bedrag tot stand is gekomen op basis van een schatting van wat de vrouw nodig heeft om in haar levensonderhoud te voorzien. De man verweert zich en geeft aan dat de vrouw haar behoefte niet heeft gesteld of onderbouwd.
De rechtbank merkt op dat de vrouw geen behoeftespecificatie of berekening heeft overgelegd, ook niet nadat de man zijn financiële gegevens heeft overgelegd. De rechtbank is, mede gelet op de betwisting van de man, van oordeel dat de vrouw haar behoefte en aanvullende behoefte onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie afwijzen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de berekening voor de voorlopige kinderalimentatie volgt dat de man geen draagkracht heeft om een bedrag aan voorlopige partneralimentatie te voldoen.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] , aan de man wordt toevertrouwd;
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 in
[geboorteplaats] , aan de vrouw wordt toevertrouwd vanaf het moment dat zij een definitieve woonruimte heeft op goede reisafstand van de school van [de minderjarige 2] en het vervoer daarvoor is geregeld;
*
stelt als
voorlopigezorgregeling voor [de minderjarige 2] vast dat:
  • er gedurende de periode dat [de minderjarige 2] nog niet aan de vrouw is toevertrouwd iedere week op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur contact is tussen [de minderjarige 2] en de vrouw;
  • zodra [de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd: [de minderjarige 2] bij de man is in de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de andere week van vrijdag uit school tot zaterdag na het avondeten;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van het moment dat [de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2] (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 186,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, ook kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 februari 2026.