Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7159

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
09-234821-25, 10-030491-25 (ttz.gev.), 21-001552-20 (tul) en 22-003307-22 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38v SrArt. 38w Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging, belaging en poging tot dwang ex-partners met oplegging tbs met voorwaarden

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten jegens twee ex-partners, waaronder bedreiging, belaging en poging tot dwang. De feiten vonden plaats tussen december 2024 en september 2025, waarbij verdachte onder meer dreigende berichten stuurde, herhaaldelijk contact zocht ondanks het verbod, en probeerde een ex-partner te dwingen haar nieuwe vriend uit huis te zetten.

De rechtbank sprak verdachte vrij van enkele tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs, maar achtte bewezen dat hij zijn ex-partners bedreigde met misdrijven tegen het leven en zware mishandeling, en stelselmatig inbreuk maakte op de persoonlijke levenssfeer van een ex-partner. De rechtbank nam de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en de psychiatrische rapportages mee in haar oordeel.

Op basis van de psychische problematiek en het risico op recidive legde de rechtbank tbs met voorwaarden op, met een contact- en locatieverbod ter bescherming van het slachtoffer. Daarnaast werd een gevangenisstraf van 223 dagen opgelegd, gelijk aan de duur van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van het geestelijk letsel.

Verder werden vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen toegewezen. De rechtbank bepaalde dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn en hief de voorlopige hechtenis op.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 223 dagen gevangenisstraf en tbs met voorwaarden met contact- en locatieverbod.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/238421-25, 10/030491-25 (ttz.gev.), 21/001552-20 (tul) en 22/003307-22 (tul)
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1996 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 16 december 2025 (pro forma) en 16 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Offers en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.H.J. van Dooijeweert naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort samengevat, ten laste gelegd:
de bedreiging van [aangever 1] in de periode van 22 december 2024 tot en met 28 januari 2025;
de belaging van [aangever 1] in de periode van 17 december 2024 tot en met 28 januari 2025 (dagvaarding I);
en dat hij zich in de periode van 4 tot en met 9 september 2025 schuldig heeft gemaakt aan:
de bedreiging van [aangever 2] en/of [aangever 3] ;
het dwingen van [aangever 3] , subsidiair de poging daartoe;
het dwingen van [aangever 4] , subsidiair de poging daartoe (dagvaarding II).
De tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de feiten 2 primair en 3 primair op dagvaarding II moet worden vrijgesproken en dat hij voor de feiten op dagvaarding I en voor feiten 1, 2 subsidiair en 3 subsidiair op dagvaarding II kan worden veroordeeld.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft:
  • partiële vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde bepleit;
  • zich met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank;
  • vrijspraak van het bij dagvaarding II tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van feiten 2 primair en 3 primair op dagvaarding II:
Net als de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de voltooide dwang niet bewezen. Immers, de acties van de verdachte hebben niet daadwerkelijk geleid tot zijn doel, te weten het laten verlaten van de woning door [aangever 2] dan wel een boodschap door te geven aan [aangever 3] door [aangever 4] . Daarom spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde onder 2 en 3 op dagvaarding II.
Bewezenverklaring van feiten 1 en 2 op dagvaarding I en feiten 1, 2 subsidiair en 3 subsidiair op dagvaarding II:
De rechtbank heeft als bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft op grond van de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – de overtuiging gekregen dat de verdachte deze ten laste gelegde feiten heeft begaan.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van dagvaarding I:
Feit 1, bedreiging van [aangever 1] :
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van dit feit. Daartoe is aangevoerd dat een deel van de bewoordingen niet een bedreiging met de dood of zware mishandeling oplevert. Zo zou de tekst “Ey, maar niet huilen als er vanavond steen door je ruit vliegt ofzo” als een bedreiging met vernieling moeten worden opgevat.
De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Volgens vaste jurisprudentie bekijkt de rechtbank de aard en inhoud van de bedreigingen in de context waarin deze zijn geuit en betrekt daarbij ook de omstandigheden waaronder deze zijn geuit. Het is niet noodzakelijk dat elk bericht afzonderlijk als kennelijk bedreigend moet kunnen worden aangemerkt. De ten laste gelegde bedreigingen dienen in samenhang en onderling verband te worden bezien tegen de achtergrond van de context waarin en de omstandigheden waaronder deze zijn geuit.
