ECLI:NL:RBDHA:2026:712

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
SGR 25/5840
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij beëindiging Ziektewet-uitkering

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV van 16 oktober 2025 om haar Ziektewet-uitkering per 12 mei 2025 te beëindigen wegens herstel.

Zij stelt dat zij sinds die datum geen inkomen heeft en daardoor in acute financiële nood verkeert, met onbetaalde vaste lasten en levensonderhoud. Verzoekster heeft bankafschriften overlegd waaruit blijkt dat haar maandelijkse vaste lasten € 1.907,72 bedragen, waarvan zij verantwoordelijk is voor € 953,86. Zij heeft geen bijstand aangevraagd vanwege mede-eigendom van een woning.

Het UWV betwist dat er sprake is van onverwijlde spoed en wijst erop dat verzoekster geen bijstand heeft aangevraagd en onvoldoende onderbouwing heeft geleverd van een acute noodsituatie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat sprake is van een spoedeisend belang, mede omdat zij niet heeft aangegeven wat het gezamenlijke gezinsinkomen is en onvoldoende bewijs heeft geleverd van een acute financiële noodsituatie.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8540

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: S. Soner),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van 16 oktober 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2
Het Uwv heeft in het besluit van 16 oktober 2025 bepaald dat verzoekster per 12 mei 2025 geen Ziektewet-uitkering meer krijgt, omdat zij sinds die dag hersteld is. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoekster voert aan dat zij sinds de beëindiging van de uitkering over geen enkel inkomen beschikt. Het Uwv heeft telefonisch bevestigd dat de beslissing op bezwaar mogelijk pas na 26 februari 2026 zal worden genomen. Deze langdurige onzekerheid brengt haar in acute financiële nood. Huur, vaste lasten en levensonderhoud kunnen niet langer worden voldaan. Verzoekster heeft met bankafschriften aangetoond dat de maandelijkse vaste lasten van haar huishouden € 1.907,72 bedragen, waarvan zij verantwoordelijk is voor haar eigen aandeel van € 953,86 per maand. Verzoekster is niet meer in staat haar aandeel in de vaste lasten en de kosten van levensonderhoud te voldoen. Zij heeft geen bijstandsuitkering aangevraagd omdat zij voor 50% mede-eigenaar is van een woning en daardoor niet in aanmerking komt voor bijstand. Zonder voorlopige voorziening dreigen volgens verzoekster onomkeerbare gevolgen. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om het bestreden besluit te schorsen en de Ziektewet-uitkering voorlopig door te betalen totdat op het bezwaar is beslist.
4. Het Uwv is van mening dat er geen sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81 Awb Pro. In beginsel is namelijk slechts sprake van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen als zich een acute financiële noodsituatie voordoet die niet op andere wijze is op te heffen. Het Uwv merkt op dat uit het verzoekschrift blijkt dat eiseres nog geen bijstandsvoorziening bij de gemeente heeft aangevraagd. Ook heeft verzoekster haar stelling over een acute financiële noodsituatie volgens het Uwv onvoldoende onderbouwd met nadere stukken.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster bij haar aanvullend verzoekschrift een aantal afschriften van vaste lasten heeft bijgevoegd. Verder geeft zij aan dat zij samen met haar partner eigenaar is van een woning. Verzoekster geeft echter niet aan wat het gezamenlijke gezinsinkomen is en heeft in het geheel niet onderbouwd dat sprake is van een acute financiële noodsituatie.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.