Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) om haar leefgeld gedurende een week in te houden vanwege het herhaaldelijk niet nakomen van haar meldplicht. De maatregel betrof een ROV-1 sanctie, opgelegd na een eerdere schriftelijke waarschuwing.
De rechtbank stelde vast dat eiseres op 30 juli 2025 niet aan haar meldplicht voldeed en onvoldoende bewijs leverde van een geldige reden, ondanks haar mededeling over een afspraak bij de politie. Het COa had duidelijk gesteld dat schriftelijk bewijs vereist was en dat dit vóór de meldplicht moest worden aangeleverd, wat eiseres niet deed.
Eiseres voerde ter zitting nieuwe beroepsgronden aan, waaronder verwijzingen naar Europese arresten en de Staatscourant, maar deze werden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. De rechtbank concludeerde dat het COa conform het Maatregelenbeleid heeft gehandeld en dat de opgelegde maatregel niet disproportioneel was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E.A. Braeken op 10 maart 2026.