ECLI:NL:RBDHA:2026:713
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en ontbreken spoedeisend belang
De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 14 januari 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het UWV van 15 juli 2024, waarin de Ziektewet-uitkering van verzoeker werd beëindigd na 104 weken ziekteverzuim.
Verzoeker had geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit en er was geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure, waardoor niet werd voldaan aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:83 Awb Pro. Daarnaast ontbrak het aan een spoedeisend belang, omdat verzoeker sinds 30 april 2025 weer een Ziektewet-uitkering ontvangt en geen acute financiële noodsituatie aannemelijk had gemaakt, ondanks verzoeken van de rechtbank om nadere onderbouwing.
De voorzieningenrechter concludeerde daarom dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was en wees het af zonder zitting. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en ontbreken van spoedeisend belang.