De verdachte heeft bekend dat hij de (spraak)berichten heeft gestuurd en dat deze bedreigend bedoeld waren. Van de in de tenlastelegging opgenomen bedreigingen is een aantal wel een letterlijke bedreiging met de dood of zware mishandeling (bijvoorbeeld: “Want geloof me, ik breek dan allebei jullie nek”). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bedreiging met de dood of zware mishandeling.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken ten aanzien van het ten laste gelegde onderdeel: “ik zou nu onder gaan duiken”, omdat dit onderdeel van de tenlastelegging niet uit de bewijsmiddelen blijkt.
Feit 2, belaging van [aangever 1] :
Vooropgesteld moet worden dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [aangever 1] – nadat zij de relatie met de verdachte kort daarvoor had verbroken en had aangegeven geen contact meer met hem te willen – op 17 december 2024 middels een overboeking heeft laten weten dat de verdachte moest stoppen contact met haar te zoeken en dat zij hem zou blokkeren.
Verder leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat het opzet van de verdachte erop gericht is geweest om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1] . De verdachte had immers vanaf 17 december 2024 steeds de bedoeling om contact met haar op te nemen en haar te spreken, terwijl [aangever 1] duidelijk te kennen had gegeven geen contact met hem te willen. De verdachte is meermalen naar haar woning gegaan, heeft geld naar haar overgemaakt, heeft haar veelvuldig gebeld en heeft (dreigende) (spraak)berichten naar haar gestuurd. De rechtbank leidt uit deze handelingen van de verdachte af dat hij [aangever 1] geen keuze heeft gelaten in het al dan niet aanvaarden van (eenzijdig) contact vanuit hem. Uit de verklaring van de verdachte op de terechtzitting blijkt ook dat hij vond dat hij recht had op een antwoord van [aangever 1] . Hij vond dat [aangever 1] geen keuze had om (even) geen contact te hebben. Door zijn handelen heeft de verdachte opzettelijk inbreuk werd gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1] . Uit de slachtofferverklaring van [aangever 1] volgt dat de impact van het handelen van de verdachte op het persoonlijke leven van [aangever 1] groot was. Naast fysieke klachten, zoals hoofdpijn en vermoeidheid, was en is zij bang om naar buiten te gaan en hem tegen te komen.
Gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dit stelselmatig heeft gedaan. Daarbij had hij het oogmerk om haar te dwingen iets te dulden, te doen, namelijk dat zij contact met hem zou opnemen, en vrees aan te jagen.
De rechtbank concludeert dat kan worden bewezen dat de verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1] in de periode van 17 december 2024 tot en met 23 januari 2025.
Ten aanzien van dagvaarding II:
Feit 1, bedreiging van [aangever 2] :
De verdediging heeft bepleit dat niet vastgesteld kan worden op welk moment en onder welke omstandigheden de verdachte heeft gezegd “dat hij een kogel door z’n kop zal jagen” tegen [aangever 3] .
Aan de hand van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 4 september 2025 heeft [aangever 3] aan de verdachte laten weten hun relatie te willen beëindigen. Op 8 september 2025 is de verdachte in Haastrecht aangehouden. Op die dag heeft [aangever 3] aangifte gedaan. Uit de aangifte van [aangever 3] blijkt dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat “hij een kogel door z’n kop zal jagen” nadat [aangever 3] de relatie met de verdachte had verbroken en weer samen was met haar ex, [aangever 2] .
Op 9 september 2025 wordt de verdachte door de politie geconfronteerd met het feit dat [aangever 3] heeft gezegd dat de verdachte had gezegd dat hij een kogel door [aangever 2] 's kop kon jagen. Op de vraag waarom de verdachte dat zei, antwoordt hij dat hij dat uit zijn gevoel heeft gezegd. Ook op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij dit tegen [aangever 3] heeft gezegd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [aangever 2] op de hoogte is geraakt van deze bedreiging, zoals ook te verwachten viel.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de periode van 4 tot en met 8 september 2025 tegen [aangever 3] heeft gezegd dat “hij een kogel door z’n kop zal jagen”.
