Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
24/6657
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:20 AwbArt. 2.17 AwbArt. 3:2 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering omgevingsvergunning afdak wegens onvoldoende zorgvuldigheid en motivering

Eiseres vroeg een omgevingsvergunning aan voor het bouwen van een afdak op de tweede verdieping van haar woning. Het college weigerde deze vergunning en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank oordeelt dat het college het primaire besluit te vroeg heeft genomen, terwijl eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij toestemming gaf voor verlenging van de beslistermijn. Hierdoor is haar de mogelijkheid ontnomen om ontbrekende stukken aan te leveren. Tevens is het besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat het college niet duidelijk heeft gemaakt waarom het bouwplan niet aannemelijk voldoet aan het Bouwbesluit 2012 en waarom geen inhoudelijke welstandsbeoordeling heeft plaatsgevonden.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt het college een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6657

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.M. van der Zwan),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. R.D. Fehrmann).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een afdak op de tweede verdieping van een woning. Eiseres is het niet eens met de weigering en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 16 oktober 2023 heeft het college de aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning voor het maken van een afdak op de tweede verdieping van haar woning afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 27 mei 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door [naam] , en de gemachtigde van het college.

Inhoud van het bestreden besluit

3. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de aanvraag moest worden geweigerd, omdat op basis van de door eiseres overgelegde informatie niet aannemelijk is geworden dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012 en niet beoordeeld kon worden of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de omgevingsvergunning is aangevraagd op 15 mei 2023, blijft in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing. [1]
Mocht het college het primaire besluit al nemen op 16 oktober 2023?
5. Vaststaat dat het college eiseres op 7 juni 2023 in de gelegenheid heeft gesteld haar aanvraag aan te vullen. Bij brief van 6 juli 2023 heeft het college de beslistermijn met vier weken verlengd en eiseres de gelegenheid geboden de ontbrekende gegevens uiterlijk op 2 augustus 2023 aan te leveren. Voor een overzicht van de nog ontbrekende gegevens heeft het college verwezen naar een bijlage bij de brief van 6 juli 2023. Bij brief van 29 augustus 2023 heeft het college de beslistermijn andermaal verlengd en eiseres opnieuw de gelegenheid geboden haar aanvraag aan te vullen met nader aangeduide gegevens. Op 10 oktober 2023 heeft een ambtenaar in dienst van de gemeente eiseres per e-mail laten weten dat nog steeds stukken ontbreken. In de e-mail wordt voorgesteld de beslistermijn met zes weken te verlengen om een weigering van de aanvraag te voorkomen. Bij e-mail van 12 oktober 2023 heeft dezelfde ambtenaar eiseres herinnerd aan de e-mail van 10 oktober 2023 en eiseres verzocht om diezelfde dag te reageren, omdat de aanvraag anders moet worden afgewezen. Vervolgens heeft het college op 16 oktober 2023 het primaire besluit genomen.
6. Eiseres betoogt dat zij per e-mail heeft gereageerd op de e-mail van de gemeenteambtenaar van 12 oktober 2023 en dat zij heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn. Zij vindt daarom dat het college ten onrechte op 16 oktober 2023 op de aanvraag heeft beslist en haar daarmee ten onrechte geen mogelijkheid meer heeft geboden om de gevraagde stukken over te leggen.
7. Het college stelt zich op het standpunt dat de e-mail van eiseres niet is ontvangen en dat de aanvraag daarom terecht op 16 oktober 2023 is afgewezen.
7.1.
Ten tijde van het bestreden besluit gold ingevolge artikel 2.17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt. Sinds 1 januari 2026 is dit uitgangspunt vastgelegd in artikel 2:20 van Pro de Awb. Dit artikel heeft onmiddellijke werking. Uit de rechtspraak die is gevormd over artikel 2.17, tweede lid, van de Awb volgt dat de aan de elektronische wijze van verzending verbonden risico’s voor rekening van de verzender dienen te komen. [2] Dit brengt mee dat, als het bestuursorgaan stelt dat het bericht niet is ontvangen, het op de weg van de verzender ligt de verzending aannemelijk te maken. Indien de verzender de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van het bestuursorgaan het vermoeden dat het bericht de geadresseerde heeft bereikt, te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat het bestuursorgaan aannemelijk maakt dat het bericht niet is ontvangen. Voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze rechtspraak na de inwerkingtreding van artikel 2:20 van Pro de Awb niet langer van belang is.