ECLI:NL:RBDHA:2026:7160

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/14011
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit naar Marokko ongegrond verklaard

Eiser is bij besluit van 4 juli 2025 verplicht terug te keren naar Marokko met een vertrektermijn van vier weken. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn relatie met een Spaanse vriendin en zijn medische situatie, onvoldoende zijn meegewogen.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet heeft aangetoond rechtmatig verblijf te hebben op grond van zijn relatie met een EU-gemeenschapsonderdaan. Zijn verklaring over de relatie en het verlopen verblijfsrecht in Spanje werden niet ondersteund door bewijsstukken. Ook is niet gebleken dat hij een aanvraag voor verblijf als familielid van een Unieburger heeft ingediend.

Ten aanzien van zijn medische situatie concludeert de rechtbank dat de medicatie die eiser gebruikt ook in Marokko beschikbaar is, waardoor dit geen reden is om af te zien van het terugkeerbesluit. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit naar Marokko wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/14011

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Procesverloop

1.1.
Bij besluit van 4 juli 2025 heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken uitgevaardigd.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft met het bestreden besluit aan eiser de verplichting opgelegd om terug te keren naar Marokko op grond van artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
De gronden van beroep
3. Eiser voert in zijn beroepsgronden aan dat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd zonder hem voldoende in de gelegenheid te stellen een zienswijze uit te brengen. Verweerder heeft niet alle persoonlijke omstandigheden van eiser betrokken in de besluitvorming. Uit het besluit blijkt niet dat zijn medische gesteldheid is meegenomen. Ook de relatie met zijn Spaanse vriendin [persoon A] , en het voornemen om samen in Nederland hun relatie voort te zetten, zijn niet betrokken. Eiser was bezig om de nodige documenten bij elkaar te verkrijgen om zich in Nederland te kunnen vestigen en zal binnenkort een aanvraag indienen voor verblijf bij zijn vriendin op grond van de Verblijfsrichtlijn. Hij is in afwachting van de nodige documenten. Verweerder had hem hierover moeten bevragen. Eiser is gesignaleerd in het SIS waardoor hij te boek staat als een niet toe te laten vreemdeling, wat het gebruik van het vrije verkeer voor hem en zijn vriendin aantast. Verweerder had geen terugkeerbesluit tegen eiser mogen uitvaardigen gelet op zijn relatie met een EU-gemeenschapsonderdaan. Er was geen sprake van illegaal verblijf.
Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser zich ten aanzien van het al dan niet rechtmatig verblijf van eiser in de EU gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser ten tijde van het opleggen van het bestreden besluit rechtmatig verblijf had op grond van zijn relatie met een Unieburger. Eiser heeft dit niet (met bewijsstukken) onderbouwd. Hij heeft tijdens zijn gehoor voorafgaand aan het opleggen van het bestreden besluit enkel verklaard dat hij ruim zes maanden een relatie heeft met een meisje in Spanje [1] . Ook heeft hij verklaard dat hij een verlopen verblijfsvergunning heeft van Spanje (wat wordt bevestigd in informatie van de Spaanse autoriteiten van 3 juli 2025 dat eiser per 1 april 2025 geen rechtmatig verblijf in Spanje heeft). Met genoemde verklaring heeft eiser tijdens het gehoor geen concrete aanknopingspunten aangedragen die erop duiden dat hij op grond van het Unierecht een afgeleid verblijfsrecht heeft. Verder is niet gebleken dat eiser een aanvraag heeft ingediend voor verblijf als familielid van een gemeenschapsonderdaan. Wat eiser heeft aangevoerd maakt dus niet dat verweerder had moeten afzien van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit.
4.2.
Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser, geldt dat hij tijdens het gehoor zelf heeft verklaard dat de medicatie die hij gebruikt voorhanden is in Marokko en dat hij bij terugkeer geen problemen voorziet, zodat zijn medische situatie ook niet maakt dat verweerder had moeten afzien van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit.
4.3.
De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie pag. 3 van dit gehoor. In het gehoor bij de AVIM op 3 juli 2025 verklaart eiser dat zijn vriendin verblijfsrecht in Spanje heeft.