Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7193

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/09/697567 / KG ZA 26-31
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:215 BWArt. 7:408 BWArt. 7:446 BWArt. 7:460 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot ontruiming na rechtsgeldige opzegging begeleidingsovereenkomst

LIMOR, een zorginstelling, sloot op 15 januari 2025 een begeleidingsovereenkomst met [partij B], waarbij ook woonruimte werd verstrekt. De overeenkomst bevatte bepalingen die beëindiging mogelijk maken bij ernstig hinderlijk gedrag of niet-nakoming van afspraken.

Na meerdere incidenten met verbaal agressief gedrag en het niet nakomen van afspraken, gaf LIMOR op 2 juni en 2 oktober 2025 officiële waarschuwingen. Op 14 december 2025 vond een derde incident plaats, waarna LIMOR de overeenkomst op 16 december 2025 opzegde met inachtneming van een maand opzegtermijn.

[partij B] betwistte de rechtsgeldigheid van de opzegging en vorderde voortzetting van de overeenkomst in kort geding. De rechtbank oordeelde dat LIMOR de overeenkomst rechtsgeldig had opgezegd op grond van de contractuele bepalingen en dat de gebruiksovereenkomst van de woonruimte daarmee eveneens was geëindigd. De vordering tot ontruiming werd toegewezen met een termijn tot uiterlijk 1 mei 2026.

De rechtbank overwoog dat het zorgelement in de overeenkomst overheerst en dat het geen geneeskundige behandelingsovereenkomst betreft. De opzegbepalingen zijn niet oneerlijk en LIMOR had voldoende gewichtige redenen voor opzegging. De belangenafweging gaf voorrang aan LIMOR, mede gezien het belang bij herplaatsing van de woonruimte en de continuïteit van zorg via de gemeente.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontruiming toe en veroordeelt [partij B] de woonruimte uiterlijk 1 mei 2026 te verlaten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/697567 / KG ZA 26-31
Vonnis in kort geding van 24 maart 2026
in de zaak van
STICHTING LANDELIJKE INSTELLING VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN REHABILITATIE (LIMOR)te Leeuwarden,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaten mr. S. Maakal en mr. B.M. Speerstra te Heerenveen,
tegen:
[partij B]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaten mr. R.M. Noorlander te Zutphen en mr. E.M. Prins te Den Haag.
Partijen worden hierna ‘LIMOR’ en ‘ [partij B] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 februari 2026, met producties 1 tot en met 16;
- de conclusie van antwoord, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties 1 tot en met 7;
- de aanvullende producties 16 tot en met 19 van LIMOR.
1.2.
Op 24 februari 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. Partijen hebben toen hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van een overgelegde pleitnota, en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Aan het eind van de mondelinge behandeling is de zaak pro forma aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen. Op 4 respectievelijk 5 maart 2026 hebben partijen de voorzieningenrechter verzocht om vonnis te wijzen. Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit kort geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
LIMOR is een zorginstelling die in het kader van de door de overheid en/of anders extern gefinancierde zorg, professionele begeleiding biedt aan mensen die problemen ondervinden bij het (her)krijgen en stabiliseren van sociale basisbehoeften en maatschappelijke participatie om een zo groot mogelijke zelfredzaamheid te bewerkstelligen.
2.2.
LIMOR en [partij B] hebben op 15 januari 2025 een begeleidingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan LIMOR met ingang van die datum begeleiding biedt aan [partij B] . In de inleiding van de begeleidingsovereenkomst staat, voor zover nu van belang, het volgende:

overwegende dat:

LIMOR een zorginstelling is die in het kader van de door de overheid en/of anders extern gefinancierde zorg, professionele begeleiding biedt aan mensen die problemen ondervinden bij het (her)krijgen en stabiliseren van sociale basisbehoeften en maatschappelijke participatie teneinde een zo groot mogelijke zelfredzaamheid te bewerkstelligen;

cliënt bovenstaande doelstelling onderschrijft en openstaat voor deze begeleiding

(…)

LIMOR naast deze Begeleidingsovereenkomst samen met de cliënt een individueel Begeleidingsplan opstelt, waarin de aandachtspunten van de begeleiding nader worden beschreven en met de cliënt de te maken afspraken worden vastgelegd. De cliënt ondertekent dit Begeleidingsplan voor akkoord;

indien en voorzover LIMOR ook woonruimte aan cliënt ter beschikking heeft gesteld, doet zij dat vanwege de noodzaak tot begeleiding van cliënt. De met cliënt gesloten huur-/gebruikersovereenkomst is onlosmakelijk verbonden aan deze Begeleidingsovereenkomst. De Begeleidingsovereenkomst is de hoofdovereenkomst en de huur-/gebruikersovereenkomst is de daaraan ondergeschikte overeenkomst;

de begeleiding en het ter beschikking stellen van de woonruimte door LIMOR zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden in die zin dat de huur-/gebruikersovereenkomst te allen tijde eindigt op het moment dat de Begeleidingsovereenkomst eindigt;

cliënt hiervan op de hoogte is en onder die voorwaarden in stemt met de begeleiding en - indien van toepassing - het gebruik van de woonruimte;
(…)
2.3.
De begeleidingsovereenkomst bevat verder onder meer de volgende bepalingen over het door LIMOR en [partij B] op te stellen begeleidingsplan en de beëindiging van de begeleidingsovereenkomst:

Artikel 3 Begeleiding Pro en begeleidingsplan
3.1
Na aanvang van de begeleiding wordt zo snel als mogelijk een individueel begeleidingsplan (verder: Begeleidingsplan) opgesteld.
(…)
3.4
In het Begeleidingsplan komen LIMOR en cliënt overeen op welke wijze het (her)krijgen van de sociale basisbehoeften en maatschappelijke participatie gerealiseerd worden teneinde een zo groot mogelijke zelfredzaamheid te verkrijgen. Er worden doelen en afspraken opgesteld en er wordt afgesproken welke werkwijze en attitude, van LIMOR en cliënt, hierbij nodig zijn. Cliënt en trajectregisseur/-ondersteuner voeren regelmatig gesprekken, op in overleg vastgestelde tijden, ten behoeve van de uitvoering van het begeleidingsplan.
(…)
Artikel 4 Be Proëindiging van de begeleidingsovereenkomst
(…)
4.2.1
Deze Begeleidingsovereenkomst kan door LIMOR eenzijdig worden beëindigd indien zich één van de volgende situaties voordoet:
a) wijzigingen in de persoonlijke leefomstandigheden van de cliënt waardoor van LIMOR in redelijkheid niet meer verwacht kan worden de begeleiding voort te zetten en het verblijf te handhaven;
b) de cliënt hindert de voortgang van de begeleiding zodanig ernstig dat van LIMOR in redelijkheid niet meer verwacht kan worden de begeleiding voort te zetten en het verblijf te handhaven;
c) de cliënt weigert structureel en/of doelbewust de bepalingen uit de Begeleidingsovereenkomst en/of bijbehorende overeenkomsten na te komen;
(…)
g) door de cliënt één of meer uit deze overeenkomst voortvloeiende afspraken niet wordt nagekomen;
(…)
4.2.2
De beëindiging vindt niet eerder plaats nadat cliënt mondeling en/of schriftelijk op de hoogte is gesteld en met inachtneming van een redelijke opzegtermijn van een maand.
4.3.1
Deze Begeleidingsovereenkomst kan door LIMOR PER DIRECT eenzijdig worden beëindigd indien zich één van de volgende situaties voordoet:
a) de cliënt onderneemt activiteiten of handelingen die de veiligheid of leefbaarheid voor medewerkers, medecliënten of buurtbewoners in en rondom de voorziening ernstig bedreigen;
b) verbale agressie, bedreiging, of (seksuele) intimidatie door de cliënt jegens medewerkers en/of cliënten;
(…)
d) handelen in hard- en/of softdrugs door de cliënt of het schenden van de specifieke afspraken die zijn gemaakt met de cliënt betreffende het bezit en/of gebruik van hard- en/of softdrugs;
(…)
e) wanneer de gevraagde ondersteuning aan de cliënt niet kan worden geboden zonder direct ernstig gevaar voor fysiek of psychisch letsel van medewerkers en/of medecliënten
4.3.2
Wanneer sprake is van één van de situaties als genoemd onder 4.3.1. a t/m e wordt de Begeleidingsovereenkomst per direct beëindigd; LIMOR doet daarvan omgaand mededeling aan cliënt.
(…)
2.4.
In het kader van de begeleiding heeft LIMOR per 15 januari 2025 woonruimte aan LIMOR ter beschikking gesteld in de beschermde woonvoorziening aan de [adres] (hierna: de woonruimte). De afspraken over het gebruik van de woonruimte zijn vastgelegd in een door beide partijen ondertekende gebruiksovereenkomst. Daarin staat onder andere het volgende:

4.Duur, verlenging en opzegging
4.1
Deze overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, ingaande op 15-01-2025 en lopende gedurende de looptijd van de tussen LIMOR en cliënt gesloten begeleidingsovereenkomst. (…)
4.2
Deze overeenkomst en daarmee de tijdelijke bewoning van de door LIMOR beschikbaar gestelde woonruimte in de voorziening eindigt:
a. (…)
b. bij beëindiging van de begeleidingsovereenkomst. Indien de begeleidingsovereenkomst eindigt, geldt in alle gevallen dat tegelijkertijd en onherroepelijk deze gebruikersovereenkomst eindigt. Cliënt is in dat geval verplicht om de woonruimte die hij/zij ter huisvesting van LIMOR heeft gekregen in het kader van de opvang en begeleiding, te verlaten.
(…)
2.5.
LIMOR en [partij B] hebben op 24 januari 2025 een zorgplan (een persoonsgebonden begeleidingsplan) opgesteld voor de periode van 10 februari 2025 tot en met 10 april 2025. Daarin is vermeld dat [partij B] in transitie is, diverse belemmeringen heeft om zelfstandig te kunnen functioneren, waaronder een verstoord dag- en nachtritme, cannabisgebruik en psychische en mentale problemen. Vervolgens is een tweede zorgplan opgesteld voor de periode van 3 juni 2025 tot en met 25 september 2025. Het derde (meest recente) zorgplan is opgesteld voor de periode van 21 oktober 2025 tot en met 20 april 2026.
2.6.
Op 22 mei 2025 heeft een incident plaatsgevonden tussen [partij B] en twee begeleiders van LIMOR. Naar aanleiding van dit incident heeft LIMOR op 2 juni 2025 een brief aan [partij B] gestuurd, waarin aan [partij B] een eerste officiële waarschuwing wordt gegeven. In de brief is, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

Via deze brief ontvangt u een eerste officiële waarschuwing. Dit is naar aanleiding van uw gedrag op 22 mei 2025, tijdens het gesprek met [naam 1] en [naam 2] bent u verbaal agressief geweest door te schreeuwen en te schelden.
Daarnaast heeft u tijdens de intake en het plaatsingsgesprek aangegeven dat u actief wilt werken aan de volgende doelen:
-
Een dagbesteding oppakken
-
Een gezond dag- en nachtritme
-
En de juiste behandeling voor uw problematiek
Ook heeft u aangegeven dat u alleen recreatief blowt.
Afgelopen maanden is gebleken dat uw drugsgebruik problematischer is dan daadwerkelijk is aangegeven. Vanwege dit gebruik, is het lastig om actief aan uw doelen te werken.
Verder wordt u dagelijks door LIMOR gewekt, maar blijft u vervolgens in uw bed liggen en lijkt het erop dat u geen moeite doet om dit te veranderen.
Wanneer u afspraken buiten de deur heeft of met vrienden, merkt LIMOR op dat het dan wel lukt om afspraken na te komen.
Ook komt u uw afspraken met begeleiders niet zorgvuldig na. U zegt vaak afspraken af en of u probeert het te verplaatsen.
Daardoor is het niet mogelijk om te werken aan uw doelen en om op dit moment een actueel zorgplan met u op te stellen.
Daarnaast is uw appartement vervuild en niet op orde.
LIMOR kan de begeleidingsovereenkomst eenzijdig beëindigen wanneer u zich niet aan de voorwaarden houdt zoals beschreven in de begeleidingsovereenkomst artikel 4.2.1 b) de client hindert de voortgang van begeleiding zodat ernstig dat van LIMOR in redelijkheid niet meer verwacht kan worden de begeleiding voort te zetten en het verblijf te handhaven.
Ook kan de begeleidingsovereenkomst beëindigd worden wanneer er sprake is verbale agressie zoals vermeld in artikel 4.3.1. B) van de begeleidingsovereenkomst.
Dit betekent dat daarmee het verblijf van de cliënt kan worden beëindigd.
Als u bij LIMOR wilt blijven wonen, dan wordt per direct van u het volgende verwacht:
-
U heeft twee keer per week een afspraak met uw begeleider.
-
U houdt uw appartement schoon en opgeruimd, lukt dit niet, dan moet u hulp van LIMOR accepteren.
-
U laat per direct verandering in gedrag zien richting medewerkers, dit houdt in dat u niet verbaal agressief ben en respectvol naar medewerkers.
-
U stelt samen met uw begeleider een zorgplan op waarin doelen staan waar u aan gaat werken.
-
U werkt actief aan de doelen zoals beschreven in het zorgplan.
-
Uw drugsgebruik mag niet uw ontwikkeling in de weg zitten.
Wanneer u zich niet aan bovenstaande afspraken houdt, kan dit einde verblijf betekenen. LIMOR zal dan de begeleidingsovereenkomst stop zetten met de daar bijbehorende gebruikersovereenkomst
Bovenstaande waarschuwing is geldig voor de duur van 1 jaar, dus tot 22 mei 2026.
(…)”
2.7.
Naar aanleiding van deze brief heeft [partij B] een bezwaarschrift ingediend. Daarin heeft hij toegelicht wat in zijn optiek de toedracht was van het incident, dat zijn gedrag een vervelend effect is van zijn borderline en dat het ook een gevolg was van de stroeve relatie met één van de begeleiders. Ook heeft [partij B] zijn visie gegeven op hoe hij werkt aan zijn doelen ten aanzien van een dagbesteding, dag- en nachtritme, zijn mentale gezondheid en wietgebruik.
2.8.
Vervolgens heeft een gesprek plaatsgevonden tussen LIMOR en [partij B] . Daarbij was ook de vader van [partij B] aanwezig.
2.9.
In september 2025 heeft [partij B] nieuwe begeleiders gekregen.
2.10.
Op 29 september 2025 heeft een tweede incident plaatsgevonden tussen [partij B] en een begeleider van LIMOR.
2.11.
Bij brief van 2 oktober 2025 heeft LIMOR een tweede officiële waarschuwing aan [partij B] gegeven. In deze brief staat, voor zover nu relevant, het volgende:

Via deze brief ontvangt u een tweede officiële waarschuwing. De aanleiding hiervoor is het herhaaldelijk niet nakomen van afspraken en gedrag die de samenwerking belemmert. In de afgelopen weken zijn meerdere pogingen gedaan om een plangesprek met jou te voeren. Deze afspraken werden herhaaldelijk door jou vergeten en afgezegd.
Op maandag 29/9/25 hebben wij ook gedrag waargenomen dat wij als grensoverschrijdend en respectloos ervaren. Het gaat hierbij om het telefoongesprek waarin je onder andere riep: “Wat voor begeleider ben jij en begrijp jij wel wat manie betekent.” De toon en inhoud van dit gesprek waren aanvallend en respectloos. Toen er werd gevraagd om 10 minuten in de gang te wachten liep je schreeuwend weg.
In artikel 4 van Pro de begeleidingsovereenkomst staat dat u zich aan de volgende afspraken moet houden:
- Client belemmert niet op stelselmatige wijze de voortgang van de begeleiding.
- Client houdt zich aan de voortvloeiende afspraken uit deze overeenkomst
- Ook kan de begeleidingsovereenkomst beëindigd worden wanneer er sprake is van verbale agressie zoals vermeld in artikel 4.3.1.
We begrijpen dat je te maken hebt met stemmingswisselingen, maar dat betekent niet dat je begeleiding op een respectloze manier aanspreekt of overschrijdend reageert op grenzen. Wat je stemming ook is wij verwachten dat communicatie en gedrag binnen veilige en werkbare relatie blijven.
Wat wij van jou verwachten:
  • Dat je op een respectvolle toon met begeleiding communiceert, ook als je het ergens niet mee eens bent.
  • Dat je in gesprek blijft zonder te schreeuwen
  • Dat je je houdt aan de begeleidingsafspraken
Deze waarschuwing is geldig voor de duur van 6 maanden, tot 2 maart 2026.
(…)
2.12.
Op 14 december 2025 heeft een derde incident plaatsgevonden tussen [partij B] en een begeleider van LIMOR. Van dit incident is door LIMOR een (interne) Melding Incident Cliënt (MIC) melding gemaakt, waarin het volgende is vermeld:

Dhr vond dat hij last heeft van zijn beneden buurman heeft. Dit zijn gewoon leef geluiden. ik ben gaan luisteren en heb niks waargenomen. Doordat dhr nog steeds aan gaf iets te horen ben ik samen met een collega gegaan om nog eens te luisteren, er was niets aan de hand dit waren gewoon leef geluiden. Dit hebben we kenbaar gemaakt, maar dhr wilde dit niet aannemen. Dhr was telefonische onbeschoft. BD dienst nam de telefoon niet meer op vanwege zijn communicatie. Dhr kwam naar kantoor heel boos en agressief dat dit geen leef geluiden zijn. Begon kracht termen te gebruiken o.a. het woord K. Waarop ik mijn grenzen aan gaf dat zij wel wilde luisteren, maar om prive redenen dit niet wilde aanhoren. Waarop dhr zei ik heb wel prive redenen om dit wel te zeggen. Collega zei dan moet ik dit gesprek beëindigen. Dhr begon met deuren gooien, en te schelden. (behoorlijke krachttermen gebruikt)
2.13.
Twee dagen later, bij brief van 16 december 2025, heeft LIMOR de begeleidingsovereenkomst opgezegd. In deze brief staat, voor zover nu van belang, het volgende:

Via deze brief zeggen wij de met u gesloten begeleidingsovereenkomst op. Daarbij nemen wij een redelijke termijn van één maand in acht, zodat de begeleidingsovereenkomst eindigt per 14/01/2026
Het gebruik van de woning aan [adres] eindigt vanwege het einde van de begeleidingsovereenkomst automatisch ook per de hiervoor genoemde datum. U dient de woning per die datum dan ook schoon en ontruimd aan ons op te leveren zoals met u is afgesproken in de gebruikersovereenkomst. Wij zullen nog een afspraak met u maken om dit verder te regelen.
Dit besluit is genomen naar aanleiding van het incident op 14 december 2025. Het vertoonde gedrag, waaronder verbaal agressief taalgebruik richting medewerkers is niet acceptabel en past niet binnen beschermd wonen.
Wij hebben u meermaals gewaarschuwd om uw gedrag aan te passen en de afspraken uit de begeleidingsovereenkomst integraal na te komen, maar u heeft hieraan helaas geen gehoor gegeven.
Ook de aan u uitgereikte waarschuwingen hebben niet geleid tot structurele aanpassing van uw gedrag.
Wij kunnen u dan ook niet langer begeleiden en daarom zeggen we in deze brief de begeleidingsovereenkomst op.
(…)
2.14.
In reactie daarop hebben de ouders van [partij B] op 28 december 2025 een e-mail aan LIMOR gestuurd met daarin het verzoek om de beslissing te heroverwegen en, samen met de gemeente, te bezien hoe de continuïteit van zorg kan worden geborgd, een passend (tijdelijk of structureel) alternatief kan worden gerealiseerd, en dakloosheid wordt voorkomen. Bij e-mail van 30 december 2025 hebben de ouders van [partij B] verzocht om de uitvoering van de beëindiging per 14 januari 2026 op te schorten, te bezien of [partij B] bij LIMOR kan blijven en daarover op zeer korte termijn in gesprek te gaan.
2.15.
Daarop heeft LIMOR op 30 december 2025 per e-mail gereageerd dat zij wettelijk verplicht is om primair met [partij B] te communiceren en daaraan zal vasthouden. Verder heeft LIMOR daarin laten weten met [partij B] in gesprek te willen gaan om duidelijkheid te verschaffen, waarbij [partij B] kan vragen of zijn ouders bij dat gesprek aanwezig willen zijn. Daarbij heeft LIMOR vermeld dat het gesprek niet zal leiden tot een ander besluit.
2.16.
Bij brief van 7 januari 2026 heeft [partij B] via zijn advocaat LIMOR gesommeerd om de beëindiging van de begeleidings- en gebruiksovereenkomst in te trekken en de begeleiding per 14 januari 2026 te continueren. LIMOR heeft daaraan geen gehoor gegeven.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
LIMOR vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [partij B] veroordeelt om de aan hem ter beschikking gestelde woonruimte uiterlijk binnen een termijn van zeven dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten met medeneming van al het zijne en de zijnen, onder afgifte van de sleutels aan LIMOR, met veroordeling van [partij B] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
LIMOR legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat LIMOR de begeleidingsovereenkomst per 14 januari 2026 heeft opgezegd. [partij B] vertoonde al in de eerste maanden na de start van het begeleidingstraject ongepast gedrag, waaronder verbaal agressief gedrag richting medewerkers van LIMOR. Er zijn meerdere incidenten geweest waarbij [partij B] heeft geschreeuwd en gevloekt. Daarnaast houdt [partij B] zich niet aan de afspraken uit de begeleidingsovereenkomst en zorgplannen. [partij B] heeft zich tijdens het gehele traject niet begeleidbaar opgesteld. Hij zegt met regelmaat afspraken af en spant zich niet in om te werken aan zijn doelen. Ook bleek al tijdens de eerste zes maanden van het verblijf dat het drugsgebruik van [partij B] veel verder ging dan nodig en verantwoord was bij wijze van medicatie. De gedragingen van [partij B] vallen onder de bepalingen in artikel 4.2.1 (aanhef en onder a, b, c en g) en 4.3.1 (aanhef en onder a, b, d en e) van de begeleidingsovereenkomst en vormen daarmee grond voor opzegging van de begeleidingsovereenkomst. De begeleidingsovereenkomst is onlosmakelijk verbonden met de gebruiksovereenkomst in die zin dat de gebruiksovereenkomst eindigt op het moment dat de begeleidingsovereenkomst eindigt. Dat betekent dat ook de tussen partijen gesloten gebruiksovereenkomst is geëindigd. [partij B] verblijft daarom zonder recht of titel in de woonvoorziening en moet daarom overgaan tot ontruiming daarvan.
3.3.
[partij B] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in voorwaardelijke reconventie
3.4.
[partij B] vordert dat – indien de vorderingen van LIMOR worden afgewezen – de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, LIMOR veroordeelt om (i) de begeleidingsovereenkomst en de gebruiksovereenkomst na te komen totdat in de aanhangige bodemprocedure definitief is beslist en (ii) LIMOR verbiedt om tijdens deze periode over te gaan tot beëindiging of schorsing van de begeleiding, behoudens rechterlijke toestemming, met veroordeling van LIMOR in de proceskosten.