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 12 oktober 2023 een e-mail heeft verstuurd aan de gemeente, waarin zij toestemming heeft gegeven om de beslistermijn te verlengen. De rechtbank stelt vast dat eiseres deze e-mail heeft verzonden naar het juiste e-mailadres van de behandelend ambtenaar. Ter zitting heeft eiseres toegelicht en genoegzaam aangetoond dat de e-mail op 12 oktober 2023 om 09:43 is ontvangen door haar partner, naar wie de e-mail eveneens (in cc) was verzonden. Zij heeft hiertoe op de telefoon van haar partner getoond dat de e-mail door hem is ontvangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het op de weg van het college lag om het vermoeden te ontzenuwen dat de e-mail ook door de behandelend ambtenaar is ontvangen. Daarin is het college niet geslaagd. Het college heeft in dit verband niet mogen volstaan met de enkele ontkenning dat de e-mail is ontvangen en dat voor zover bekend destijds geen sprake was van een storing in het netwerk of het gemeentelijke e-mailsysteem. Deze enkele stelling is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te betwijfelen dat het bericht de behandelend ambtenaar heeft bereikt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eerder e-mailcontact tussen eiseres en de betrokken ambtenaar zonder problemen is verlopen.
7.3.
Het voorgaande betekent dat het college ten onrechte het primaire besluit reeds op 16 oktober 2023 heeft genomen. Door de beslistermijn niet te verlengen, is eiseres de mogelijkheid ontnomen om de door het college gewenste stukken toe te sturen. Het betoog slaagt.
Is het bouwplan in strijd met het Bouwbesluit 2012?
8. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012.
8.1.
Volgens vaste rechtspraak is de toets aan het Bouwbesluit 2012 die het college moet uitvoeren, een aannemelijkheidstoets. Het college komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. De rechtbank moet beoordelen of het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat het bouwplan voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012.
8.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om eiseres te volgen in haar betoog dat het college bij de toets aan het Bouwbesluit is uitgegaan van verouderde tekeningen en berekeningen. Het college heeft toegelicht dat bij de beoordeling van het bouwplan – anders dan eiseres stelt – rekening is gehouden met de technische tekening van 12 september 2023 en de constructieberekening van 14 september 2023. Niet in geschil is dat dit de meest recente tekening en berekening zijn die eiser aan het college heeft toegestuurd.
Eiseres betoogt echter terecht dat uit het bestreden besluit niet blijkt waarom met deze tekening en berekening niet aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012. In het bestreden besluit wordt dit standpunt van het college niet nader toegelicht. Het bestreden besluit is in zoverre niet draagkrachtig gemotiveerd.
Is het bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand?
9. Eiseres voert aan dat het welstandsadvies onvoldoende is gemotiveerd en dat het bouwplan wel voldoet aan redelijke eisen van welstand.
10. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de welstands- en monumentencommissie geen oordeel over het bouwplan heeft kunnen geven, omdat de overgelegde geveltekeningen onvoldoende duidelijk waren.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom het niet heeft kunnen beoordelen of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat zij niet weet welke tekeningen zij nog moet aanleveren. Zij ging ervan uit dat het college over de juiste tekeningen beschikte. De rechtbank stelt vast dat het college eiseres bij de brief van 6 juli 2023 om aanvullende gegevens heeft gevraagd. Uit de bijlage bij deze brief blijkt dat eiseres onder meer is gevraagd om geveltekeningen van de bestaande en nieuwe situatie toe te sturen, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past en waarop de toegepaste materialen en daarbij behorende materiaalafwerking en kleuren zijn aangegeven. In de brief van 29 augustus 2023 heeft het college eiseres meegedeeld dat het bouwplan is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving en niet akkoord is bevonden, omdat niet aannemelijk is geworden dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Daarbij is nader toegelicht op welke punten het bouwplan volgens het college nog niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012 en wordt eiseres erop gewezen dat haar aanvraag thans zou moeten worden geweigerd wegens strijd met het Bouwbesluit 2012. Met deze brief is eiseres in de gelegenheid gesteld om het bouwplan aan te passen, zodat dit nogmaals kan worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit die brief niet worden afgeleid dat ook met betrekking tot de welstandsbeoordeling nog stukken moesten worden aangeleverd. Gelet hierop heeft het college niet inzichtelijk gemaakt waarom geen inhoudelijke welstandsbeoordeling heeft plaatsgevonden. Ook in zoverre is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het niet op een draagkrachtige motivering. Het betoog slaagt.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond, nu het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien en acht het toepassen van een bestuurlijke lus in deze zaak niet doelmatig. Dat betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak.
12. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en eiseres ter zitting heeft bijgestaan (2 punten met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het college een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt het college op het griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2015:871.