ECLI:NL:RBDHA:2026:700

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/696198, FT RK 25-866
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 370 lid 1 FwArt. 370 lid 3 FwArt. 374 lid 2 FwArt. 374 lid 2 sub a FwArt. 375 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Homologatie van akkoord in WHOA-procedure ter voorkoming insolventie sieradenbedrijf

Verzoekster, een onderneming actief in de verkoop van betaalbare sieraden met 125 winkels en circa 900 werknemers, verzoekt de rechtbank om homologatie van een akkoord onder de WHOA. Ondanks omzetgroei sinds 2019, is de winstgevendheid onder druk komen te staan door stijgende kosten en achterstallige belastingschulden, waardoor verzoekster niet langer in staat is haar schulden te voldoen.

De onderneming heeft een herstructureringsvoorstel gedaan waarbij schulden worden verminderd en de kapitaalstructuur wordt gewijzigd. Het akkoord omvat verschillende klassen schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, ABN AMRO en MKB-crediteuren, met uiteenlopende uitkeringspercentages en betalingsregelingen. De reorganisatiewaarde is vastgesteld op circa €18,9 miljoen, maar het akkoord is gebaseerd op een financieringsbedrag van €17 miljoen, mede door beperkte bereidheid van financiers.

De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid, rechtsmacht en de algemene afwijzingsgronden van het verzoek. Er is geen sprake van bezwaren of afwijzingsgronden, de stemming is correct verlopen met ruime instemming van schuldeisers, en de nakoming van het akkoord is voldoende gewaarborgd door een kapitaalinjectie van €4,5 miljoen door een aandeelhouder. De rechtbank concludeert dat homologatie gerechtvaardigd is en spreekt het vonnis uit.

Uitkomst: De rechtbank homologeert het akkoord onder de WHOA, waarmee de schuldenherstructurering wordt goedgekeurd en insolventie wordt voorkomen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – meervoudige kamer
verzoek tot homologatie van een akkoord
rekestnummer: C/09/696198, FT RK 25-866
uitspraakdatum: 7 januari 2026
Vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw)
in de besloten akkoordprocedure buiten faillissement, van:
[verzoekster] B.V.,
tevens handelend onder de namen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] ,
[bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] , [bedrijf 7] , [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 11] , [bedrijf 12] , [bedrijf 13] , [bedrijf 14] , [bedrijf 15] , [bedrijf 16] , [bedrijf 17] , [bedrijf 18] , [bedrijf 19] , [bedrijf 20] ,
[bedrijf 21] , [bedrijf 22] , [bedrijf 23] , [bedrijf 24] , [bedrijf 25] ,
[bedrijf 26] , [bedrijf 27] , [bedrijf 28] , [bedrijf 29] , [bedrijf 30] ,
[bedrijf 31] , [bedrijf 32] , [bedrijf 33] , [bedrijf 34] , [bedrijf 35] , [bedrijf 36] , [bedrijf 37] , [bedrijf 38] , [bedrijf 39] ,
[bedrijf 40] en [bedrijf 41] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
advocaten: mr. J.W. Boddaert en mr. J. Bouman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
- de startverklaring ex artikel 370 lid 3 Fw Pro, gedeponeerd op 27 februari 2025;
- het stemverslag ex artikel 382 Fw Pro met bijlagen, gedeponeerd op 11 december 2025;
- het verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Fw Pro met bijlagen van 12 december 2025 van verzoekster;
- de beschikking van 16 december 2025 inzake dagbepaling van de behandeling van het homologatieverzoek;
- de e-mail met bijlagen van 21 december 2025 van mr. Bouman.
1.2.
De rechtbank heeft de behandeling van het ingediende verzoek bepaald op
22 december 2025.
1.3.
Het verzoek is op 22 december 2025 middels een online videoverbinding in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- namens verzoekster: mevrouw [naam 1] (indirect bestuurder), bijgestaan door mrs. Boddaert en Bouman;
- namens indirect aandeelhouder [aandeelhouder 1] : de heer [naam 2] en mevrouw
[naam 3] ;
- namens de Belastingdienst: de heer [naam 4] (Vaktechnisch coördinator Invordering MKB Den Haag) en de heer [naam 5] ;
- namens ABN AMRO Bank N.V.: de heer [naam 6] (Senior Legal Counsel) en
de heer [naam 7] (Restructurer Afdeling Bijzonder Beheer);
- namens Stichting [stichting] : mevrouw [naam 8] (Portfolio manager Winkels).
1.4.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 7 januari 2026 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.De feiten