Verder heeft de verdediging bepleit dat de aanvullende verklaring van [aangever 2] niet geloofwaardig is en dat het erop lijkt dat hij enkel heeft willen bevestigen wat de politie hem vroeg.
De rechtbank verwerpt dit verweer. [aangever 2] heeft eerst op 9 september 2025 aangifte gedaan van bedreiging tegen de verdachte. Op 16 oktober 2025 heeft de politie gevraagd of bij [aangever 2] bekend was dat de verdachte tegen [aangever 3] heeft gezegd dat "hij een kogel door z'n kop zal jagen". Daarop heeft [aangever 2] bevestigend geantwoord: hij had dit via zijn vriendin gehoord. De rechtbank ziet geen aanwijzingen die maken dat die verklaring onbetrouwbaar zou zijn.
De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte in de periode van 4 tot en met 8 september 2025 [aangever 2] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.
Feit 1, bedreiging van [aangever 3] :
De verdediging heeft ten aanzien van het onderdeel "Je kan nu negeren. maar ik weet waar je zit en bent je kan geen kant op dus wil nu de waarheid weten anders zeg ik je nu eerlijke gaan er gewonden vallen dat is niet" bepleit dat dit bericht over [aangever 2] ging. Bij de politie heeft de verdachte namelijk verklaard dat hij [aangever 2] zou slaan als hij (de verdachte) bij de woning zou komen en [aangever 2] daar zou aantreffen. Nu volgens de verdediging niet vaststaat dat [aangever 2] op de hoogte is van die bedreiging, kan geen veroordeling volgen.
De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. De verdachte heeft op 7 september 2025
naar [aangever 3]een Whatsapp voornoemd bericht gestuurd. Hij waarschuwt haar vervolgens dat hij weet waar zij zit en dat zij geen kant op kan. Door de onmiskenbare bedreigingen te uiten dat ‘er anders gewonden gaan vallen’, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever 3] , de ontvanger van dat bericht, dit als een bedreiging zou kunnen opvatten.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte in de periode van 4 september 2025 tot en met 8 september 2025 [aangever 3] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling.
Feiten 2 en 3, poging tot dwang van [aangever 3] en [aangever 4] :
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de bij dagvaarding II onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten bepleit dat de berichten niet van dien aard waren dat zij [aangever 3] en [aangever 4] hadden kunnen dwingen iets te doen.
Van dwang als bedoeld in artikel 284 lid 1 sub Pro 1 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien iemand wederrechtelijk in zijn vrijheid van handelen wordt beperkt doordat ten aanzien van hem – voor zover hier relevant – door bedreiging met geweld dwang wordt uitgeoefend.
De verdachte heeft op 7 september 2025 midden in de nacht een spraakbericht naar [aangever 3] gestuurd waarin te horen is: ‘of jij zorgt nu dat die weg gaat of ik zorg nu dat een neger en een mocro nu naar die huis toegaat, want ik ben in nu in Haastrecht, en die naar binnengaat en de hele boel kort en klein slaat’. Diezelfde dag heeft de verdachte ook naar [aangever 4] midden in de nacht een spraakbericht gestuurd, waarin te horen is: ‘ga haar maar zeggen dat ze nu een uur de tijd heeft hem uit die osso te knikkeren. Want dan gaan er nare dingen gebeuren. Want dan ben ik niet meer een normaal iemand. Want ik blijf vandaag in Haastrecht’. Op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij zelf de politie had gebeld en heeft gezegd dat hij tot 8 september 2025 om 16.00 uur in Haastrecht zou blijven.
De rechtbank stelt op grond van het dossier verder vast dat de verdachte voor zijn vertrek uit Haastrecht op 8 september 2025 om 16.00 uur zijn spullen uit de woning van [aangever 3] wilde hebben, waarbij [aangever 2] bij het halen van zijn spullen niet in de woning zou zijn. Door bedreiging van geweld (“de hele boel kort en klein slaan”) probeerde hij [aangever 3] te dwingen om [aangever 2] de woning te laten verlaten (“jij zorgt nu dat die weggaat”). Ook via [aangever 4] heeft de verdachte geprobeerd dit te bewerkstelligen. [aangever 4] moest dat bericht aan [aangever 3] doorgeven (“ga haar maar zeggen”), anders zouden er “nare dingen gebeuren”.
