ECLI:NL:RBDHA:2026:70

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
NL25.20578 en NL25.20579
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15c KwalificatierichtlijnArt. 29, eerste lid, aanhef en onder b onder 3 VwArt. 30b, eerste lid, aanhef en onder c VwArt. 31, eerste lid VwArt. 66a, eerste lid, aanhef en onder a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Haïtiaanse vreemdeling wegens ongeloofwaardige ontvoeringsclaims en relatief laag geweldsniveau in Haïti

Eiser, afkomstig uit het departement l'Ouest in Haïti, verzocht asiel wegens twee bijna-ontvoeringspogingen door gewapende mannen en de slechte veiligheidssituatie in zijn land. Verweerder betwijfelde de geloofwaardigheid van deze incidenten vanwege tegenstrijdige verklaringen en concludeerde dat het geweldsniveau in Haïti relatief laag is.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de ontvoeringsclaims ongeloofwaardig achtte, mede door inconsistenties in het relaas van eiser en het ontbreken van aangiften. Verweerder motiveerde zijn standpunt met actuele landeninformatie en erkende het bestaan van willekeurig geweld, maar niet op een uitzonderlijk niveau dat iedereen in Haïti een reëel risico geeft.

Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld. Daarnaast werd de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege het gebruik van een vals visum. Het terugkeerbesluit en het opgelegde inreisverbod van twee jaar werden als rechtmatig beoordeeld.

De rechtbank wees het beroep ongegrond en verwierp het verzoek om voorlopige voorziening. Eiser hoeft Nederland niet te verlaten zolang de voorlopige voorziening in behandeling is. De uitspraak is openbaar en bevat een toelichting op de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit en inreisverbod zijn rechtmatig.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20578 (beroep) en NL25.20579 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker,

hierna: eiser,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.E. van Deijck en mr. J. Kennis).

Samenvatting

1. Eiser is afkomstig uit Haïti en is geboren en woonachtig in departement l'Ouest. Hij stelt dat hij twee keer bijna is ontvoerd door gemaskerde en gewapende mannen en dat de algemene situatie in Haïti zo slecht is dat hij louter vanwege zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade.
Verweerder vindt de twee bijna-ontvoeringen niet geloofwaardig en meent dat in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser moet dan aannemelijk maken dat hij wegens persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om in Haïti slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat heeft hij volgens verweerder niet gedaan.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van verweerder klopt en het beroep ongegrond is. Verweerder heeft kunnen vinden dat de bijna-ontvoeringen ongeloofwaardig zijn, onder meer omdat eiser hier tegenstrijdige verklaringen over heeft afgelegd. Verweerder heeft deugdelijk aan de hand van landeninformatie gemotiveerd waarom sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en waarom de persoonlijke omstandigheden niet genoeg zijn voor de conclusie dat eiser een verhoogd risico in Haïti loopt. Verweerder heeft de asielaanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen omdat eiser op een vals visum heeft gereisd. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod vindt de rechtbank ook rechtmatig.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daarbij tevens bepaald dat eiser Nederland direct moet verlaten en hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
2.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde, [tolk] als tolk en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.
2.3
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eiser stelt de Haïtiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1992. Hij is geboren in Gressier en is nadien woonachtig geweest in Port-au-Prince , beide in departement l'Ouest. Hij heeft gewerkt als veeverzorger. Hij heeft op 1 september 2023 asiel aangevraagd. Hieraan legt hij het volgende ten grondslag. Op 28 december 2022 werd eiser bijna ontvoerd door gemaskerde en gewapende mannen in een SUV. Eiser rende meteen weg. Eiser kon aan de mannen ontsnappen. De mannen losten schoten. Hij vermoedt dat de mannen horen bij de bende Krazé Barié. Eiser heeft daarna in zijn eigen huis verbleven. Op 27 mei 2023 is wederom een poging gedaan om eiser te ontvoeren. Eiser kon toen weer aan de mannen ontsnappen. Op 28 mei 2023 is eiser verhuisd naar zijn neef en nicht om een veiliger onderkomen te vinden. Op 30 augustus 2023 heeft hij Haïti verlaten. Bij terugkeer vreest eiser om opgepakt te worden door de gemaskerde mannen. Hij vreest dan voor zijn leven. Eiser had in het verleden stukken land en die zijn eerder door de bendes gestolen. Eiser heeft geen aangifte gedaan omdat het onrustig was in het land, wegen geblokkeerd waren en de bendes verschillende politiebureaus kapot hebben gemaakt.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit twee asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, en
dat eiser twee keer bijna is ontvoerd.
4.1.