De onderneming

2.1.
De onderneming van verzoekster wordt gevoerd onder de handelsnaam ‘ [handelsnaam 1] ’. Zij houdt zich bezig met de verkoop van betaalbare en trendy sieraden, exploiteert 125 winkels in Nederland en heeft ongeveer 900 werknemers in dienst. Daarnaast vinden verkopen plaats via externe online marktplaatsen. [handelsnaam 2] B.V. (“ [handelsnaam 2] ”) houdt alle aandelen in verzoekster en exploiteert geen andere activiteiten dan het houden van aandelen. Hetzelfde geldt voor [handelsnaam 3] B.V. (“ [handelsnaam 3] ”), die alle aandelen houdt in [handelsnaam 2] . Het bestuur van verzoekster en [handelsnaam 2] wordt gevormd door [handelsnaam 3] . Het bestuur van [handelsnaam 3] wordt gevormd door mw. [naam 1] .
De juridische structuur kan als volgt worden weergegeven, waarin [handelsnaam 1] dus onder de naam [verzoekster] B.V. is opgenomen:

[ Afbeelding verwijderd vanwege privacyredenen ]

2.2.
Verzoekster heeft sinds 2019 weliswaar een omzetgroei van circa 30% gerealiseerd,
voornamelijk door het openen van nieuwe winkels en online groei, maar de
winstgevendheid staat onder druk. De EBITDA is gedaald van € 7,1 miljoen in 2021/2022
naar € 5,4 miljoen in 2023/2024, ondanks een omzetstijging naar € 70,4 miljoen.
Deze daling is veroorzaakt door een stijging van inkoopkosten, personeelskosten,
huurkosten en energiekosten, alsmede door oplopende rente en hoge
aflossingsverplichtingen inzake achterstallige belastingschulden die zijn opgebouwd in de
Covid-periode. Verzoekster heeft geconstateerd dat zij verkeert in een toestand waarin het
redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen
voortgaan.
Operationele en financiële herstructurering
2.3.
Verzoekster heeft verschillende pogingen gedaan het tij te keren. Zo heeft zij (onder
meer) gesprekken gevoerd en nieuwe afspraken gemaakt met haar belangrijkste
stakeholders, te weten haar financier ABN AMRO Bank N.V. (“ABN AMRO”) en de
Belastingdienst. Zij heeft operationele herstructureringsmaatregelen doorgevoerd
door verlaging van het aantal fte’s op het hoofdkantoor, verbeteringen van
productiviteit en bezetting in de winkels, en verlaging van de huur van 66 winkels alsmede
beëindiging van drie huurovereenkomsten.
2.4.
De financiële reorganisatie vindt plaats doordat verzoekster, [handelsnaam 2] en [handelsnaam 3]
ieder een eigen akkoord hebben aangeboden. Ten aanzien van de
akkoorden van [handelsnaam 2] en [handelsnaam 3] geldt dat deze 100% instemming behaald
hebben. Voor deze akkoorden is geen homologatieverzoek ingediend. Het totale
akkoordbedrag bedraagt € 17.015.577 waarvan € 4.500.000 direct wordt voldaan.
Het zwaartepunt van de herstructurering concentreert zich op het niveau van verzoekster,
omdat zij de operationele activiteiten van de [handelsnaam 1] uitvoert en over vrijwel alle
activa beschikt.
Tekst

