ECLI:NL:RBDHA:2026:713

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
SGR 25/8657
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en ontbreken spoedeisend belang

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 14 januari 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het UWV van 15 juli 2024, waarin de Ziektewet-uitkering van verzoeker werd beëindigd na 104 weken ziekteverzuim.

Verzoeker had geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit en er was geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure, waardoor niet werd voldaan aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:83 Awb Pro. Daarnaast ontbrak het aan een spoedeisend belang, omdat verzoeker sinds 30 april 2025 weer een Ziektewet-uitkering ontvangt en geen acute financiële noodsituatie aannemelijk had gemaakt, ondanks verzoeken van de rechtbank om nadere onderbouwing.

De voorzieningenrechter concludeerde daarom dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was en wees het af zonder zitting. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8657

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 15 juli 2024. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Het Uwv heeft in het besluit van 15 juli 2024 bepaald dat verzoeker vanaf 10 augustus 2024 geen Ziektewet-uitkering meer krijgt, omdat het recht op deze uitkering na 104 weken ziekteverzuim eindigt. Verzoeker heeft geen bezwaar tegen deze beslissing gemaakt.
3. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Alleen als er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt kan een verzoek om voorlopige voorziening worden behandeld. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker tegen het besluit van 15 juli 2024 bezwaar heeft gemaakt en dat tegen dat besluit (nog) een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Er is daarom geen sprake van de vereiste connexiteit. [1] Alleen al daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
5.1
Daarbij komt nog het volgende. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk het bedrag waarover het geschil gaat, later alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
5.2
Voor zover in deze zaak wel sprake zou zijn van een aan een lopend bewaar of beroep (en wel tegen het WIA-besluit van 26 september 2024 dat inmiddels door het Uwv is genomen en waartegen verzoeker in bezwaar is gegaan, maar dat hij niet als grondslag voor zijn verzoek om voorlopige voorziening heeft genoemd), overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende over het spoedeisend belang. Verzoeker ontvangt sinds 30 april 2025 weer een Ziektewet-uitkering, zodat hij niet geheel zonder inkomsten zit. Dat die Ziektewet-uitkering vanaf 1 augustus 2025 is verlaagd naar 70% van het dagloon vanwege een beëindiging van het dienstverband, maakt dit niet anders. Verder heeft verzoeker naar eigen zeggen torenhoge kosten, maar hij heeft in het geheel niet onderbouwd wat die kosten zijn en wat zijn inkomen is, ook niet nadat de rechtbank hem daarom per brief van 10 december 2025 uitdrukkelijk heeft gevraagd. Daarom is de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake zou zijn van een acute financiële noodsituatie. Ook om die reden kan het verzoek om voorlopige voorziening dus niet slagen.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van connexiteit. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.