Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7194

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698282 / KG ZA 26-82
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruimingsvordering en gedeeltelijke toewijzing geboden ter bescherming woongenot moeder

In deze familiezakenprocedure vordert de zoon ontruiming van de woning waarin zijn moeder woont, stellende dat zij zonder recht of titel verblijft. De moeder betwist dit en voert aan dat zij een recht van opstal heeft, voortvloeiend uit langdurig bezit en eerdere overeenkomsten. De rechtbank oordeelt dat de moeder aannemelijk heeft gemaakt dat zij de woning rechtmatig gebruikt, mede gelet op de lange bewoning sinds 1962 en de verklaring uit 2006 waarin de zoon haar toestemming gaf om te blijven wonen tot haar overlijden.

De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen. De belangenafweging weegt zwaar mee dat de moeder 88 jaar oud is en geen uitzicht heeft op alternatieve woonruimte. De zoon wordt geadviseerd een bodemprocedure te starten voor definitieve duidelijkheid over eigendom.

In reconventie vordert de moeder diverse geboden om haar woongenot te beschermen, waaronder vrije toegang tot het perceel, het ter beschikking stellen van een sleutel van het hek, het terugplaatsen van de brievenbus en het ter beschikking stellen van post. De rechtbank wijst de vorderingen tot vrije toegang en sleutel toe, maar wijst de vordering tot dwangsom en postteruggave af wegens onvoldoende bewijs. De vordering tot het verhinderen van de hond is ingetrokken. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen en de geboden tot vrije toegang en sleutelverstrekking worden toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/698282 / KG ZA 26-82
Vonnis in kort geding van 26 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[partij A]te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. H.B.P. van Weverwijk te Amsterdam,
tegen:
[partij B]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. R. Vane te Alphen aan den Rijn.
Partijen worden hierna ‘ [partij A] ’ en ‘ [partij B] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 februari 2026, met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 16;
- de aanvullende productie 13 van [partij A] .
1.2.
Op 16 februari 2026 is de mondelinge behandeling gehouden. Aan het begin van de zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen en hun advocaten gesproken over de mogelijkheid om het geschil door middel van mediation te beslechten. [partij A] heeft verklaard daarvoor open te staan. [partij B] was echter niet bij de zitting aanwezig, zodat de voorzieningenrechter de mogelijkheid van mediation niet met haar kon bespreken. Om die reden heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de mondelinge behandeling op een latere datum zal worden voortgezet en dat [partij B] daarbij aanwezig zal zijn.
1.3.
Op 26 februari 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Daarbij waren zowel [partij A] en [partij B] als hun advocaten aanwezig. De voorzieningenrechter heeft eerst met partijen gezamenlijk gesproken over de mogelijkheid van mediation. Toen bleek dat partijen daarover geen overeenstemming konden krijgen, is de zaak inhoudelijk behandeld. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, de advocaat van [partij A] mede aan de hand van een overgelegde pleitnota, en partijen hebben vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Aan het eind van de zitting hebben partijen met elkaar gesproken over het bereiken van een oplossing van het geschil, die voor beide partijen de gewenste duidelijkheid zou kunnen geven. Omdat partijen daar meer tijd voor nodig hadden, heeft de voorzieningenrechter de zaak op hun pro forma aangehouden in afwachting van hun berichten. Op 10 respectievelijk 11 maart 2026 hebben partijen de voorzieningenrechter bericht dat zij geen oplossing hebben bereikt en verzocht om vonnis te wijzen. Vervolgens is vonnis bepaald op 30 maart 2026. Het vonnis is heden bij vervroeging uitgesproken.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en op grond van wat er op de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[partij A] is de zoon van [partij B] en haar op [datum] 2014 overleden echtgenoot de heer [naam 1] . [partij B] is geboren op [geboortedatum] 1938 en thans 88 jaren oud.
2.2.
[partij A] is eigenaar van een perceel grond kadastraal bekend [kadastraal kenmerk] (hierna: het perceel). Op dit perceel staan – naast schuren en garages – twee woonhuizen, met adres [adres 1] en [adres 2] . [partij A] woont op [adres 1] en [partij B] woont op [adres 2] .
2.3.
[partij B] en [naam 1] hebben de woning met [adres 2] in 1962 gebouwd op een perceel grond dat destijds eigendom was van de (toenmalig) werkgever van [naam 1] , de heer [naam 2] en zijn zuster, mevrouw [naam 3] . Na de bouw van de woning hebben [partij B] en [naam 1] de woning betrokken en zij hebben daarin ook een gezin gesticht. De kinderen van [partij B] en [naam 1] , onder wie [partij A] , zijn in de woning opgegroeid. De kinderen hebben hun ouderlijk huis inmiddels verlaten. [partij B] woont nog altijd in de woning.
2.4.
In een overeenkomst van 25 december 1991 tussen [naam 1] en mevrouw
[naam 3] zijn onder andere de volgende afspraken neergelegd:

