ECLI:NL:RBDHA:2026:7120

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/6891
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling motiveringsgebrek bij weigering visum kort verblijf met behoud rechtsgevolgen

Eisers, van Pakistaanse nationaliteit en woonachtig in Koeweit, vroegen een visum voor kort verblijf aan met als doel toerisme. De minister weigerde dit visum omdat er twijfel bestond over hun tijdige terugkeer naar Koeweit, vanwege onvoldoende sociale en economische binding met dat land en onvoldoende onderbouwing van het reisdoel.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er twijfel bestaat over de binding met Koeweit, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek. Dit maakt het bestreden besluit ondeugdelijk.

Desondanks heeft de minister in het verweerschrift en ter zitting voldoende onderbouwd waarom de twijfel over tijdige terugkeer gerechtvaardigd is, met name vanwege de geringe sociale binding en het feit dat het gezin gezamenlijk reist. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het besluit in stand.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, maar draagt op dat de rechtsgevolgen blijven gelden. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eisers vergoed. Er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/6891

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , mede namens hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3], eisers
V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] en [V-nummer]
(gemachtigde: W. Tahir),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. R. van Bel).

Inleiding

1. Bij separate besluiten van 26 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eisers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
1.1.
Met het besluit van 25 februari 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de primaire besluiten gebleven en heeft de minister het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming besluit
2. Eisers zijn van Pakistaanse nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1977, [geboortedatum 2] 1982, [geboortedatum 3] 2013, [geboortedatum 4] 2017 en [geboortedatum 5] 2020. Sinds 18 september 2007 wonen eisers in Koeweit. Zij hebben op 15 augustus 2024 een visum voor kort verblijf aangevraagd met als reisdoel ‘toerisme’.
3. De minister heeft de visumaanvraag van eisers afgewezen, omdat de minister redelijke twijfel had of eisers Nederland tijdig zouden verlaten. Volgens de minister is namelijk onvoldoende gebleken dat eisers voldoende sociale en economische binding met Pakistan hebben om een tijdige terugkeer te waarborgen. Daarnaast heeft de minister nog tegengeworpen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf van eisers onvoldoende is aangetoond. De minister heeft hiertoe overwogen dat de hotelreservering van eisers op 31 augustus 2024 is geannuleerd. Verder hebben eisers volgens de minister ook niet aangetoond wat zij in Nederland willen gaan doen en zien. Dat het reisdoel van eisers toerisme is, is hiervoor onvoldoende. Daarbij komt dat eisers ook geen reisplan hebben ingediend. De enkele beknopte lijst met bezienswaardigheden is onvoldoende om als reisplan gezien te worden. Het reisdoel is daarom niet aangetoond.
Mocht de minister de visumaanvraag afwijzen?
Twijfel bij tijdige terugkeer
4. Eisers zijn van mening dat de minister ten onrechte twijfelt aan hun voornemen om tijdig terug te keren naar Kuweit. Eiser werkt al sinds 17 september 2007 voor [bedrijf] waarbij eiser circa € 4.175 euro per maand verdiend. Eiser werkt dus al 18 jaar voor [bedrijf] , wat hem een trouwe werknemer maakt. De kinderen van eiser gaan in Kuweit naar school. Verder is het niet de eerste keer voor eisers dat zij naar het buitenland reizen. Elke keer zijn eisers teruggekeerd naar hun land van herkomst. Eisers hebben verder een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan en naar enkele andere zaken verwezen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. De weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie bijvoorbeeld het arrest van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.) beschikt de minister over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van deze weigeringsgronden van toepassing is. De rechter kan het besluit van de minister hierover daarom slechts terughoudend toetsen.
6. Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten, toetst de minister de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het vestigingsgevaar toe- of afnemen.
7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in dit geval moet worden getoetst of eiseres sociale en economische binding hebben met Kuweit. Kuweit is niet hun land van herkomst, maar zij verblijven daar al geruime tijd. Het is dan ook aan eisers om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Kuweit dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er gezien de sociale of economische binding met Kuweit redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. In het bestreden besluit wordt enkel genoemd dat dit een reden is voor afwijzing, maar dit wordt op geen enkele wijze onderbouwd en er wordt ook niet ingegaan op de bezwaargronden van eisers op dit punt. In zoverre kleeft er dus aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal, gelet op de aanvullende motivering die in het verweerschrift en ter zitting is gegeven, beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen in stand te laten.
9. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers onvoldoende sociale binding hebben met Koeweit. Eisers reizen namelijk met elkaar naar Nederland, waardoor tijdige terugkeer niet is verzekerd. Verder is niet gebleken dat eisers zorgtaken uitvoeren aan (andere) familieleden, waarvoor de specifieke inzet van een van eisers is benodigd. Dat de drie kinderen in Koeweit naar school gaan, is onvoldoende om sociale binding aannemelijk te achten. De economische binding met Koeweit is aangetoond, wegens het inkomen van eiser.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de motivering gegeven in het verweerschrift en ter zitting voldoende heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eisers twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. De minister heeft met betrekking tot de sociale binding kunnen overwegen dat die zeer gering is. Eisers hebben geen familieleden in Kuweit. Verder mocht de minister meewegen dat eisers geen zorgtaken of andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen hebben waardoor zij tijdig naar Kuweit zouden moeten terugkeren. Omdat eisers als gezin samen willen reizen is de enige sociale binding die zij met Kuweit hebben dat de kinderen daar naar school gaan. Dat heeft de minister kunnen aanmerken als een zeer geringe sociale binding. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. Zoals de minister ter zitting heeft aangegeven is er geen sprake van gelijke gevallen, omdat in die zaak het gezin van de aanvrager achterbleef in het land van herkomst. Daarom was in die zaak wel sprake van voldoende sociale binding.
11. De rechtbank komt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven, omdat deze inhoudelijke motivering het besluit kan dragen.
Doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf
12. Nu iedere weigeringsgrond afzonderlijk voldoende is om een visum te weigeren en de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van de visa dus zelfstandig kan dragen, behoeft de andere weigeringsgrond (dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond) geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dat betekent dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt. Eisers hebben niet verzocht om een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;
- draagt de minister op om het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.