3.5.
[partij B] stelt zich op het standpunt dat de opzegging van de begeleidingsovereenkomst niet rechtsgeldig is omdat niet is voldaan aan de bepalingen van artikel 4.2.1 en 4.3.1 althans dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [partij B] is inmiddels een bodemprocedure gestart waarin hij (i) een verklaring voor recht vordert dat de begeleidings- en gebruiksovereenkomst nog steeds van kracht zijn en (ii) vordert dat LIMOR wordt veroordeeld tot nakoming van deze overeenkomsten. [partij B] heeft er (spoedeisend) belang bij dat de overeenkomsten worden voortgezet totdat in de bodemprocedure is beslist. Als de begeleidingsovereenkomst feitelijk wordt beëindigd of opgeschort voordat de bodemrechter zich over de kwestie heeft kunnen uitspreken, komt [partij B] direct zonder noodzakelijke begeleiding en verblijf te zitten. Dat zal leiden tot ernstige en potentieel onomkeerbare schade, destabilisatie van zijn psychische toestand en het wegvallen van de beschermende structuur die de maatwerkvoorziening beoogt te bieden.
3.6.
LIMOR voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie
4.1.
[partij B] betwist dat LIMOR een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Dat verweer slaagt niet. LIMOR vordert ontruiming van de woonruimte. Als LIMOR wordt gevolgd in haar stelling dat [partij B] zonder recht of titel gebruik maakt van de woonruimte, is daarmee het spoedeisende karakter van haar vordering gegeven.
4.2.
Verder geldt dat, anders dan [partij B] aanvoert, het wel degelijk mogelijk is om in kort geding, bij wijze van ordemaatregel, de ontruiming van woonruimte te vorderen. Dat levert geen constitutieve uitspraak op: er wordt geen nieuwe rechtstoestand geschapen of een bestaande rechtstoestand opgeheven. Dat neemt niet weg dat een veroordeling tot ontruiming een vergaande maatregel is. Als regel geldt dat een vordering tot ontruiming in kort geding alleen toewijsbaar zal zijn als met grote mate van waarschijnlijkheid is te voorzien dat die vordering in een bodemprocedure toewijsbaar zal zijn. Ook moet sprake zijn van een spoedeisend belang bij ontruiming vooruitlopend op de uitkomst van de bodemprocedure. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval voldoende grond bestaat om de gevorderde ontruiming in kort geding toe te wijzen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
Gemengde overeenkomst waarbij het zorgelement overheerst
4.3.
Partijen nemen terecht tot uitgangspunt dat de tussen hen gesloten begeleidingsovereenkomst en gebruiksovereenkomst een gemengde overeenkomst als bedoeld in artikel 6:215 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) vormen, waarbij het zorgelement overheerst. De overeenkomsten moeten daarom als een geheel van samenhangende verbintenissen worden gezien. Omdat het zorgelement overheerst, kan [partij B] zich niet beroepen op huurbescherming.
Begeleidingsovereenkomst is een overeenkomst van opdracht
4.4.
[partij B] betoogt dat de begeleidingsovereenkomst kwalificeert als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 BW Pro, waarvoor het beëindigingsregime van artikel 7:460 BW Pro (en de in dat verband toepasselijke richtlijn van de KNMG) geldt. De voorzieningenrechter volgt hem daarin niet. Voor het bestaan van een geneeskundige behandelingsovereenkomst is vereist dat de hulpverlener (in dit geval LIMOR) zich in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover de opdrachtgever verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunde, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever, of van een bepaalde derde. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat LIMOR zich heeft verbonden tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst of dat zij [partij B] in dat kader heeft verpleegd of verzorgd. Het gaat hier dus niet om een geneeskundige behandelingsovereenkomst, maar om een ‘gewone’ overeenkomst van opdracht waarvoor de beëindigingsregels van 7:408 e.v. BW gelden. Dat betekent dat LIMOR de overeenkomst kan opzeggen als sprake is van een gewichtige reden (zie artikel 7:408 lid 2 BW Pro).
LIMOR heeft de begeleidingsovereenkomst rechtsgeldig opgezegd
4.5.
In artikel 4.2.1 van de begeleidingsovereenkomst staat dat LIMOR de begeleidingsovereenkomst kan opzeggen als één van de in het artikel omschreven situaties zich voordoet. LIMOR kan de begeleidingsovereenkomst onder andere opzeggen als de cliënt de voortgang van de begeleiding zodanig ernstig hindert dat van LIMOR in redelijkheid niet meer kan worden verwacht dat zij de begeleiding voortzet (onder b), de cliënt structureel en/of doelbewust de bepalingen uit de begeleidingsovereenkomst weigert na te komen (onder c) of de cliënt de afspraken uit de overeenkomst niet nakomt (onder g). Verder geeft artikel 4.3.1 LIMOR de bevoegdheid om de begeleidingsovereenkomst per direct eenzijdig te beëindigen als sprake is van verbale agressie, bedreiging, of (seksuele) intimidatie door de cliënt jegens medewerkers van LIMOR en of andere cliënten.