De uitingen van de verdachte in deze berichten zijn – gelet op de bewoordingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan – dermate dwingend van aard dat van strafrechtelijke dwang als bedoeld in artikel 284 lid 1 sub Pro 1 van het Wetboek van Strafrecht kan worden gesproken. Nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat [aangever 2] het huis heeft verlaten of dat [aangever 4] het bericht heeft doorgegeven, is er sprake van een poging tot dwang.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I:
1
hij in de periode van 22 december 2024 tot en met 24 januari 2025 te Rotterdam [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [aangever 1] geluiden en een foto van een taser te sturen via Whatsapp en die [aangever 1] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen (via Whatsapp):
- “ik ga jouw kankerleven kapot maken”,
- “Ey, maar niet huilen als er vanavond steen door je ruit vliegt ofzo”,
- “Luister dan lieve schat wacht maar op de tweede die er aan gaat komen. Jij gaat nog lang niet lachen want er gaat er meerdere vallen vanavond. Niet eentje of twee want ik heb er zat liggen”,
- “Geloof me je gaat het niet na kunnen vertellen. Dan moet je ook niet huilen als het dan een keer raak is, snap je. Dat het opeens wel te laat is. Of dat er iemand wel wat doet, snap je ik waarschuw je alvast”,
- “Er zijn al andere mensen die ik duizend euro heb gegeven. Geloof me ze zijn al ready om je aan te pakken. 24/7 ben ik nu gefocust op jou. Jij wil deze kankeracties flikken? De consequentie wat er gaat gebeuren. En gebeurt er daar wat dan is het jouw kankerprobleem. Ja doe je aangifte dan heb ik één telefoontje nodig naar die mensen waar ik naar toe moet bellen. Je kan geen kanker kant meer op. Dus beter dat je dit met mij gaat uitpraten en eerlijk gaat zijn en rond de tafel. Want anders ga je het niet halen.”,
- “Het gaat uit de hand lopen want je hebt een hele verkeerde aan mij omdat jij deze conclusie hebt getrokken. We gaan zien met alle consequenties van dien ik ga met liefde vast zitten.”,
- “Ik heb dan echt schijt aan politie en kom dan dwars door je huis naar binnen” en
- “Want geloof me, ik breek dan allebei jullie nek. Dan gaan we echt bonje krijgen het boeit me niet als ik vast kom te zitten”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2
hij in de periode van 17 december 2024 tot en met 23 januari 2025 te Rotterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 1] , door
- veelvuldig te bellen naar die [aangever 1] ,
- veelvuldig (spraak)berichten te sturen naar die [aangever 1] ,
- meermalen naar de straat en de woning van die [aangever 1] te gaan en
- geld over te maken naar de bankrekening van die [aangever 1] ,
met het oogmerk die [aangever 1] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
Ten aanzien van dagvaarding II:
1
hij in de periode van 4 september 2025 tot en met 8 september 2025 te Haastrecht [aangever 2] en [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, door die [aangever 2] en [aangever 3] (middels een spraakbericht) dreigend de woorden toe te voegen:
- “dat hij een kogel door z'n kop zal jagen” en
- “Je kan nu negeren. maar ik weet waar je zit en bent je kan geen kant op dus wil nu de waarheid weten anders zeg ik je nu eerlijke gaan er gewonden vallen dat is niet”;
2
hij op 7 september 2025 te Haastrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [aangever 3] , door bedreiging met geweld gericht tegen een derde, te weten [aangever 2] , wederrechtelijk te dwingen iets te doen (namelijk het laten verlaten van de woning door die [aangever 2] ), naar genoemde [aangever 3] een spraakbericht heeft gestuurd met de volgende inhoud:
- “of jij zorgt nu dat die weg gaat of ik zorg nu dat een neger en een mocro nu naar die huis toegaat, want ik ben in nu in Haastrecht, en die naar binnengaat en de hele boel kort en klein slaat”,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op 7 september 2025 te Haastrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [aangever 4] , door bedreiging met geweld gericht tegen derden, te weten [aangever 2] en [aangever 3] , wederrechtelijk te dwingen iets te doen (namelijk het doorgeven van een boodschap aan die [aangever 3] ), naar genoemde [aangever 4] een spraakbericht heeft gestuurd met de volgende inhoud:
- “ga haar maar zeggen dat ze nu een uur de tijd heeft hem uit die osso te knikkeren. Want dan gaan er nare dingen gebeuren. Want dan ben ik niet meer een normaal iemand. Want ik blijf vandaag in Haastrecht”,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en dat aan de verdachte de gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd (hierna: dwangverpleging) wordt opgelegd. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd met het oog op begeleiding van de verdachte na afloop van de gemaximeerde tbs met dwangverpleging. Tot slot heeft zij gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van 38v Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaren, in de vorm van een contactverbod met [aangever 1] , geboren [geboortedatum 2] 1994, en een locatieverbod voor het gebied met een straal van 1 kilometer rondom het woonadres van [aangever 1] aan de [adres 2] . Zij heeft gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat bij overtreding van deze maatregel telkens twee weken vervangende hechtenis wordt toegepast met een maximum van zes maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het ondergane voorarrest en waarbij aan de voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld.
