De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op het concrete aanknopingspunt voor een overdracht volgens de Dublinverordening en het significante risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.
Eiser betwistte de gronden niet, maar stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast omdat hij bereid was vrijwillig terug te keren naar Duitsland. De rechtbank oordeelde dat de minister zich terecht op het standpunt stelde dat geen minder dwingende maatregel doeltreffend was, mede omdat eiser geen concrete stappen had ondernomen om terug te keren en een aanbod om betaald naar Duitsland te reizen niet had aanvaard.
De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest van 8 november 2022 en het arrest Adrar van 4 september 2025. Er waren geen aanwijzingen dat het familie- en gezinsleven van eiser of het non-refoulementbeginsel zich verzetten tegen verwijdering.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.