3.Het akkoord en de stemming

De vereffenings- en reorganisatiewaarden

3.1.
Verzoekster wil komen tot een sanering van haar op 1 maart 2025 (fixatiedatum)
bestaande schuldenlast. Het akkoordvoorstel bestaat uit een vermindering van de
schuldenlast en wijziging van de kapitaalstructuur. Volgens verzoekster zijn beide nodig om
de dreigende insolventie te voorkomen.
3.2.
De totale liquidatiewaarde van de activa van verzoekster bedraagt € 16.252.994.
Verzoekster heeft de reorganisatiewaarde aanvankelijk begroot op € 14.776.567 en na
een discussie met de Belastingdienst bijgesteld naar € 18.916.655. Voor dat bedrag kan
echter geen volledige financiering worden aangetrokken, ondanks dat daartoe inspanningen
zijn verricht. [aandeelhouder 1] is als enige partij bereid gebleken om te (blijven) investeren door
middel van een kapitaalinjectie van € 4.500.000 tegen uitgave van een nieuwe klasse
aandelen. Hierdoor is een akkoordbedrag van maximaal € 17.015.557 beschikbaar.
De klassenindeling met de schulden en aangeboden bedragen
3.3.
Verzoekster heeft aan de betrokken schuldeisers een akkoord aangeboden.
De klassenindeling en het aangeboden akkoord houden het volgende in:
Klasse: Vordering:
1. preferent: Belastingdienst € 11.715.305
2. separatist: ABN AMRO (gesecureerde deel) € 10.387.898
3. MKB-crediteuren € 979.977
4. niet-MKB-crediteuren € 5.505.601
Belastingdienst (Klasse 1):
De Belastingdienst krijgt een uitkering aangeboden gelijk aan 100% van de geschatte uitkering in faillissement ad € 385.096, te vermeerderen met 38,9% over het (in faillissement) ongedekte deel van de erkende vordering, tegen kwijtschelding van het restant daarvan. Daarbij zal op het totaal van het door de [handelsnaam 1] te betalen bedrag in alle akkoorden een bedrag van € 3.628.616 binnen tien werkdagen na homologatie van het akkoord worden betaald en een bedrag van € 1.500.000 zal in zestig maandelijkse termijnen van € 25.000 worden betaald.
ABN AMRO (Klasse 2 en 4)
ABN AMRO valt voor het gesecureerde deel van haar vordering van € 10.387.898 in Klasse 2, en voor het niet-gesecureerde deel van haar vordering van € 2.035.543 in Klasse 4.
Voor het gesecureerde deel ontvangt ABN AMRO een uitkering door middel van een financieringsinstrument van 100% van dat gesecureerde deel, zijnde de geschatte uitkering in faillissement van € 10.387.898, tegen kwijtschelding van in totaal over alle akkoorden een bedrag van € 1.551.381.
MKB-crediteuren (Klasse 3)
Verzoekster heeft op grond van artikel 374 lid 2 sub a Fw Pro een aparte klasse gemaakt voor schuldeisers die kwalificeren als MKB-crediteuren (artikel 374 lid 2 Fw Pro). Het aanbod aan hen behelst een uitkering van 20% van de erkende vordering binnen tien werkdagen na homologatie van het akkoord, tegen kwijtschelding van 80% van de erkende vordering.
Niet-MKB-crediteuren (Klasse 4)
De vorderingen in deze klasse omvatten mede de niet-gesecureerde vorderingen van ABN AMRO en de vordering van het UWV uit hoofde van NOW. Volgens het Conceptvoorstel voor het akkoord (randnummer 125) krijgen de niet-MKB-crediteuren binnen het akkoord een uitkering door middel van betaling van 19,45% van de erkende vordering binnen tien werkdagen na homologatie van het akkoord, tegen kwijtschelding van 80,55% van de erkende vordering. De uitkering over het niet-gesecureerde deel van de vordering van ABN AMRO zal pas op termijn plaatsvinden.
Schuldeisers buiten de akkoorden
3.4.
De schuldeisers die niet worden geraakt door de akkoorden zijn:
- 62 crediteuren met vorderingen lager dan € 250, met een gezamenlijk belang van
€ 6.440;
- vijf dwangcrediteuren met een gezamenlijk belang van € 312.306;
- drie crediteuren met een vordering verbonden aan personeelsrechten met een gezamenlijk
belang van € 147.431;
- 37 crediteuren met een eigendomsvoorbehoud met een gezamenlijk belang van
€ 1.497.306; en
- een crediteur met een beroep op het recht van reclame, met een vordering van € 255.980.
3.5.
De [aandeelhouder 2] en certificaathouders zijn buiten het akkoord gehouden dat [handelsnaam 3] heeft aangeboden. Hun rechten zijn voor de beoordeling van het onderhavige akkoord niet van belang.
De financiering van het akkoord
3.6.
Het akkoordbedrag bedraagt € 17.015.557 en bestaat uit de financiering van ABN AMRO die wordt gecontinueerd en nieuwe financiering door [aandeelhouder 1] door middel van een kapitaalinjectie van € 4.500.000 door middel van het uitgeven van cumulatief preferente aandelen aan [aandeelhouder 1] .
De stemuitslag
3.7.
Het akkoord is op 26 november 2025 ter stemming voorgelegd. De stemgerechtigden konden tot en met 10 december 2025 hun stem uitbrengen.
3.8.
Verzoekster heeft het stemverslag op 11 december 2025 op de griffie van de rechtbank gedeponeerd.
3.9.
De uitslag van de stemming is als volgt: drie van de vier klassen hebben met 100% ingestemd met het akkoord. De niet-MKB-klasse (klasse 4) heeft met 99,52% ingestemd met het akkoord. In die klasse hebben drie crediteuren tegen het akkoord gestemd en twee crediteuren hebben niet gestemd. Bij elkaar vertegenwoordigen deze crediteuren een belang van 0,48%. Van twee crediteuren (Belastingdienst Frankrijk en Spanje) is bekend dat zij niet instemmen vanwege wetgeving in die landen en van de andere drie crediteuren is geen reden bekend.

