Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7063

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/09/699862 / JE RK 26-278
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarige na overlijden moeder en plaatsing bij vader

De minderjarige is recent haar moeder verloren, waarna zij aanvankelijk bij de grootvader moederszijde verbleef en sinds 16 februari 2026 bij haar vader woont. De vader heeft het ouderlijk gezag en ontvangt intensieve ondersteuning van een hulpverlener om de zorg voor de minderjarige op zich te nemen.

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een ondertoezichtstelling voor twaalf maanden om de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige te waarborgen. De minderjarige moet het verlies van haar moeder en eerdere traumatische ervaringen verwerken, waaronder getuige zijn van huiselijk geweld en discontinuïteit in ouderlijke zorg.

De kinderrechter constateert dat de vader meewerkt aan de hulpverlening en complimenteert hem met zijn inzet. Toch is de situatie nog pril en zijn er zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige, het contact met haar (half)zussen en de aanstaande schoolwissel.

Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor een jaar, waarbij de gecertificeerde instelling ook moet onderzoeken of na deze periode afsluiting mogelijk is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is op 27 februari 2026 uitgesproken.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor twaalf maanden vanwege de kwetsbare thuissituatie en het belang van voortdurende hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/699862 / JE RK 26-278
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ;
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026;
- het rapport van de Raad van 23 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de Raad;
  • de vader;
  • [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder, [de moeder] , is op [dag] 2025 overleden.
2.3.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
[minderjarige] woont bij de vader.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 december 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 1 maart 2026 en voor dezelfde duur een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de grootvader moederszijde.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] is recent haar moeder verloren, wat uiteraard ontzettend verdrietig voor haar is. Zij is in eerste instantie bij de grootvader moederszijde geplaatst, maar daar kon zij niet langdurig blijven. Sinds
16 februari 2026 woont [minderjarige] bij haar vader, nadat er, met hulp van [hulpverlener] , was ingezet op contactherstel. Zowel [minderjarige] als vader moet wennen aan de nieuwe situatie. Daarbij komt dat [minderjarige] ook minder contact heeft met haar (half)zussen [naam 3] en - in mindere mate - [naam 4] . Daarnaast heeft [minderjarige] al het nodige meegemaakt in haar leven, wat grote impact kan hebben op haar ontwikkeling. Het gaat dan onder andere om het getuige zijn van huiselijk geweld tussen moeder en haar partner(s), dronkenschap van moeder en discontinuïteit in de aanwezigheid van de vader in haar leven. De Raad gunt het [minderjarige] om het verlies van haar moeder en alles wat zij heeft meegemaakt te kunnen verwerken. Op korte termijn gaat [minderjarige] daarom starten met speltherapie. Verder blijft de begeleiding van [hulpverlener] nog betrokken om vader te ondersteunen en het contact met (half)zussen [naam 3] en [naam 4] te structureren. De vader en het betrokken netwerk hebben tijdens het raadsonderzoek laten zien bereid te zijn om mee te werken aan de intensieve hulpverlening die [hulpverlener] heeft ingezet. Er is geen weerstand geweest en de veiligheidsafspraken werden nageleefd. Dat is ontzettend positief en maakt ook dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is afgenomen. De Raad vindt het op zijn plaats om de vader te complimenteren voor de manier waarop hij zich heeft ingezet. De situatie is echter nog wel pril en het is daarom noodzakelijk dat de jeugdbeschermer langer betrokken blijft om zicht te houden op de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] . De Raad denkt dat [minderjarige] ook trauma-gerelateerde klachten kan gaan laten zien op het moment dat de thuissituatie rustiger is. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is dan nodig om gerichte hulpverlening in te zetten en ervoor te zorgen dat de vader wordt ondersteund in het omgaan met deze eventuele traumaklachten van [minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij meewerkt aan alle hulpverlening. Hij heeft juist zelf om hulp gevraagd. Hij heeft een goede samenwerking met de hulpverleners van [hulpverlener] . De vader vindt een ondertoezichtstelling dan ook niet nodig, maar hij zal er wel aan meewerken als de rechter dit wél nodig vindt. De vader is op dit moment druk bezig met het regelen van een andere school voor [minderjarige] in de buurt van zijn woning. Hij beseft dat er nog veel op hem en [minderjarige] af gaat komen. [minderjarige] heeft al het nodige meegemaakt en moet veel gaan verwerken.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. [hulpverlener] heeft de afgelopen periode ingezet op contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Daar zijn positieve stappen in gezet. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is liefdevol. Ook lukt het de vader om [minderjarige] te begrenzen. Het is belangrijk dat [minderjarige] tijd en ruimte krijgt om te verwerken wat zij allemaal heeft meegemaakt.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De moeder van [minderjarige] is recent overleden en dat heeft een enorme impact op het leven van [minderjarige] . De afgelopen periode is er veel veranderd voor [minderjarige] . [minderjarige] woonde bij haar moeder. Na het overlijden van de moeder verbleef zij eerst bij de grootvader moederszijde, maar sinds kort - sinds 16 februari 2026 - woont zij bij de vader. De vader ontvangt daarbij intensieve ondersteuning van [hulpverlener] . Het is positief dat de vader meewerkt aan de hulpverlening en dat hij de tips en adviezen van de professionals opvolgt. Ook voor hem moet het een hele omschakeling zijn om de zorg voor [minderjarige] opeens volledig op zich te nemen. De kinderrechter complimenteert de vader dan ook met de manier waarop hij zich de afgelopen periode heeft ingezet en in het belang van [minderjarige] denkt en handelt. Dat neemt niet weg dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] zal de heftige gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt moeten verwerken. Ook is er nog veel onduidelijkheid, bijvoorbeeld over hoe het contact tussen [minderjarige] , haar (half)zussen en andere personen uit het netwerk vormgegeven gaat worden. Daarnaast zal [minderjarige] van school moeten wisselen, wat betekent dat zij opnieuw met een verandering te maken krijgt. Aangezien er de komende periode nog veel op [minderjarige] en de vader afkomt en de plaatsing bij vader nog heel pril is, vindt de kinderrechter het belangrijk dat de jeugdbeschermer langer betrokken blijft. De jeugdbeschermer moet toezicht houdt op de ontwikkeling van [minderjarige] en ervoor zorgen dat de juiste hulpverlening voor [minderjarige] en de vader wordt ingezet. Daarbij kan de jeugdbeschermer de vader ook ondersteunen bij het nemen van beslissingen. Verder moet er goed gekeken worden naar het contact tussen [minderjarige] , haar (half)zussen en andere betrokkenen. Om ervoor te zorgen dat het langdurig goed blijft gaan met [minderjarige] is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend en geboden is. De kinderrechter benadrukt dat de gecertificeerde instelling het komende jaar ook moet onderzoeken of daarna een afsluiting van de ondertoezichtstelling - eventueel met overdracht van de hulpverlening naar het vrijwillig kader - mogelijk is.
5.3.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 27 februari 2026 tot 27 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.