ECLI:NL:RBDHA:2026:712
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij beëindiging Ziektewet-uitkering
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV van 16 oktober 2025 om haar Ziektewet-uitkering per 12 mei 2025 te beëindigen wegens herstel.
Zij stelt dat zij sinds die datum geen inkomen heeft en daardoor in acute financiële nood verkeert, met onbetaalde vaste lasten en levensonderhoud. Verzoekster heeft bankafschriften overlegd waaruit blijkt dat haar maandelijkse vaste lasten € 1.907,72 bedragen, waarvan zij verantwoordelijk is voor € 953,86. Zij heeft geen bijstand aangevraagd vanwege mede-eigendom van een woning.
Het UWV betwist dat er sprake is van onverwijlde spoed en wijst erop dat verzoekster geen bijstand heeft aangevraagd en onvoldoende onderbouwing heeft geleverd van een acute noodsituatie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat sprake is van een spoedeisend belang, mede omdat zij niet heeft aangegeven wat het gezamenlijke gezinsinkomen is en onvoldoende bewijs heeft geleverd van een acute financiële noodsituatie.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.