Verweerder gelooft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Dat eiser twee keer bijna is ontvoerd, gelooft verweerder echter niet. Volgens verweerder heeft eiser hier namelijk inconsistent en ongerijmd over verklaard. Daarnaast vindt verweerder dat er in Haïti geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. [1]
4.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser ten aanzien van de bijna-ontvoering op 28 december 2022 inconsistent en ongerijmd heeft verklaard. Enerzijds verklaart eiser dat hij op 28 december 2022 is aangesproken door een persoon in een SUV die helemaal dicht was en getinte ramen had en dat hij enkel wapens heeft gezien, anderzijds dat hij drie personen heeft gezien die niet alleen gewapend maar ook gemaskerd waren. Het is in hoge mate ongerijmd dat bendeleden in de auto bleven zitten en niet uitstapten. Verweerder vindt het ook ongerijmd dat eiser, in een onrustige tijd, op straat afsprak met zijn neef om naar school te gaan met het doel zich in te schrijven en dat hij na de bijna-ontvoering niet meteen met zijn neef contact heeft opgenomen. Eiser verklaart ook ongerijmd over de tweede poging van ontvoering op 27 mei 2023. Enerzijds verklaart eiser dat hij vanuit zijn nicht op weg was naar huis, anderzijds dat hij naar zijn nicht toeging. Eiser verklaart tegenstrijdig over de gebeurtenis (of het een SUV of een pick-uptruck was) en het niet doen van aangifte. Dat het de Bende Krazé Barié is, is gebaseerd op vermoedens en eiser weet hier niets over te verklaren, anders dan dat het gemaskerde mannen waren. Het is ongerijmd dat er gewoon openbaar vervoer reed in zijn wijk op 27 mei 2023 en dat eiser bij zijn vertrek uit Haïti naar de luchthaven heeft kunnen rijden op de motor terwijl hij eerder verklaarde dat alles geblokkeerd was. Eiser legt niet uit waarom hij nog maanden in Haïti is verbleven, terwijl hij vreesde voor zijn leven. Eiser ging in die periode ook nog naar de kerk.
4.3.
Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in combinatie met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiser heeft immers een echt bevonden paspoort met een vals Frans visum en valse stempels aangeboden aan de Koninklijke Marechaussee toen hij aankwam op Schiphol en wilde doorreizen naar Frankrijk. Verweerder heeft daarbij aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Heeft verweerder ongeloofwaardig mogen achten dat eiser twee keer bijna is ontvoerd?
5. Eiser voert aan dat verweerder eisers verklaringen had moeten beoordelen in het licht van eisers persoonlijke achtergrond en de actuele situatie in Haïti. Eisers verklaringen zijn consistent en passen binnen het bredere veiligheidsbeeld van Haïti. Verweerder heeft hier geen rekening mee gehouden. Dit getuigt van een onzorgvuldig genomen besluit.
5.1
Specifiek gaat het om de volgende geschilpunten:
I. Verweerder acht het in strijd met de verwachtingen dat de bendeleden zich in het begin van het eerste gestelde incident op een ogenschijnlijk niet-bedreigende wijze tot eiser zouden hebben gericht. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij op informele toon werd toegesproken: "Jo, stap maar in" [2] . Eiser voert hierover aan dat deze interpretatie van verweerder voorbijgaat aan de feitelijke context en de culturele realiteit. De feitelijke context was de aanwezigheid van vuurwapens en het geschreeuw van bendeleden. De onmiddellijke vluchtreactie van eiser is een natuurlijke en plausibele gedragsrespons. Eisers verklaring over het incident van 28 december 2022 moet verweerder aldus geloofwaardig achten.
II. Verweerder acht het ongerijmd dat eiser op het moment van het eerste incident met zijn neef had afgesproken om samen naar school te gaan met het doel eiser in te schrijven. Dit is ongerijmd, omdat het erg onrustig was op de straten en het was een roerige periode. Bovendien was eiser al 30 jaar, dus begrijpt verweerder niet waarom zijn neef mee zou moeten om hem te begeleiden naar de school. Eiser voert hierover aan dat het in Haïtiaanse context gebruikelijk is dat familieleden -ongeacht de leeftijd- elkaar bij een dergelijke gelegenheid ondersteunen. De keuze voor de ontmoetingsplek was bij een kerk en daarom was het daar druk. Er is geen sprake van een bewuste risicokeuze, maar van een alledaagse, sociaal ingebedde handeling.
