Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Den Haag
Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van 29 augustus 2025, waarin zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de minister nog niet in gebreke was gesteld binnen de beslistermijn. De minister ontving de asielaanvraag op 5 december 2023 en diende op 26 januari 2024 een claimverzoek in bij Oostenrijk, dat werd geaccepteerd. Omdat de overdracht niet binnen de termijn plaatsvond, werd de minister vanaf 27 juli 2024 verantwoordelijk voor de aanvraag.
Voor Syrië gold een besluitmoratorium van 14 december 2024 tot 13 juni 2025, waardoor de beslistermijn met een jaar werd verlengd tot maximaal 21 maanden. De minister moest uiterlijk op 27 januari 2026 beslissen. Opposant stelde de minister op 25 juni 2025 in gebreke en startte op 16 juli 2025 een beroep, maar dit was prematuur omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.
De rechtbank volgt het standpunt van opposant niet dat de beslistermijn al op 5 december 2023 begon en dat de opname in de nationale procedure geen invloed heeft op de wettelijke aanvangsdatum. Op grond van de Dublinverordening vervalt de overdrachtstermijn en wordt de minister verantwoordelijk vanaf het moment dat de overdracht niet plaatsvindt. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak zonder zitting, conform artikel 8:54 Awb Pro.
Uitkomst: Het verzet van opposant wordt ongegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring blijft in stand.