Subsidiair wordt verzocht om aan de verdachte gemaximeerde tbs met voorwaarden op te leggen. De verdediging heeft ten aanzien van die voorwaarden verzocht om op te leggen:
  • een ambulante behandeling (in plaats van klinische opname);
  • middelencontrole (in plaats van drugsverbod).
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten begaan tegen twee ex-partners.
Hij heeft gedurende een maand zijn ex-partner [aangever 1] , tevens de moeder van zijn kinderen, bedreigd en belaagd nadat zij de relatie had beëindigd. Vrijwel dagelijks ontving [aangever 1] dreigende (spraak)berichten van de verdachte. Ook stuurde hij een foto van een taser en het geluid van een taser. Hij heeft in die periode 41 keer gebeld en 317 berichten naar haar gestuurd, terwijl het voor hem duidelijk moet zijn geweest dat zij geen contact met hem wilde hebben. Ook is hij meermalen naar haar woning gegaan en heeft hij bij haar aangebeld. Uit de slachtofferverklaring van [aangever 1] die op de terechtzitting is voorgelezen blijkt dat het handelen van de verdachte nog steeds een enorme impact op haar heeft. Zij heeft nog elke dag last van hoofdpijn, vermoeidheid en angst.
Nadat de voorlopige hechtenis in die zaak was geschorst, heeft de verdachte een korte relatie gekregen met [aangever 3] . Toen [aangever 3] deze relatie heeft beëindigd, heeft de verdachte haar en haar nieuwe vriend bedreigd. Ook heeft hij een poging gedaan om [aangever 3] te dwingen haar nieuwe partner uit haar huis te zetten. Daartoe heeft hij ook gepoogd [aangever 4] te dwingen een bericht door te geven aan [aangever 3] dat zij haar nieuwe vriend uit huis moest “knikkeren”.
Hieruit blijkt geen enkel respect voor de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van anderen. De verdachte heeft met zijn handelen laten zien dat hij zich niet laat tegenhouden als hij zijn zin niet krijgt. Daarbij zijn de bewezenverklaarde feiten gepleegd terwijl hij in proeftijden en (deels) gedurende een schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Hij was dus een gewaarschuwd man. Eén van deze proeftijden was nota bene opgelegd ter zake een bedreiging van een ex-partner.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 februari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Persoon van de verdachte
Pro Justitia-rapporten
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportages, opgesteld op 8 december 2025 door prof. dr. D.J. Vinkers, psychiater, en op 3 december 2025 door J.M. Oudejans, psycholoog.
De deskundigen komen in hun rapportage tot de volgende conclusie. Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking, een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken, ADHD en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. De deskundigen concluderen dat de problematiek van de verdachte ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig was en adviseren daarom de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, in verminderde mate aan hem toe te rekenen.
De psychiater schat in dat de verdachte een hoog risico heeft op recidive van geweld en een matig risico op recidive van stalking. De psycholoog schat de kans op recidive van zowel belaging als (verbale) bedreiging en strafbare dwang op korte en middellange termijn matig. Op lange termijn kan dat risico oplopen naar hoog, indien de verdachte van iedere vorm van begeleiding en/of behandeling verstoken blijft. Beide deskundigen adviseren om aan de verdachte tbs met voorwaarden op te leggen.