III. Verweerder heeft vraagtekens geplaatst bij de omstandigheid dat eiser na de gestelde bijna-ontvoering op 28 december 2022 geen contact had opgenomen met zijn neef. Eiser was op zijn neef aan het wachten toen hij werd benaderd door de bendeleden. Eiser is gevlucht, maar heeft geen contact opgenomen met zijn neef om te vragen of hij veilig was. Eiser voert aan dat hij heeft verklaard [3] dat hij na het voorval direct naar huis was gerend, zijn familie had gebeld en vervolgens in paniek is ondergedoken. Bij acute dreiging en angst is het niet ongebruikelijk dat contact met naasten tijdelijk wordt verbroken. Dit gedrag is in lijn met bekende stress- en vluchtreacties. Eiser handelde uit paniek en wist niet wat zijn neef verder was overkomen. Het ontbreken van nadien hernieuwd contact met eisers neef is het gevolg van angst, onzekerheid en zelfbescherming.
IV. Verweerder heeft de verklaringen over de tweede poging van ontvoering op 27 mei 2023 ongerijmd geacht, met name over het bezoek aan zijn nicht en de auto. In dit verband erkent eiser dat bij de verklaringen sprake is geweest van verwarring. Dat komt door stress, tijdsdruk en moeite om de gebeurtenissen in chronologische volgorde te plaatsen. Detailverlies of verwarring ten aanzien van de SUV/pick-up, die bij de eerste gestelde ontvoeringspoging betrokken was, is hierdoor ook te verklaren. Eiser dacht dat het ging om een groot, donker, voertuig.
V. Verweerder heeft tegengeworpen dat eiser geen aangiften van de pogingen tot ontvoering bij de politie heeft gedaan. Eiser heeft naar aanleiding daarvan gemotiveerd uiteengezet dat hij geen aangifte heeft gedaan in zijn directe woonomgeving omdat de politiebureaus in zijn directe woonomgeving zijn vernietigd of gesloten. Dit wordt bevestigd door de openbare bronnen. Gelet op de gebrekkige aanwezigheid en functionering van de politie, de reële dreiging van represailles en de maatschappelijke context waarin sprake is van structurele straffeloosheid, is het nalaten van het doen van aangifte niet ongeloofwaardig.
VI. Verweerder heeft tegengeworpen dat de verklaring van eiser dat hij voor zijn vertrek de luchthaven kon bereiken, in strijd is met zijn eerdere gestelde handelswijze en verklaringen. Eiser stelt naar aanleiding hiervan dat hij via smalle wegen op een motorfiets naar de luchthaven is gereden. De reguliere wegen waren inderdaad geblokkeerd. Deze verklaring is consistent met wat bekend is over de situatie in Port-au-Prince .
VII. Verweerder acht het bevreemdend dat eiser niet beschikt over diepgaande informatie over de criminele groepering die hem zou hebben bedreigd. Eiser heeft echter verklaard dat het ging om gemaskerde, gewapende mannen die duidelijk herkenbaar waren als niet behorend tot de politie [4] en dat zij behoorden tot de bende Krazé Baryé, onder leiding van Witelhomme Innocent - een naam die hij wist te noemen. Eiser heeft daarnaast aangegeven dat deze groep actief was in zijn woonwijk en aldaar aanzienlijke controle uitoefende. Navraag doen naar de groeperingen is zeer riskant.
5.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Dit wordt als volgt toegelicht.
5.2.1
De beroepsgronden van eiser zijn voor een deel gebaseerd op eisers persoonlijke achtergrond en referentiekader, zoals zijn beperkte opleiding, psychologische factoren naar aanleiding van trauma’s en stress en de Haïtiaanse context. Uit het medisch advies van MediFirst van 8 september 2023 blijkt echter niet van beperkingen ten aanzien van het horen. Eiser heeft enkel hoofdpijn en daar is tijdens het gehoor rekening mee gehouden. Uit het medisch advies volgt ook dat eiser geen exacte data kan herinneren ten aanzien van zijn asielrelaas, maar dat heeft verweerder hem ook niet tegengeworpen. Niet gebleken is ook dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader.
5.2.2
De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat het onbegrijpelijk en ongerijmd is dat eiser, in een tijd dat het zeer onrustig was op straat, op straat met zijn neef zou hebben afgesproken omdat zijn neef de weg zou moeten wijzen naar de school waar eiser zich wilde inschrijven. Gelet op de door eiser geschetste situatie op straat, heeft verweerder het ongerijmd kunnen vinden dat zij op straat hebben afgesproken en niet in de school of op een andere veilige plek. De stelling van eiser dat het gebruikelijk is dat familieleden elkaar bij dergelijke gelegenheden steunen en dat sprake was van een alledaagse, sociale ingebedde handeling, maakt dit niet anders.
