Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7108

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.13906
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96, derde lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 29 oktober 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in een uitspraak van 4 februari 2026 en concludeerde toen dat de maatregel rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek. De beoordeling richtte zich daarom op de periode daarna.

Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde en dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Bangladesh bestond, mede omdat de minister slechts schriftelijk rappelleerde en een reactie van Bangladesh uitbleef. De rechtbank oordeelde echter dat de minister maandelijks, laatstelijk op 12 maart 2026, rappelleerde bij de Bengalese autoriteiten en dat er geen aanwijzingen waren dat de identiteit of nationaliteit van eiser niet bevestigd kon worden.

Daarnaast bleek uit vertrekgesprekken dat eiser niet volledig meewerkte aan zijn uitzetting, terwijl hij daartoe verplicht is. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de minister onvoldoende voortvarend handelde en concludeerde dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.13906
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer) en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

De minister heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser stelt van Bengalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 februari 2026 (in de zaak NL26.3965) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment
van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt dat in het onderzoek geen voortgang wordt geboekt, omdat de minister enkel schriftelijk rappelleert en een reactie van Bangladesh over een laissez-passer (lp) uitblijft. Eiser wijst erop dat er inmiddels al ruimschoots vier maanden zijn verstreken sinds de oplegging van de maatregel van bewaring en dat de minister onvoldoende ‘bovenop de situatie zit’. Dit alles moet volgens eiser betekenen dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.
Zicht op uitzetting
5. Wat betreft het zicht op uitzetting naar Bangladesh, overweegt de rechtbank dat dit in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet in de voortgangsrapportage van 13 maart 2026 geen aanknopingspunten voor de conclusie, dat dit in het geval van eiser anders is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser enkele maanden in bewaring zit en dat de minister maandelijks, laatstelijk op 12 maart 2026, bij de Bengalese autoriteiten rappelleert met betrekking tot de afgifte van een lp. De minister is, zoals in het verweerschrift van 18 maart 2026 wordt aangegeven, afhankelijk van de medewerking van de Bengalese autoriteiten en de tijd die zij nodig hebben voor het onderzoek. Hiernaast hebben de Bengalese autoriteiten vooralsnog niet aangegeven de identiteit en nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen. Ook is de rechtbank van oordeel dat uit de met eiser gevoerde vertrekgesprekken niet is gebleken, dat eiser zelf actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting, hoewel hij daartoe wel is verplicht.
Voortvarend handelen
6. Verder is de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 4 februari 2026 onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van de uitzetting van eiser. De minister heeft meermalen, laatstelijk op 12 maart 2026, bij de Bengalese autoriteiten gerappelleerd en heeft daarnaast recentelijk met eiser nog op 20 februari 2026 een vertrekgesprek gevoerd.
Ambtshalve toetsing
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.