Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7124

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
09/219780-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 285 SrArt. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vernieling schuifpui met vrijspraak bedreiging en taakstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 19 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van vernieling van een schuifpui en bedreiging van zijn ex-partner. De verdachte bekende de vernieling van de schuifpui, maar werd vrijgesproken van de bedreiging wegens ontbreken van redelijke vrees bij het slachtoffer.

Tijdens de zittingen werd vastgesteld dat de vernieling plaatsvond op 23 juli 2025, waarbij de verdachte met een hamer de schuifpui sloeg terwijl de ex-partner en haar kinderen aanwezig waren. De rechtbank achtte dit wettig en overtuigend bewezen. De bedreiging werd niet bewezen verklaard omdat de uitlatingen in een context van wederzijdse dreiging stonden, waardoor geen objectieve vrees ontstond.

De rechtbank legde een taakstraf van 30 uur op, met een subsidiaire vervangende hechtenis van 15 dagen, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis in mindering werd gebracht. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor materiële en immateriële schade werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde feiten.

Daarnaast wees de rechtbank vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen af. De uitspraak is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 uur taakstraf voor vernieling schuifpui en vrijgesproken van bedreiging; vordering schadevergoeding benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/219780-25, 09/175969-24 (tul) en 09/182210-23 (tul).
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 oktober 2025, 15 januari 2026 (beide pro forma) en 5 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. de Vries en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.C. Jonge Vos naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een schuifpui en/of (slot van een) tuindeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
een ander, te weten aan [aangeefster] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2
hij in of omstreeks de periode 1 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen
-'ik breek elk bot in je lichaam' en/of
- 'ik trek al je kankertanden uit je kankerbek' en/of
-'ik rij zo m'n auto door je kankergevel heen en dan neem ik je hele kankergezin mee' en/of
-'anders kom ik naar jou toe en dan snij ik je kankerkeel door'
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, met partiële vrijspraak onder 1 ten aanzien van de vernieling van de tuindeur.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor feit 1 met een opgave van bewijsmiddelen volstaan, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025249317, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 56).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 5 maart 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 23 juli 2025 (p. 9-11).
3.4
Bewijsoverwegingen
Feit 1
De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van de vernieling van de tuindeur die aan [aangeefster] toebehoorde. Het dossier bevat slechts een foto van een kapotte tuindeur. Uit het dossier blijkt niet wanneer en door wie deze schade is veroorzaakt. Bovendien heeft de [aangeefster] ter terechtzitting verklaard dat de tuindeur al vóór het incident kapot was.
Ten aanzien van de vernieling van de schuifpui overweegt de rechtbank dat uit de aangifte van [aangeefster] en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat de verdachte de schuifpui heeft vernield. De rechtbank acht dit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Vrijspraak feit 2
Van een strafbare bedreiging in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is sprake als de uitlating van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geuit dat bij het slachtoffer naar objectieve maatstaven de redelijke vrees kan zijn ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
Op basis van de aangifte van [aangeefster] in onderlinge samenhang bezien met de door haar aangeleverde voicememo’s stelt de rechtbank vast dat de verdachte de hem ten laste gelegde uitlatingen binnen de ten laste gelegde periode heeft gedaan. Uit de inhoud van de door de verdediging overgelegde voicememo’s en berichten die [aangeefster] zelf naar de verdachte heeft gestuurd, blijkt echter dat partijen over en weer dreigende uitlatingen hebben gedaan. Zo zegt de aangeefster in één van haar voicememo’s aan ene ‘ [naam 1] ’ over de verdachte: ‘
“Maar mocht je hem spreken, zeg maar dat ik, ik, echt zijn kanker dood wordt. Oorlog met mij is niet zoals de oorlog met zijn exen, want ik ben ook de duivel. Geloof me, ook al moet ik er voor gaan zitten. Het boeit mij geen ene kanker.” En in een ander voicememo: “Maar het maakt mij niet uit, want die kop ga ik even verbouwen van hem. Geloof me. Anders ik niet, maar andere mensen wel. Want ik ben er klaar mee. De oorlog is begonnen tussen hem en mij.”
De rechtbank leidt uit deze berichten af dat de dreigende bewoordingen van de verdachte niet op zichzelf stonden, maar onderdeel uitmaakten van een langer lopend conflict tussen de verdachte en de aangeefster. Gelet op deze context en de inhoud van de voicememo’s van de aangeefster zelf kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat door de uitlatingen van de verdachte bij de aangeefster naar objectieve maatstaven de redelijke vrees is ontstaan dat de verdachte het misdrijf waarmee werd gedreigd daadwerkelijk zou uitvoeren. Daarmee ontbreekt een voor de bewezenverklaring van bedreiging vereist bestanddeel.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het tweede ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 23 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een schuifpui die geheel aan [aangeefster] toebehoorde heeft vernield.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr een contact- en locatieverbod voor de duur van twee jaren wordt opgelegd, waarbij per overtreding één week hechtenis zal worden opgelegd, met een maximum van zes maanden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van maximaal twee weken redelijk is, gezien de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel dient achterwege te blijven, aangezien dit niet noodzakelijk is.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de vernieling van de schuifpui van zijn ex-partner, terwijl zijzelf en haar kinderen aanwezig waren in de woning. De verdachte is de achtertuin van zijn ex-partner ingedrongen en heeft met een hamer tegen de schuifpui geslagen. Door zo te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van zijn ex-partner. De vernieling heeft bij de aangeefster en haar kinderen gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht, terwijl zij zich thuis bij uitstek veilig zouden moeten voelen. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 16 oktober 2025 waaruit volgt dat sprake is van een hoog recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. De reclassering heeft verder geadviseerd om vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van artikel 38v Sr op te leggen, te weten een contactverbod met [aangeefster] en een gebiedsverbod binnen een straal van 100 meter vanaf haar adres, en deze vrijheidsbeperkende maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportages van 17 december 2025 en 26 december 2025, opgesteld door respectievelijk [naam 2] , psychiater, en drs. [naam 3] , GZ-psycholoog. De psychiater heeft geconcludeerd dat sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Er is volgens hem geen sprake van doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis in het tenlastegelegde. Geadviseerd wordt de ten laste gelegde feiten dan ook volledig aan de verdachte toe te rekenen. De psycholoog heeft eveneens geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis die de gedragskeuzes van de verdachte niet hebben beïnvloed ten tijde van het tenlastegelegde. Zij concludeert ook dat het tenlastegelegde geheel aan de verdachte kan worden toegerekend.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd. De rechtbank komt, mede gelet op de vrijspraak voor het tweede ten laste gelegde feit, tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden. De tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht. Gelet op de vrijspraak van feit 2 (de bedreiging van [aangeefster] ) zal de rechtbank geen vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte opleggen.