5.2.3
Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat het ongerijmd is dat eiser na de gestelde bijna-ontvoering op 28 december 2022 nooit meer contact heeft opgenomen met zijn neef. Eiser stelt te zijn gevlucht maar weet niet hoe het zijn neef is vergaan met wie hij had afgesproken op een straathoek. Eiser heeft ook geen poging ondernomen om contact met hem op te nemen en dit is ongerijmd met eisers verklaring dat hij na het incident wel contact heeft opgenomen met andere familieleden [5] .
5.2.4
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de tweede gestelde bijna-ontvoering op 27 mei 2023 ook ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Eiser verklaart tegenstrijdig over de gebeurtenissen op die dag. Enerzijds verklaart eiser dat op 27 mei 2023 gemaskerde mannen in een pick-up aangereden kwamen, dat die stopte en dat zij uitstapten en mensen begonnen op te pakken [6] . Anderzijds verklaart eiser dat hij uit de bus stapte, hij de gemaskerde mannen zag naast een pomp die twee mensen pakten die vervolgens “Kom mee” tegen eiser zeiden [7] .
5.2.5
Verweerder heeft ook kunnen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het voertuig dat de bendeleden gebruikt hebben. Eiser verklaart dat er op 27 mei 2023 hetzelfde gebeurde als bij de eerste poging, namelijk dat er weer een pick-up truck kwam [8] . Eiser verklaart later dat het bij de eerste ontvoering niet om een pick-up ging, maar om een SUV [9] .
5.2.6
Verweerder heeft ook ongerijmd kunnen vinden dat eiser verklaart dat hij na de gestelde incidenten ondergedoken heeft gezeten bij zijn neef en nicht omdat hij vanwege de barricades en omsingeling van de wijk door bendes geen kant op kon, terwijl hij ook verklaart in die periode af en toe naar de kerk te zijn gegaan [10] .
5.3
Gezien het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder het asielmotief ongeloofwaardig heeft kunnen vinden.
Is er met betrekking tot Haïti sprake van een situatie als in artikel 15 onder Pro c van de Kwalificatierichtlijn?
6. Een vreemdeling komt in aanmerking voor subsidiaire bescherming als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b onder 3, van de Vw, wanneer in het land of gebied van herkomst of terugkeer sprake is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
6.1
In paragraaf C5/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat onder meer het volgende:
De minister kan bij zijn beoordeling gradaties van willekeurig geweld vaststellen:
(gradatie) a. uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
(gradatie) b. relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
(gradatie) c. relatief lager niveau van willekeurig geweld.
6.2
Uit het Arrest X en Y van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 9 november 2023 [11] en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2024 [12] volgt dat ook bij een mindere mate van willekeurig geweld sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade ten gevolge van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, indien de betreffende vreemdeling met individuele elementen aannemelijk kan maken dat hij een verhoogd risico daarop loopt. Dit is de zogenaamde ‘minder uitzonderlijke situatie’ en hierbij geldt een glijdende schaal: hoe meer willekeurig geweld er plaatsvindt, hoe minder individuele elementen nodig zijn om een risico op ernstige schade aan te nemen. Uit de uitspraak van de Afdeling blijkt dat daarbij geen drempel geldt voor de mate van willekeurig geweld. Bij individuele elementen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan leeftijd, gezondheidstoestand of handicap. De bewijslast voor deze individuele elementen ligt bij de vreemdeling. Als aan deze bewijslast voldaan is, is verweerder gehouden om het verhoogde risico op ernstige schade wegens willekeurig geweld gemotiveerd te beoordelen. Verweerder is verplicht om de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdelingen daarbij te betrekken.
6.3
Uit het arrest CF en DN [13] van het Hof van 10 juni 2021 leidt de rechtbank af dat vaststelling van het aantal burgerslachtoffers in verhouding tot de omvang van de bevolking van een land of een regio een criterium kan zijn waarmee wordt aangetoond dat er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, waarbij eenieder een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit datzelfde arrest volgt ook dat dit niet het enige criterium kan zijn en dat bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijk niveau tevens rekening kan worden gehouden met de volgende elementen: de intensiteit van de gewapende confrontaties; het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict; de geografische omvang van de situatie van willekeurig geweld; de daadwerkelijke bestemming van de vreemdeling in het geval van terugkeer; het eventueel opzettelijke geweld dat door de strijdende partijen wordt uitgeoefend tegen burgers; de aanwezigheid van een veiligheidsstructuur; en de actor van vervolging zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Kwalificatierichtlijn.
Beoordeling algemene veiligheidssituatie
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit het departement l'Ouest. Verweerder bestrijdt niet dat voor dat departement geldt dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict en dat sprake is van willekeurig geweld doordat gewapende bendes in dat departement actief zijn. Tussen partijen is slechts in geschil welke gradatie van willekeurig geweld aan de orde is.