Over de invulling van de tbs verschillen de deskundigen van mening. De psychiater stelt zich op het standpunt dat tbs met voorwaarden klinisch zou moeten beginnen, waarna aan de hand van het beloop kan worden besloten of de verdachte zelfstandig of begeleid kan gaan wonen. De psycholoog is daarentegen van mening dat de maatregel direct in een ambulant kader dient te beginnen.
De rechtbank overweegt dat de conclusies en adviezen van de deskundigen worden gedragen door een uitgebreide en deugdelijke onderbouwing, zodat er geen reden bestaat om aan de juistheid van deze adviezen te twijfelen. De rechtbank zal, conform de adviezen, de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft ook acht geslagen op een reclasseringsadvies van 16 december 2025 over de verdachte. De reclassering schat het risico op recidive en onttrekking op hoog. Verder wordt negatief geadviseerd over tbs met voorwaarden, omdat de verdachte in het verleden niet in staat is gebleken om zich aan bijzondere voorwaarden te houden. Zijn complexe problematiek maakt hem volgens de reclassering niet geschikt voor behandeling binnen een voorwaardelijk kader. De reclassering heeft, voor het geval de rechtbank de verdachte toch tbs met voorwaarden zal opleggen, de volgende daarbij te stellen voorwaarden geformuleerd, kort weergegeven:
1. geen strafbaar feit plegen;
2. meewerken aan reclasseringstoezicht;
3. niet naar het buitenland;
4. opname in een zorginstelling;
5. ambulante behandeling;
6. meewerken aan time-out;
7. contactverbod;
8. locatieverbod (indien haalbaar met EM);
9. begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
10. drugsverbod;
11. dagbesteding.
Verder heeft de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs geadviseerd en daarnaast de voorlopige hechtenis te schorsen onder dezelfde voorwaarden.
Maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden
De rechtbank acht het, net als de deskundigen, noodzakelijk dat de verdachte wordt behandeld voor zijn (psychiatrische) problematiek om zo te voorkomen dat hij nieuwe strafbare feiten pleegt. De rechtbank ziet het kader van de tbs als het enige passende juridische kader om te waarborgen dat de verdachte die behandeling krijgt en dat hij zich hieraan niet onttrekt.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van tbs. De bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1 bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven waarvoor de maatregel kan worden opgelegd, te weten de misdrijven zoals omschreven in artikel 37a lid 1 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens de hiervoor vermelde psychiatrische en psychologische rapportages bestond tijdens het begaan van deze feiten bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een licht verstandelijke beperking, een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken, ADHD en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Bovendien eist de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Uit de genoemde rapportages blijkt immers dat er bij de verdachte sprake is van een matig tot hoog risico op recidive, dat intensieve behandeling nodig is om dat risico te verlagen en dat die behandeling niet in een ander kader dan tbs kan plaatsvinden.
De rechtbank is van oordeel dat kan worden volstaan met oplegging van tbs met voorwaarden, waarbij is aanmerking is genomen dat beide deskundigen van de Pro Justitia-rapportages hiertoe (en niet tot tbs met dwangverpleging) hebben geadviseerd. De rechtbank beoogt daarmee ook aan de verdachte duidelijk te maken dat dit voor hem een laatste kans is: bij het overtreden van de voorwaarden ligt tbs met dwangverpleging op de loer.
Aan de tbs met voorwaarden zullen ter bescherming van de algemene veiligheid van personen de bovengenoemde door de reclassering geformuleerde voorwaarden worden verbonden, met uitzondering van de opname in een klinische zorginstelling. De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de psycholoog dat de klinische opname gecontra-indiceerd is. Bovendien heeft de verdachte bezwaar gemaakt tegen een gedwongen klinische opname, waardoor artikel 38 lid 5 van Pro het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van die voorwaarde in de weg staat. Daarnaast zal de rechtbank het geadviseerde drugsverbod beperken tot middelencontrole, zoals verzocht door de verdediging. Zo kan de verdachte starten met abstinentie van cannabis, zonder dat hij direct de voorwaarden overtreedt. Op de terechtzitting heeft de verdachte zich, met uitzondering van de klinische opname, bereid verklaard om de geadviseerde voorwaarden na te leven.