4.Het verzoek

4.1.
Verzoekster verzoekt de rechtbank op de voet van artikel 383 Fw Pro de homologatie van
het akkoord uit te spreken.
4.2.
Zij is in staat (geweest) gedurende het WHOA-traject lopende kosten te blijven
voldoen, maar voorziet dat er geen realistisch perspectief bestaat om een toekomstige
insolventie af te wenden zonder herstructurering van de schulden. Zij verkeert daarom in
een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar
schulden niet zal kunnen voortgaan. Herstructurering van haar schulden onder de WHOA
zal het dreigende faillissement afwenden, waarbij een beter resultaat wordt behaald voor de
betrokken schuldeisers dan wanneer afwikkeling zou plaatsvinden in faillissement.
4.3.
Er is volgens verzoekster geen sprake van algemene of bijzondere gronden voor
afwijzing van het verzoek. Verzoekster heeft geen bezwaren in de zin van artikel 383 lid Pro 9
Fw ontvangen, zodat de afwijzingsgronden van artikel 384 lid 3 en Pro 4 Fw niet van toepassing
zijn. Er is ook geen sprake van algemene afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid Pro
2 Fw.

5.De beoordeling

De rechtsmacht en bevoegdheid

5.1.
De rechtbank stelt vast dat het homologatieverzoek het eerste verzoek is in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank moet vaststellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw Pro, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.
5.2.
Verzoekster heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. Zij is statutair gevestigd in [vestigingsplaats] . Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef Pro en onder b Fw juncto artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv Pro volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.
De ontvankelijkheid
5.3.
Alle klassen hebben voor het akkoord gestemd, zodat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek tot homologatie (artikel 383 lid 1 Fw Pro).
De algemene afwijzingsgronden
5.4.
Ingevolge artikel 384 lid 1 Fw Pro wijst de rechtbank een verzoek tot homologatie toe, tenzij zich een of meer van de afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 tot Pro en met
4 Fw voordoet. Omdat er geen stemgerechtigden zijn die op grond van lid 3 of lid 4 van artikel 384 Fw Pro een verzoek tot afwijzing hebben gedaan, zal de rechtbank het akkoord alleen toetsen aan de algemene afwijzingsgronden van artikel 384 lid 2 Fw Pro.
5.5.
Verzoekster verkeert in de situatie dat het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden, zodat zonder herstructurering een toekomstige insolventie niet kan worden afgewend (artikel 384 lid 2 sub a jo Pro. artikel 370 lid 1 Fw Pro). Verzoekster is niet in staat haar schulden af te lossen op basis van de verwachte geldstromen.
5.6.
De stemgerechtigden zijn op de juiste wijze in kennis gesteld van het akkoord
en van de behandeling van het homologatieverzoek (artikel 384 lid 2 sub b jo Pro. artikel 381 lid Pro
1 en artikel 383 lid 5 Fw Pro).
5.7.
Het akkoord moet alle informatie bevatten die de stemgerechtigde schuldeisers (en aandeelhouders) nodig hebben om zich een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen over het akkoord en de stemming moet correct zijn uitgevoerd (artikel 384 lid 2 sub c jo Pro artikel 375 en Pro 381 Fw). Wanneer schuldeisers of aandeelhouders vinden dat de informatie onvoldoende is, zullen zij over het algemeen tegen het akkoord stemmen of zich van stemming onthouden. In dit geval is sprake van een zeer breed gedragen akkoord.