7.1
Eiser stelt dat gradatie a aan de orde is, namelijk een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar een aantal bronnen, onder meer naar een rapport van de UNHCR van 20 maart 2024 [14] en Amnesty International [15] . De UNHCR concludeert in zijn rapport dat de situatie in Haïti gekenmerkt wordt door ernstige verstoring van de openbare orde, verregaande territoriale controle door gewapende criminele bendes, een fundamenteel tekortschietende bescherming door de staat en een humanitaire crisis van uitzonderlijke omvang. De UNHCR stelt dat personen afkomstig uit Haïti in aanmerking kunnen komen voor internationale bescherming, dan wel subsidiaire bescherming op grond van artikel 15, onder c van de Kwalificatierichtlijn. Zowel de UNHCR als de Human Rights Watch [16] waarschuwen voor de afwezigheid van een functionerende staat, waarbij zelfs kinderen door gewapende bendes worden ingezet en medische voorzieningen volledig zijn weggevallen. Er wordt melding gemaakt van wijdverspreide en ernstige mensenrechtenschendingen door gewapende criminele groeperingen, waaronder seksueel geweld, ontvoeringen, buitengerechtelijke executies, het inzetten van kinderen voor gewapende doeleinden en gerichte aanvallen op onderwijs- en zorginstellingen. Amnesty International concludeert dat sprake is van een gegeneraliseerde geweldssituatie waarin de burgerbevolking is overgeleverd aan de willekeur van criminele bendes, terwijl de Haïtiaanse autoriteiten in het geheel niet in staat zijn om bescherming te bieden, aldus eiser. Eiser stelt verder dat de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 november 2023 [17] , waarin is geoordeeld dat in Haïti geen sprake is van de uitzonderlijke situatie waarop artikel 15c ziet, inmiddels achterhaald is. De situatie is sindsdien ingrijpend gewijzigd. Eiser verwijst hierbij naar verschillende rapporten. Daaruit volgt dat sprake is van systematisch en herhaald grootschalig geweld tegen burgers. In 2024 werden meer dan 5.600 mensen gedood, 1.494 mensen ontvoerd en zijn meer dan 5.400 gevallen van seksueel geweld gemeld. Ongeveer 703.000 mensen zijn ontheemd waarvan het merendeel zich in door criminele groeperingen gecontroleerde gebieden bevindt en verstoken is van voedsel, medische zorg of elementaire veiligheid. Het rechtssysteem is ingestort. In heel 2024 werden er slechts 241 strafzaken behandeld en 84 procent van de gedetineerden zit zonder enig proces vast. De gewapende groeperingen opereren met een hoge mate van organisatie, maken gebruik van automatische wapens en treden op als de facto machthebbers in diverse stedelijke gebieden. Mannen zijn frequent slachtoffer van gewelddadige aanvallen of gedwongen ontheemding, terwijl vrouwen en kinderen in toenemende mate slachtoffer zijn van seksueel geweld. Met name mannen lopen een verhoogd risico op moord, ontvoering en andere vormen van ernstig geweld, aldus eiser. Eiser heeft ter zitting verduidelijkt dat hij vindt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de elementen die in arrest CF en DN zijn gesteld, met name tegen het licht van het ontbreken van een veiligheidsstructuur. Volgens dat arrest dienen de individuele omstandigheden ook te worden betrokken.
7.2
Verweerder vindt dat geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld maar van een relatief lager niveau van willekeurig geweld (gradatie c). Daarbij verwijst verweerder naar diverse bronnen zoals het VN-rapport van 17 januari 2023, het rapport United Nations Integrated Office in Haiti - Report of the Secretary-General en de cijfers van het Armed Conflict Location & Event Data (ACLED). Verweerder stelt dat de situatie in departement l'Ouest al enige tijd zorgelijk is. ACLED registreerde in 2024 in l’Ouest ruim 428 gevechten met 292 geregistreerde doden tot gevolg. In Artibonite registreerde ACLED 38 gevechten met 138 doden tot gevolg. Onduidelijk is hoeveel doden strijders en burgers betroffen. Het totale aantal dodelijke slachtoffers wordt door ACLED gerapporteerd op 394 personen in het laatste kwartaal van 2024, in tegenstelling tot 168 personen in het derde kwartaal van 2024. Het gaat daarbij om het totale aantal overleden personen gerelateerd aan de conflictsituatie, ongeacht of het burgers of strijders betreft. Het door ACLED geregistreerde aantal burgerslachtoffers ligt op 197 (tot en met 3 december 2024). Zelfs al gaat verweerder uit van de (aanzienlijk) hogere aantallen die de VN noemt, dan nog kan niet gesproken worden van een situatie waarin een ieder enkel door zijn aanwezigheid in Haïti een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder wijst daarbij op de uitspraak van de meervoudige kamer van 16 november 2023, die uitgaat van hogere aantallen (2.493 doden in een half jaar). Verweerder heeft betrokken dat 1.041.229 mensen ontheemd zijn. UNHCR meldt dat eind mei 2024 in l’Ouest 47 van de 156 politiebureaus vanwege aanvallen gesloten waren en slechts 20 van de 47 politievoertuigen in gebruik waren. In de door bendes gecontroleerde gebieden zijn diverse politiebureaus aangevallen. Tussen november 2021 en juni 2024 hebben naar schatting zo’n 55 aanvallen op politie-infrastructuur plaatsgevonden. Desondanks vindt verweerder dat er sprake is van aanwezigheid van enige veiligheidsstructuur, omdat er gewerkt wordt aan het opbouwen en versterken van het leger en een ondersteuningsmissie van de VN. In die ondersteuningsmissie zijn inmiddels ongeveer 1000 Keniaanse politieagenten naar Haïti gestuurd. Dit aantal moet uiteindelijk groeien naar 2500. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit aantal inmiddels wordt uitgebreid naar 5000 politieagenten.