Duur van de TBS maatregel
De rechtbank karakteriseert de bewezenverklaarde feiten niet als ‘geweldsmisdrijven’ als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, omdat deze niet werden voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag en deze feiten op enigerlei (andere) wijze niet werden ondersteund door niet-verbaal agressief gedrag. Dat brengt met zich dat, indien de tbs-maatregel met voorwaarden wordt omgezet in een tbs-maatregel met dwangverpleging, de duur van de tbs-maatregel met dwangverpleging beperkt is tot vier jaren.
Dadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden
Gelet op de door de verdachte gepleegde strafbare feiten - waarmee hij tijdens proeftijden en (deels) een schorsing van de voorlopige hechtenis ernstig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van meerdere slachtoffers -, de omstandigheid dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijke feit, namelijk met een ex-partner als slachtoffer - en dat die veroordeling(en) hem er niet van heeft/hebben weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen -, de beschreven noodzaak van de behandeling van de verdachte en de omstandigheid dat door de psycholoog en de psychiater in de PJ-rapportages wordt beschreven dat het risico op recidive zonder behandeling (zeker op langere termijn) hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde dadelijke tenuitvoerlegging van de tbs met voorwaarden ex artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht noodzakelijk is.
38v-maatregel
De rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter beveiliging van [aangever 1] en ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contact- en gebiedsverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met [aangever 1] , tenzij met uitdrukkelijke toestemming en onder toezicht van een hulpinstantie. Daarnaast mag de verdachte zich niet ophouden in een straal van een kilometer rondom haar woonadres. Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van veertien dagen, met een maximum van zes maanden. De rechtbank houdt er ernstig rekening mee dat de verdachte zich jegens aangeefster belastend zal blijven gedragen en wederom een strafbaar feit zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Geen artikel 38z-maatregel
De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen, zoals gevorderd door de officier van justitie. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de officier van justitie deze maatregel geschikt vond in aansluiting op de gevorderde tbs met dwangverpleging, terwijl de rechtbank niet tot tbs met dwangverpleging is gekomen.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat er naast de tbs-maatregel met voorwaarden ook nog een straf aan de verdachte moet worden opgelegd. De ernst van de feiten maakt dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 223 dagen (gelijk aan de duur van het voorarrest), met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 3.000,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat het handelen van de verdachte een enorme impact heeft gehad op de benadeelde partij en veel onrust en gevoelens van onveiligheid bij haar heeft veroorzaakt, zoals ook is vermeld in de vordering van de benadeelde partij en de slachtofferverklaring. De rechtbank benadrukt dit omdat de beoordeling van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij een juridische beoordeling is, die hoe dan ook onmogelijk de mate van die impact tot uitdrukking kan brengen.
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de aantasting ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
De rechtbank stelt vast dat de het gestelde geestelijke letsel is onderbouwd met een screenshot met de uitkomst van een scoreformulier. Dat is onvoldoende om het gestelde geestelijk letsel te onderbouwen. Evenmin doet zich hier een situatie voor waarin de aard en de ernst van de normschendingen meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, indien de benadeelde partij in de gelegenheid zal worden gesteld om haar geestelijke letsel alsnog (beter) te onderbouwen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 27 februari 2026 gevorderd dat:
  • de bij zaaknummer 21-001552-20 voorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden, opgelegd bij arrest van 27 januari 2023 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en
  • de bij zaaknummer 22-003307-22 voorwaardelijke gevangenisstraf van 22 dagen, opgelegd bij arrest van 27 maart 2023 van het Gerechtshof Den Haag
ten uitvoer worden gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om beide vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen zodat de verdachte zo snel mogelijk met zijn behandeling kan starten. De verdachte heeft ook nog een openstaande gevangenisstraf van 57 dagen en het is wenselijk dat hij daarna direct van start kan met zijn behandeling. Daarnaast zal zijn bewindvoering worden gestopt indien hij nog langer vastzit. Tot slot heeft de verdediging opgemerkt dat de voorwaardelijk opgelegde straf onder zaaknummer 21-001552-20 om een geheel ander feit gaat, met een pleegdatum in 2018 en dat de proeftijd bijna was verstreken.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van beide vorderingen tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie. Zoals uit dit vonnis blijkt heeft de verdachte zich voor het einde van de proeftijden opnieuw schuldig gemaakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Dat het bij de voorwaardelijk opgelegde straf onder zaaknummer 21-001552-20 gaat om een feit met een pleegdatum in 2018 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het arrest met de voorwaardelijke straf is gewezen in 2023, nadat de verdediging na anderhalf jaar hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg.
