Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7645
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister heeft op 17 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, lid 1 sub a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld, waarbij zij zich baseerde op eerdere toetsing van de maatregel in een uitspraak van 5 december 2025. De rechtbank concludeert dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was en dat het voortduren daarvan niet onrechtmatig is.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat er onvoldoende uitzicht is op uitzetting, mede vanwege de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank oordeelt echter dat de minister regelmatig rappelleert bij de autoriteiten en dat er geen aanwijzingen zijn dat het zicht op uitzetting ontbreekt.

De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7645
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels) en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Pols).

Procesverloop

De minister heeft op 17 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, lid 1 onder sub a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 december 2025 (in de zaak NL25.56521) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van
belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt voorop dat de minister onvoldoende voortvarend is in zijn handelen met betrekking tot de uitzetting van eiser. Tevens stelt eiser dat er onvoldoende uitzicht is op uitzetting binnen redelijk termijn. Hierbij voert eiser het argument dat de Marokkaanse autoriteiten een presentatie van de vreemdeling noodzakelijk achten, waardoor de kans moet bestaan dat een laissez-passer (lp) sneller zal worden verstrekt. Eiser verwijst hiervoor naar een kamerstuk van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer.1
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat het zicht op uitzetting thans ontbreekt.
6. Wat betreft het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat dit in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet in de voortgangsrapportage van 6 februari 2026 geen aanknopingspunten voor een andere conclusie. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser nog relatief kort in bewaring zit en dat de minister maandelijks, laatstelijk 29 januari 2026, bij de Marokkaanse autoriteiten rappelleert met betrekking tot de afgifte van een lp. De minister heeft in zijn verweerschrift van 16 februari 2026 aangegeven dat de Marokkaanse autoriteiten niet hebben aangegeven de identiteit en nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen. De werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten waarnaar eiser refereert is volgens de minister verouderd en sinds december 2023 niet langer de standaard werkwijze.2 De minister is verder afhankelijk van de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten en de tijd die zij nodig hebben voor het onderzoek.
7. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 5 december 2025 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermalen, laatstelijk op 29 januari 2026, bij de Marokkaanse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast met eiser, laatstelijk op 19 januari 2026, een vertrekgesprek gevoerd.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1
Kamerstuk II2022/23, 30573, nr. 200.
2
Kamerstuk II2023/24, 30573, nr. 207, blz. 2.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.