7.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de elementen en criteria uit het arrest CF en DN [18] , overeenkomstig paragraaf C5/3.3.3.2 van de Vc, bij zijn beoordeling heeft betrokken. Daarmee heeft verweerder een zorgvuldig onderzoek verricht naar de situatie in Haïti. De elementen en criteria komen voldoende in het voornemen en het verweerschrift naar voren. Dit wordt als volgt toegelicht.
7.3.1
Verweerder heeft bij de beoordeling betrokken dat het willekeurig geweld afkomstig is van criminele bendes die zich steeds meer richten op de plaatselijke bevolking en dat sprake is van het opzettelijk doden, verwonden en het toepassen van seksueel geweld tegen burgers met als doel het territorium uit te breiden. Ook heeft verweerder bij de beoordeling betrokken dat sprake is van geweld van de zijde van een aantal criminele bendes, die zowel de overheid als elkaar onderling bestrijden, dat van enige organisatie aan de zijde van de criminele bendes geen sprake lijkt te zijn en dat sinds 2021 sprake is van een toename van bendes die actief zijn in Haïti.
7.3.2
Verweerder heeft daarbij verder betrokken dat het geweld met name plaatsvindt in departement l’Ouest en de in dat departement gelegen hoofdstad Port-au-Prince en voorsteden daarvan, als ook in departement Artibonite. Het geweld komt dus met name voor in een beperkt aantal delen van Haïti.
7.3.3
Verweerder heeft ook acht geslagen op de eventuele aanwezigheid van een veiligheidsstructuur. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat uit de landeninformatie blijkt dat hoewel de autoriteiten niet in staat zijn om adequaat te reageren op het bendegeweld en de criminaliteit, er tegelijkertijd niet kan worden gesteld dat in Haïti in het geheel geen sprake is van een basale veiligheidsstructuur. Verweerder heeft onderbouwd dat het budget van de politie verhoogd is en dat er gewerkt wordt aan het opbouwen en versterken van de veiligheidsstructuur. Eiser heeft niet weersproken dat het leger in 2024 1500 soldaten had, dat het aantal politieagenten van de VN-ondersteuningsmissie wordt uitgebreid van 1000 naar 5000 en dat er begin 2025 150 soldaten uit Guatemala zijn aangekomen. Jamaica, de Bahama’s en Belize hebben personeel toegezegd.
7.3.4
Verweerder heeft ook het aantal burgerslachtoffers en ontheemden in verhouding tot de omvang van de bevolking van Haïti in het algemeen en de plaats van herkomst van eiser, in het bijzonder departement l'Ouest, in de beoordeling betrokken. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, zelfs als wordt uitgegaan van de in vergelijking met de door verweerder gehanteerde cijfers van ACLED en de hogere cijfers van de VN, nog steeds niet kan worden gezegd dat iedereen een reëel risico loopt op ernstige schade. Het aantal dodelijke slachtoffers dat de VN noemt ligt dichtbij het aantal waarvan de meervoudige kamer in haar uitspraak van 16 november 2023 is uitgegaan. De rechtbank ging toen uit van 2.493 doden in de eerste 7,5 maand in 2023; de VN spreekt nu van 2.652 doden in eerste halfjaar 2024, 2.949 in het tweede halfjaar 2024 en 2.680 in het eerste halfjaar 2025. Daarbij betrekt de rechtbank dat bronnen van elkaar verschillen wat betreft concrete cijfers en dat niet duidelijk is welke bronnen het bij het juiste eind hebben. De rechtbank stelt echter vast dat veel slachtoffers behoren tot de strijdende partijen zelf. In de bijlage bij het verweerschrift zet verweerder namelijk op inzichtelijke wijze aan de hand van de ACLED cijfers uiteen dat in de meeste gevallen de gevechten plaatsvonden tussen politie en bendes of tussen bendes onderling. Uit de bijlage blijkt dat de meeste doden die bij deze gevechten vielen, bendeleden waren, waaronder in redelijkheid ook ‘leden van self-defense groepen’ kunnen worden verstaan.