De belangrijkste betrokkenen – de fiscus en de bank – zijn intensief betrokken bij de voorbereiding van het akkoord. Alle stemgerechtigden zijn in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verkrijgen.
De schuldeisers hebben voldoende bedenktijd gehad alvorens hun stem te moeten uitbrengen. Zij hebben het akkoord met grote meerderheid aanvaard. Klassen 1 tot en met 3 hebben elk met 100% ingestemd en klasse 4 heeft met 99,52% ingestemd.
5.8.
De stemgerechtigden zijn voor het juiste bedrag toegelaten tot de stemming (artikel 384 lid 2 sub d Fw Pro). Verzoekster heeft in haar verzoekschrift vermeld dat, alhoewel de crediteuren ruim voldoende gelegenheid zouden moeten hebben gehad om hun vorderingen te controleren en te verifiëren, toch enkele crediteuren hun vordering hebben bijgesteld gedurende de stemperiode. Verzoekster heeft deze aangepaste vorderingen gecontroleerd en geaccepteerd. Het gaat om minieme verschillen. De wijzigingen leiden niet tot een ander stemresultaat.
5.9.
De nakoming van het akkoord is voldoende gewaarborgd (artikel 384 lid 2 sub e Fw Pro).
De rechtbank licht dat als volgt toe.
5.9.1.
De rechtbank heeft vragen gesteld over de berekening van de uit te keren bedragen die, al dan niet ineens, onder het akkoord moeten worden uitgekeerd. In randnummer 125 van het Conceptvoorstel voor het akkoord staat dat de schuldeisers in klasse 4 (niet-MKB-crediteuren) betaling ineens – dat wil zeggen: binnen tien dagen na homologatie van het akkoord – ontvangen. Ter terechtzitting is toegelicht dat dit niet geldt voor uitkering aan ABN AMRO ten aanzien van het niet-gesecureerde deel van haar vordering. Desgevraagd heeft verzoekster bij e-mail van 21 december 2025 toegelicht dat de uitkering in klasse 4 in totaal € 1.070.868 bedraagt, waarvan € 674.955 ineens aan “alle niet-MKB-crediteuren” ( bedoeld wordt: alle niet-MKB-crediteuren behoudens ABN AMRO) en € 395.913 op termijn aan ABN AMRO. Dit is ter terechtzitting door de vertegenwoordiger van de bank bevestigd.
5.9.2.
De reorganisatiewaarde is aanvankelijk begroot op een bedrag van € 14.776.567.
Dit is een uitkomst van de geldstroomprognose en gehanteerde disconteringsvoet, met een
correctie voor de liquide middelen en het operationeel kapitaal. Met de Belastingdienst is
een discussie ontstaan over de toepasbaarheid van een zogenoemde ‘size-premie’ bij het
benaderen van de disconteringsvoet. Het daarbij door de Belastingdienst ingenomen
standpunt leidt tot een reorganisatiewaarde van € 18.916.655. Ter terechtzitting is bevestigd
dat verzoekster zich bij deze reorganisatiewaarde aansluit. Voor dit bedrag kan echter geen
financiering worden aangetrokken. Er is een fors aantal financiers benaderd, waarvan 23
partijen initieel interesse hebben getoond, maar geen van die partijen heeft zich uiteindelijk
willen committeren tot het verstrekken van kapitaal. Aandeelhouder [aandeelhouder 1] is als enige
partij bereid gebleken om te (blijven) investeren door middel van een kapitaalinjectie van
€ 4.500.000 tegen uitgave van een nieuwe klasse aandelen. Uiteindelijk is het akkoord
gebaseerd op een bedrag van € 17.015.557. Hieruit volgt dat bij dit akkoord de
reorganisatiewaarde niet bepalend, maar richtinggevend is geweest, en dat het aangeboden
bedrag uiteindelijk is gebaseerd op het maximale bedrag dat de financiers bereid waren te
verstrekken. Daarbij is uitgebreid onderzocht wat de maximaal haalbare financieringslast is
voor verzoekster.
Naar het oordeel van de rechtbank kan afwijking van uitkering van de reorganisatiewaarde
aan schuldeisers onder omstandigheden tot toewijzing van een verzoek tot homologatie