4.6.
Anders dan [partij B] betoogt, acht de voorzieningenrechter deze bedingen niet strijdig met de bepalingen in de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Een beding in algemene voorwaarden wordt als oneerlijk beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Op voorhand valt niet in te zien waarom de opzegbepalingen oneerlijk zijn. De bedingen sluiten aan op de regel van artikel 7:408 lid 2 BW Pro dat een opdrachtnemer de overeenkomst mag opzeggen als sprake is van gewichtige redenen. De redenen voor opzegging zijn voldoende duidelijk geformuleerd en bovendien kan [partij B] , als hij het met de opzegging op grond van dit artikel niet eens is, de opzegging ter toetsing aan de rechter voorleggen. Van een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn is daarom geen sprake.
4.7.
Tussen partijen is in geschil of LIMOR de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. LIMOR stelt dat dit het geval is, kort gezegd omdat [partij B] zich tijdens het gehele begeleidingstraject onvoldoende begeleidbaar heeft opgesteld en omdat [partij B] meermaals verbaal agressief gedrag heeft vertoond. Ondanks meerdere waarschuwingen heeft [partij B] zijn gedrag niet aangepast en na het incident van 14 december 2025 was voor LIMOR de maat vol. Volgens LIMOR valt het gedrag van [partij B] onder de reikwijdte van de artikelen 4.2.1 en 4.3.1 van de begeleidingsovereenkomst en dat rechtvaardigt volgens haar opzegging van de overeenkomst. [partij B] is het daar niet mee eens: hij heeft zich naar eigen zeggen wel degelijk begeleidbaar opgesteld en hij heeft ook geen verbaal agressief gedrag vertoond. Zijn gedrag tijdens de incidenten (emotionele ontregeling, stemverheffing en frustratie) was het rechtstreekse gevolg van zijn autismespectrumstoornis en borderlineproblematiek. Bovendien heeft LIMOR in die situaties geen passende begeleiding geboden, zo stelt [partij B] . LIMOR had de begeleiding op die momenten moeten afstemmen op zijn psychische beperkingen en daarmee ‘situationeel’ moeten begeleiden. LIMOR heeft dat nagelaten en daardoor is de situatie volgens [partij B] meermaals nodeloos geëscaleerd. Ook in meer algemene zin heeft LIMOR de begeleiding onvoldoende afgestemd op de behoeften van [partij B] , zoals artikel 3.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) van LIMOR verlangt. LIMOR heeft verder onvoldoende onderbouwd dat [partij B] de bepalingen in de begeleidingsovereenkomst heeft geschonden. Dat alles maakt dat LIMOR geen gegronde reden had voor opzegging van de overeenkomst, aldus [partij B] .
4.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat [partij B] zich zodanig heeft gedragen c.q. opgesteld dat dit een opzegging van de begeleidingsovereenkomst op grond van artikel 4.2.1 rechtvaardigt.
4.9.
Voor dat oordeel is ten eerste van belang dat [partij B] zich verschillende keren grensoverschrijdend richting zijn begeleiders heeft gedragen door tegen hen te schreeuwen en te schelden en zijn gedrag – na te zijn gewaarschuwd – niet heeft veranderd. Het eerste incident vond plaats op 22 mei 2025 en dat was aanleiding voor LIMOR om [partij B] een officiële waarschuwing te geven. In de waarschuwingsbrief van 2 juni 2025 heeft LIMOR gemeld dat dergelijk verbaal agressief gedrag niet acceptabel is en dat van [partij B] werd verwacht dat hij zijn gedrag richting medewerkers per direct zou aanpassen. Hoewel zich daarna enige tijd geen incidenten hebben voorgedaan, vond op 29 september 2025 een tweede voorval plaats. [partij B] heeft toen wederom tegen zijn begeleiders geschreeuwd. Kort daarna heeft LIMOR een tweede officiële waarschuwing aan [partij B] gegeven, waarbij zij heeft vermeld dat het gedrag door LIMOR als grensoverschrijdend en respectloos wordt ervaren en dat dit niet de manier is waarop [partij B] de begeleiding kan aanspreken. Vervolgens heeft op 14 december 2025 wederom een incident plaatsgevonden waarbij [partij B] tegen een medewerker van LIMOR heeft geschreeuwd en gescholden. Uit de hiervoor bij 2.12 weergegeven MIC-melding blijkt dat [partij B] zich eerst onbeschoft aan de telefoon heeft gedragen en zich daarna boos en agressief tot de medewerker heeft gewend en daarbij krachttermen, waaronder het k-woord, heeft gebruikt. Toen de medewerker aangaf het gesprek te beëindigen, heeft [partij B] met deuren gegooid en gescholden.
4.10.
Verder volgt uit voornoemde waarschuwingsbrieven dat [partij B] herhaaldelijk de (in het kader van begeleidingsovereenkomst) gemaakte afspraken met LIMOR heeft geschonden.