De vorderingen tot tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde voorwaardelijk opgelegde straffen zullen dan ook worden toegewezen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a, 38v, 38w, 45, 57, 284, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding II onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en 2 en bij dagvaarding II onder 1, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, meermalen gepleegd;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:
belaging;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, meermalen gepleegd;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 2 subsidiair en feit 3 subsidiair:
poging tot een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen derden, wederrechtelijk dwingen iets te doen, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
223 (TWEEHONDERDDRIEËNTWINTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
tbs-maatregel met voorwaarden
gelast de
terbeschikkingstellingvan de verdachte;
stelt daarbij de navolgende
voorwaardenbetreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:
dat de terbeschikkinggestelde:
1. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
2. zich meldt bij de reclassering en meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de terbeschikkinggestelde:
  • zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
  • zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
  • de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
  • meewerkt aan huisbezoeken;
  • de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
  • zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
  • meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de terbeschikkinggestelde, als dat van belang is voor het toezicht;
3. reisverbod:
niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaat zonder toestemming van de reclassering;
4. ambulante behandeling:
zich laat behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en de zorginstelling dat nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
5. meewerken aan een time-out:
meewerkt aan een time out in een Forensische kliniek of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan in dat geval een indicatiestelling aanvragen voor een time-out. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de verdachte zich laten opnemen in een Forensische kliniek of andere instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging, na rechterlijke goedkeuring, met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;
6. contactverbod:
zich onthoudt van iedere vorm van contact - direct of indirect - met
- [aangever 1] , geboren [geboortedatum 2] 1994, en
- [aangever 3] , geboren [geboortedatum 3] 1998,
zolang het openbaar ministerie en of de reclassering dit verbod nodig vindt. Dit contactverbod vindt plaats met uitzondering van professioneel begeleide contactmomenten en/of (begeleide) bezoekregelingen rondom de kinderen van de verdachte en [aangever 1] in overleg met een hulpinstantie. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;
7. locatieverbod (indien haalbaar met elektronische monitoring):
zich niet ophoudt binnen een straal van 1 kilometer van de woning van [aangever 1] , geboren [geboortedatum 2] 1994, momenteel gelegen aan de [adres 2] . De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod en daarnaast wordt het – indien haalbaar - gemonitord middels elektronisch toezicht door middel van een enkelband;
8. begeleid wonen of maatschappelijke opvang:
verblijft in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door het IFZ, mocht de reclassering en/of de behandelaar het nodig achten. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
9. middelencontrole:
zich inspant om abstinent te worden van cannabis en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;
10. dagbesteding:
zich inzet voor het realiseren en behouden van een passende dagbesteding.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris;
38v-maatregel
legt op
de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat:
  • de verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaren zich zal onthouden van iedere vorm van contact – direct of indirect – met [aangever 1] , geboren [geboortedatum 2] 1994. Dit contactverbod vindt plaats met uitzondering van professioneel begeleide contactmomenten en/of (begeleide) bezoekregelingen rondom de kinderen van de verdachte en [aangever 1] in overleg met een hulpinstantie;
  • de verdachte zich voor de duur van 5 (vijf) jaren zich niet zal ophouden binnen een straal van 1 kilometer van de woning van [aangever 1] , geboren [geboortedatum 2] 1994, momenteel gelegen aan de [adres 2] ;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden, waarbij toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
beveelt, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris;
voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte onder zaaknummer 09-238421-25;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte onder zaaknummer 10-030491-25;
de vordering van de benadeelde partij
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij arrest van 27 januari 2023 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder zaaknummer 21-001552-20, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij arrest van 27 maart 2023 van het Gerechtshof Den Haag, gewezen onder zaaknummer 22-003307-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 22 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.R.F. van Engelen, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. S.M.R. Berendsen en E.J. Balk, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2026.