leiden [1] . Zij acht dit in de gegeven omstandigheden voldoende. Verzoekster heeft
onderbouwd dat financiers niet bereid zijn tot verstrekking van een bedrag van de
volledige reorganisatiewaarde van € 18.916.655. Dit is transparant en tijdig aan de
schuldeisers meegedeeld. Alle stemgerechtigde schuldeisers hebben immers al vanaf
11 maart 2025 toegang tot het systeem “WHOA-Systems”, waarin verzoekster alle
relevante informatie met betrekking tot (de voorbereiding van) het akkoord heeft geplaatst.
Op 26 november 2025 heeft verzoekster het voorstel via dit systeem aan de
belanghebbenden voorgelegd. De schuldeisers hebben dus ruimschoots de tijd gehad om
zich te beraden over eventuele bezwaren. Uiteindelijk hebben slechts drie schuldeisers
tegen het aangeboden akkoord gestemd en hebben zich twee schuldeisers van stemming
onthouden. De vorderingen van deze vijf schuldeisers vertegenwoordigen 0,48% van de
vordering in klasse 4. De bezwaren van de tegenstemmende schuldeisers zagen niet op het
niet geheel verdelen van de reorganisatiewaarde in het akkoord, maar op het maximaal
haalbare bedrag dat financiers bereid waren te verstreken. Alle schuldeisers zijn in de
gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen, maar hebben daarvan geen gebruik
gemaakt.
Zekerheid voor de nakoming
5.9.3.
Verzoekster heeft desgevraagd in haar nagekomen e-mail van 21 december 2025, onder bijvoeging van een gedetailleerd cijfermatig overzicht, aangetoond hoe de uitkeringen, ineens en op termijn, onder de drie akkoorden zullen worden gedaan.
Bijlage 18 bij voormelde e-mail van 21 december 2025 betreft een brief van [aandeelhouder 1] , waarin zij garandeert dat zij het bedrag van € 4.500.000 ter beschikking zal stellen. Ter zitting is dit namens [aandeelhouder 1] bevestigd en is namens de Belastingdienst en ABN AMRO verklaard dat dit ook met hen is besproken en dat ook zij hierin vertrouwen hebben. De nakoming van het akkoord is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd.
5.10.
Het is voorts redelijkerwijs aannemelijk dat de nieuwe financiering noodzakelijk is en de belangen van de gezamenlijke schuldeisers niet (wezenlijk) schaadt (artikel 384 lid 2 sub f Fw Pro). Verzoekster heeft voldoende onderbouwd verklaard dat zonder de kapitaalinjectie van € 4.500.000 door [aandeelhouder 1] , middels het uitgeven van cumulatief preferente aandelen in [handelsnaam 3] , het niet mogelijk is het akkoord tot stand te brengen en dat in dat geval schuldeisers genoegen moeten nemen met hetgeen zij krijgen in een faillissement.
5.11.
Er zijn ook verder geen andere gronden voor weigering van de homologatie:
- de in het akkoord gehanteerde klassenindeling voldoet aan de vereisten van artikel 374 Fw Pro;
- er zijn geen redenen om aan te nemen dat het akkoord door bedrog, door begunstiging van een of meer stemgerechtigde schuldeisers of aandeelhouders of met behulp van andere oneerlijke middelen tot stand is gekomen (artikel 384 lid 2 sub g Fw Pro);
- tot slot zijn er ook geen andere redenen die zich tegen de goedkeuring van het akkoord verzetten (artikel 384 lid 2 sub i Fw Pro).

6.De beslissing

De rechtbank:
- homologeert het door verzoekster aangeboden akkoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.C.A.T. Frima, voorzitter, mr. R. Cats en mr. A.E. de Vos, rechters, en in aanwezigheid van R. Becker, griffier, in het openbaar uitgesproken op
7 januari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland, 18 januari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:135 (JOR 2023/191 m.nt. Harmsen)