7.3.5
Verweerder heeft ook acht geslagen op het aantal binnenlandse ontheemden, 1.041.229 personen, wat neerkomt op 9 procent van de bevolking. 17 Procent verblijft in kampen en 83 procent bij familie. In l’Ouest zou 41 procent van de gezondheidsinfrastructuur volledig functioneren, 19 procent met verminderde capaciteit en 40 procent zijn gesloten vanwege de veiligheidssituatie.
7.4
Voor zover eiser aanvoert dat verweerder de humanitaire omstandigheden in Haïti niet in zijn beoordeling heeft betrokken, oordeelt de rechtbank dat verweerder deze omstandigheden wel degelijk in de beoordeling heeft betrokken. In het besluit en het verweerschrift betrekt verweerder onder andere dat de humanitaire hulp, ondanks de bemoeilijkte toegang door bendes, nog steeds mogelijk is.
7.5
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op wat hierboven is overwogen, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en niet van een uitzonderlijk of relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Wat eiser daartegen heeft ingebracht, waaronder een uitspraak van het Cour Nationale du Droit d’Asile (CNDA) van Frankrijk van 5 december 2023, is onvoldoende voor een ander oordeel. Onweersproken is dat de uitspraak van het CNDA specifiek ziet op een persoon waarbij persoonlijke omstandigheden maakten dat diegene subsidiaire bescherming kreeg. De beroepsgrond slaagt niet.
7.6
Relevant is nu de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij ondanks een relatief lager niveau van willekeurig geweld wegens persoonlijke omstandigheden een reëel risico loopt in Haïti slachtoffer van willekeurig geweld te worden.
Heeft eiser op basis van zijn persoonlijke omstandigheden voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een (verhoogd) risico loopt op willekeurig geweld?
8. Eiser voert in dit kader aan dat met name mannen een verhoogd risico lopen op moord, ontvoering en andere vormen van ernstig geweld door georganiseerde, niet-statelijke actoren. Hij heeft daarnaast een kwetsbare sociaal economische positie en is zelf ook psychisch kwetsbaar. Hierdoor wordt het makkelijker voor de bendes om hem te benaderen en om hem opdrachten te laten uitvoeren.
8.1
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de enkele stelling dat mannen vaker dan vrouwen slachtoffer zijn van (dodelijk) geweld onvoldoende is om alleen al daarom aan te nemen dat eiser een verhoogd risico loopt op schade wegens willekeurig geweld. Eiser heeft zijn stellingen dat hij een kwetsbare sociaal-economische positie heeft en psychisch kwetsbaar is, niet onderbouwd. Verweerder heeft hierbij terecht betrokken dat eiser nooit lid is geweest van een (gewapende) groepering, hij nooit voor de overheid heeft gewerkt, hij als boer (veeverzorger) werkte, hij niet werkte na zijn verhuizing naar Port-au-Prince , hij niet vermogend is en hij in zijn specifieke herkomstgebied geen risicoverhogende gezinssituatie heeft. Eiser heeft niet eerder problemen met de bendes gehad en de twee bijna-ontvoeringen zijn door verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Haïti een verhoogd risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Heeft verweerder de asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw mogen afwijzen?
9. Eiser voert aan dat deze afwijzingsgrond onjuist is. Eiser heeft niet opzettelijk gebruik gemaakt van een vervalst visum en er is geen sprake van misleiding. De reis is door zijn moeder geregeld via een tussenpersoon. Hij wist niet dat het visum vals was. Het vertrouwen op tussenpersonen bij het regelen van reisdocumenten is in de Haïtiaanse context niet ongebruikelijk, zeker voor personen met een beperkte opleiding en weinig zelfstandige toegang tot bureaucratische procedures. Pas bij vertrek werd hem duidelijk dat het visum ongeldig was.
9.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zelf zijn paspoort heeft afgegeven aan een onbekende tussenpersoon, die na betaling van $ 6.000,- ‘al deze dingen’ in zijn paspoort zette. Dit heeft eiser verklaard in het aanmeldgehoor [19] .
9.2.