In de brief van 2 juni 2025 constateert LIMOR onder meer dat [partij B] de afspraken met zijn begeleiders niet nakomt door deze vaak af te zeggen of te verplaatsen, waardoor het niet mogelijk is om te werken aan zijn doelen en om een actueel zorgplan op te stellen. Ondanks het feit dat [partij B] is gewaarschuwd dat hij dit gedrag moet aanpassen, blijkt uit de brief van 2 oktober 2025 dat dit niet (afdoende) is gebeurd: in deze brief is vermeld dat de begeleiders van LIMOR meerdere pogingen hebben gedaan om een plangesprek met [partij B] te voeren, maar [partij B] de afspraken herhaaldelijk is vergeten en heeft afgezegd.
4.11.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [partij B] met zijn gedrag in strijd heeft gehandeld met de gedragsregels die op grond van de begeleidingsovereenkomst voor hem gelden. Van [partij B] kan en mag worden verwacht dat hij zich respectvol richting zijn begeleiders opstelt – zonder tegen hen te schreeuwen en schelden –, dat hij zich begeleidbaar opstelt en zich inzet voor het behalen van de gestelde doelen. Uiteraard moet daarbij rekening worden gehouden met het feit dat [partij B] kampt met psychische problematiek die (deels) de oorzaak vormt voor zijn gedragsproblemen, zoals hij zelf terecht heeft opgemerkt. LIMOR heeft in dat kader meer van [partij B] te accepteren dan in een ‘normale’ situatie het geval is en mag niet lichtzinnig overgaan tot beëindiging van het begeleidingstraject. Dat laat onverlet dat LIMOR de begeleidingsovereenkomst moet kunnen beëindigen als blijkt dat de cliënt – ondanks duidelijke waarschuwingen waarin nadrukkelijk is gewezen op de mogelijkheid tot beëindiging van de begeleiding (en daarmee het gebruik van de woonruimte) – grensoverschrijdend gedrag blijft vertonen en onvoldoende inzet toont en daarmee structureel de voortgang van het begeleidingstraject hindert. Die situatie doet zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor en dat rechtvaardigt beëindiging van de begeleidingsovereenkomst.
4.12.
[partij B] heeft nog naar voren gebracht dat LIMOR de waarschuwing van 2 juni 2025 zou hebben ingetrokken naar aanleiding van een gesprek waarbij ook zijn vader aanwezig was, maar LIMOR heeft dat betwist. Nu [partij B] die stelling niet van onderbouwing heeft voorzien, zal de voorzieningenrechter aan die stelling voorbij gaan.
4.13.
Nu voldoende aannemelijk is dat [partij B] zijn verplichtingen uit hoofde van de begeleidingsovereenkomst niet is nagekomen, heeft LIMOR de begeleidingsovereenkomst met haar brief van 16 december 2025 op terechte gronden opgezegd. Die opzegging is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, zoals [partij B] betoogt. Met de opzegging van de begeleidingsovereenkomst is ook een einde gekomen aan de gebruiksovereenkomst, zodat [partij B] op dit moment zonder recht of titel in de woonruimte verblijft. [partij B] zal de woonruimte daarom moeten ontruimen.
4.14.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Van LIMOR kan niet worden verlangd dat zij deze woonruimte aan [partij B] aan blijft bieden terwijl hij onvoldoende inzet toont en grensoverschrijdend gedrag richting de begeleiders van LIMOR vertoont, als LIMOR die woonruimte ook kan inzetten voor een andere hulpbehoevende. Het belang van LIMOR bij ontruiming van de woonruimte weegt dus zwaarder dan het belang van [partij B] bij behoud van de woonruimte. Uiteraard heeft de ontruiming ingrijpende gevolgen voor [partij B] , die op dit moment niet over alternatieve woonruimte beschikt. [partij B] blijft evenwel onder de vleugels van de gemeente (die door LIMOR is geïnformeerd over de beëindiging en ook over de noodzaak van een geschikt alternatief) en er mag op worden gerekend dat in samenspraak met [partij B] naar een passende voorziening zal worden gezocht. Tegen die achtergrond ziet de voorzieningenrechter aanleiding om – anders dan LIMOR heeft gevorderd – te bepalen dat [partij B] de woonruimte op uiterlijk 1 mei 2026 zal moeten verlaten.
Proceskosten
4.15.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LIMOR worden begroot op:
- dagvaarding € 126,46
- griffierecht € 735,-
- salaris advocaat € 1.177,-
- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.227,46
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in voorwaardelijke reconventie
4.17.
Nu de vordering in conventie is toegewezen, komt de voorzieningenrechter aan de beoordeling van de voorwaardelijke eis in reconventie niet toe.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij B] om de aan hem ter beschikking gestelde woonruimte aan de Badhuisstraat 377 te (2584 HJ) Den Haag uiterlijk op 1 mei 2026 te ontruimen en te verlaten met medeneming van al het zijne en de zijnen, onder afgifte van de sleutels aan LIMOR;
5.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 2.227,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [partij B] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
fjs