7.De vordering van de benadeelde partij

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding. De rechtbank begrijpt deze vordering zo dat de benadeelde partij een bedrag vordert aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor het vervangen van de schuifpui en gederfde inkomsten. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om vergoeding van immateriële schade omdat zij haar baan is verloren, waarbij zij de rechtbank verzoekt gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid met betrekking tot de verzochte immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de kosten voor de vernieling van de schuifpui en de gestelde inkomstenderving. Volgens de officier van justitie zijn deze posten onvoldoende onderbouwd en zou het geven van gelegenheid aan de aangeefster tot een nadere onderbouwing daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De officier van justitie acht de gevorderde immateriële schade toewijsbaar tot een bedrag van € 250,-.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal dient te worden afgewezen, dan wel niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en tevens sprake is van onvoldoende rechtstreeks verband tussen de bedreiging en de door de benadeelde partij gestelde schade, te weten verlies van haar baan.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de vervangingskosten van de schuifpui, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van gederfde inkomsten omdat zij haar baan zou zijn verloren als gevolg van het conflict met de verdachte. De verdachte is ter zake van bedreiging van de benadeelde partij vrijgesproken. De rechtbank stelt vast dat de vernieling van de schuifpui in een te ver verwijderd verband staat tot het verliezen van de baan van de benadeelde partij om van rechtstreekse schade te kunnen spreken. Ook deze post wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Immateriële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop dat gedeelte van de vordering betrekking heeft (de bedreiging van [aangeefster] ) zal worden vrijgesproken.
Proceskostenveroordeling benadeelde partij
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De vorderingen tot tenuitvoerlegging

8.1
De vorderingen van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank ter zitting verzocht de eerder ingediende vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verdachte reeds geruime tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (164 dagen) voor onderhavige tenlastegelegde feiten, mede in verband met het verrichten van de persoonlijkheidsonderzoeken.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft eveneens verzocht de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Hierbij heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Ook is aangevoerd dat één van de vorderingen reeds is toegewezen in een andere strafzaak, tegen welk vonnis hoger beroep is ingesteld.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op hetgeen de officier van justitie en de verdediging hierover hebben aangevoerd, zal de rechtbank beide vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
30 (DERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
15 (VIJFTIEN) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
De vordering van de benadeelde partij
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij het materiële deel van de vordering, voor zover dit ziet op vervangingskosten van de schuifpui, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
De vorderingen tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 23 januari 2024, gewezen onder parketnummer 09/182210-23;
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 25 september 2024, gewezen onder parketnummer 09/175969-24.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Herfkens, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. V.K.M. Hanssen en S.F. Schippers, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2026.