De rechtbank volgt verweerder. Eisers verklaringen wijzen erop dat eiser bewust was van de valse informatie in zijn paspoort. Bovendien wordt er in beroep aangevoerd dat hem pas bij vertrek duidelijk werd gemaakt dat het visum ongeldig is. Dit betekent dat hij voor zijn vertrek kennis had van de ongeldigheid van zijn visum. Eiser heeft desondanks, dus willens en wetens, met het reisdocument gereisd. De asielaanvraag is daarom terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
Het terugkeerbesluit en het arrest Ararat [20]
10. Eiser voert aan dat verweerder geen geactualiseerde beoordeling heeft gemaakt van het risico op refoulement omdat hij in het besluit geen nadere motivering geeft in aanvulling op het voornemen. Dit is in strijd met het arrest Ararat. Verweerder heeft bepaald dat eiser Nederland direct moet verlaten, ondanks het feit dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag nog aanhangig is. Dit leidt ertoe dat eiser Nederland moet verlaten zonder dat de rechter zich heeft kunnen uitlaten over het risico op ernstige schade bij terugkeer.
10.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een impliciete herleving van een eerder besluit. Er is immers slechts een voornemen en geen eerder besluit. Verweerder stelt dat hij in het bestreden besluit uitgebreid heeft gemotiveerd dat hij bij uitzetting naar Haïti geen risico loopt op een behandeling in strijd met het non-refoulementbeginsel.
10.2
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest Ararat volgt dat verweerder op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn [21] , gelezen in het licht van artikel 4 en Pro artikel 19, tweede lid, van het Handvest [22] , verplicht is om vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken. Een dergelijke beoordeling moet onderscheiden en autonoom zijn ten opzichte van de refoulementbeoordeling die de nationale autoriteit ten tijde van de vaststelling van het terugkeerbesluit heeft verricht. Ook moet de geactualiseerde refoulementbeoordeling de nationale autoriteit in staat stellen om zich ervan te vergewissen dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokken derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Hierbij moet de nationale autoriteit rekening houden met elke wijziging van de omstandigheden en met alle nieuwe elementen die de betrokken derdelander aanvoert.
10.3
De rechtbank is van oordeel dat met het voornemen en het bestreden besluit verweerder al getoetst heeft of sprake is van een risico op refoulement. Nu de rechtbank van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade, is terugkeer naar Haïti niet in strijd met het beginsel van non-refoulement.
Dat eiser gedurende zijn asielberoep Nederland moet verlaten is feitelijk onjuist omdat hij, zo blijkt uit het bestreden besluit, de behandeling van zijn ingediende verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.20579 in Nederland mag afwachten. Eiser hoefde Nederland dus nog niet te verlaten. De beroepsgrond slaagt niet.
Inreisverbod
11. Eiser voert aan dat het inreisverbod van twee jaar onzorgvuldig is gemotiveerd en disproportioneel is.
11.1
Omdat de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen kon verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw een inreisverbod opleggen. Verweerder kan hier gelet op artikel 66a, achtste lid, van de Vw om humanitaire of andere redenen van afzien. Voor zover eiser een beroep doet op dit artikel heeft hij geen concrete, met stukken onderbouwde, bijzondere omstandigheden aangevoerd om van het inreisverbod af te zien. De enkele stelling dat het inreisverbod disproportioneel is, is onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het voorgaande betekent dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en niet van een relatief hoger of uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet met persoonlijke omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een verhoogd risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. Verweerder heeft de asielaanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn rechtmatig. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het beroep is ongegrond.
12.1
Omdat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12.2
Eiser krijgt in het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Battjes voorzitter, tevens voorzieningenrechter, mr. T.N. van Rijn en mr. E. Broekhof, leden, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover deze gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2011/95/EU.
2.Pagina 8 en 9 van het verslag nader gehoor.
3.Pagina 10 van het verslag nader gehoor.
4.Pagina 15 van het verslag nader gehoor.
5.Pagina 9 en 10 van het verslag nader gehoor.
6.Pagina 5 van het verslag nader gehoor.
7.Pagina 12 van het verslag nader gehoor.
8.Pagina 5 van het verslag nader gehoor.
9.Pagina 8 van het verslag nader gehoor.
10.Pagina 14 van het verslag nader gehoor.
11.ECLI:EU:C:2023:843.
13.ECLI:EU:C:2021:472.
14.UNHCR: ‘International Protection Considerations with Regard to People Fleeing Haiti’.
15.Amnesty International: The State of the World's Human Rights; Haiti 2024.
16.Human Rights Watch: World Report 2025 – Haiti.
18.ECLI:EU:C:2021:472.
19.Verslag aanmeldgehoor pagina 5.
20.Arrest van het Hof van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat).
21.Richtlijn 2008/115/EG.
22.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.