IN AANMERKING NEMENDE:
Dat partijen als genoemd verklaren te zijn overeengekomen dat [partij B] ongehinderd overpad zal verkrijgen naar de bestaande woning in zijn eigendom en geplaatst op het terrein van [naam 2] .
ZIJN VERDER OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:
1)
datbeide partijen een gewijzigde huursom zijn aangegaan per heden;
2)
datthans deze huursom zal gaan bedragen een bedrag van f. 10.00 (zegge tien gulden) per week: incl, berging.
3)
datdeze overeengekomen afwijking van 15 aug 1962 zal gelden tot na het overlijden van de langstlevende van [naam 1] en [partij B] : ook indien [naam 3] komt te overlijden.
4)
datdeze overeengekomen huursom 2% bedraagt van het netto salaris van [partij B] .
5)
dat[partij B] voldoening van huurpenningen zal doen, gelijk voorgaande jaren.
6)
dat[naam 2] [partij B] in het ongehinderd woongenot laat en hem vrijwaart voor alle kosten en moeilijkheden zo verhuurder komt te overlijden, zich in staat van faillissement bevindt, of surseance van betaling.
7)
dat[partij B] zich verplicht geen enkele overlast hoe dan ook en waar van ook aan [naam 2] te veroorzaken. (…)
2.5.
Bij koopovereenkomst van 24 januari 1992 (hierna: de koopovereenkomst) heeft mevrouw [naam 3] de woonhuizen met schuren, garages, erf, tuin en grond staande en gelegen te aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] verkocht aan [partij A] voor een bedrag van fl. 225.000,-. De koopovereenkomst bevat, voor zover nu relevant, de volgende bepaling:

ERFDIENSTBAARHEDEN EN BIJZONDERE BEDINGEN.
6. (…) Het verkochte wordt geleverd voor wat betreft het woonhuis [adres 1] belast met het zakelijk recht van gebruik en bewoning ten behoeve van de verkoper en voor wat betreft het woonhuis nummert [adres 2] onder gestanddoening van de lopende huurovereenkomst ten behoeve van de heer [naam 1] .
(…)
2.6.
De woonhuizen met schuren, garages, erf, tuin en grond staande en gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] zijn bij leveringsakte van 28 april 1992 (hierna: de leveringsakte) aan [partij A] geleverd. De leveringsakte bevat dezelfde bepaling als hiervoor geciteerd bij 2.5.
2.7.
In een door [partij A] en zijn vader [naam 1] ondertekende verklaring, gedateerd ‘10 oktober 2006-10-11’ staat het volgende vermeld:

[plaats] 10 oktober 2006-10-11
Hierbij verklaren wij dat [naam 1] en [partij B] tot aan hun dood in het huis aan de [adres 1] in [plaats] mogen wonen pas als beide er niet meer zijn wordt het pas eigendom van [partij A] .
De huursom bedraagt € 1,00 per jaar over te maken op bankreknr (…)
2.8.
Op 11 februari 2025 heeft [partij A] een brief met de volgende inhoud aan [partij B] gestuurd:

[partij B] .
Ondanks meerdere verzoeken blijft u verzuimen de huur over 2019 t/m 2024 over te maken, de laatste betalingen die ik van u heb gehad zijn van 2016/2017/2018,
Bij dezen zeg ik de huur op, u dient het pand op [adres 2] 1 september 2025 leeg op te leveren.
2.9.
Bij brief van 13 mei 2025 heeft de advocaat van [partij B] aan [partij A] bericht dat een geschil is ontstaan over het gebruiksrecht van de woning met [adres 2] en het financieel beheer van het vermogen van [partij B] . De advocaat van [partij B] heeft in deze brief namens haar uiteengezet dat (i) door verjaring een opstalrecht met betrekking tot [adres 2] en de bijbehorende schuur is ontstaan en [partij B] daarvan dus eigenaar is, (ii) dit opstalrecht eindigt op het moment dat [partij B] overlijdt en (iii) het gebruiksrecht voor de grond kwalificeert als een huurrecht en [partij B] daarvoor een (symbolisch) huurbedrag van € 1,- per jaar is verschuldigd. Verder heeft de advocaat van [partij B] [partij A] gesommeerd om – voor zover nu van belang – het huurrecht van [partij B] te respecteren, de door [partij A] verwijderde brievenbus van [partij B] terug te plaatsen en aan zowel [partij B] als haar bezoekers een ongestoord recht van overpad te verlenen.
2.10.
Bij e-mails van 13 en 19 mei 2025 heeft de advocaat van [partij B] [partij A] geadviseerd om een advocaat in de arm te nemen.
2.11.
Op 1 juli 2025 heeft [partij A] een e-mail aan de advocaat van [partij B] gestuurd waarin hij heeft gereageerd op de sommaties. Ook geeft hij daarin aan hij de financiële administratie van [partij B] heeft ingezien en dat hij daaruit afleidt dat zijn zuster gelden aan het vermogen van [partij B] heeft onttrokken.
2.12.
Bij brief van 21 juli 2025 heeft de advocaat van [partij B] namens haar gereageerd dat [partij B] [partij A] niet financieel heeft benadeeld, noch zijn zuster heeft bevoordeeld. Ook heeft hij namens [partij B] de sommaties uit de brief van 13 mei 2025 herhaald en haar ook gesommeerd om te bevestigen dat hij zal voorkomen dat zijn hond zich zonder toestemming bij of rondom [partij B] zal begeven, zodanig dat hij niet tegen haar zal opspringen. Daarbij is aangezegd dat als [partij A] daaraan niet voldoet, [partij B] een kortgedingprocedure zal starten.
2.13.
In een brief van 12 december 2025 heeft de advocaat van [partij A] aan [partij B] verzocht om te erkennen dat [partij B] zij onder recht of titel op het perceel van [partij A] verblijft. Ook is daarin aan [partij B] verzocht om op korte termijn onderdak elders te zoeken zodat [partij A] kan overgaan tot verkoop van het perceel.
2.14.
De advocaat van [partij B] heeft bij brief van 12 januari 2026 gereageerd dat aan de sommatie geen gevolg wordt gegeven. Ook heeft hij [partij A] namens [partij B] gesommeerd om haar woongenot volledig te respecteren, geen post achter te houden, ongestoord recht van overpad te verlenen aan eenieder die op het perceel moet zijn om de woning van [partij B] te bereiken, de doorgang tot de woning van [partij B] niet te blokkeren en [partij B] in het bezit te stellen van een sleutel die toegang geeft tot het hek van het perceel zodat zij het perceel kan betreden en bereiken, zonder in dat verband afhankelijk te zijn van [partij A] .

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [partij B] zal veroordelen de woning aan de [adres 1] (de voorzieningenrechter begrijpt: [adres 2] ) te [plaats] uiterlijk binnen zes maanden te ontruimen, met veroordeling van [partij B] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voert [partij A] – samengevat – het volgende aan. [partij B] verblijft zonder recht of titel in de woning op [adres 2] . Zij maakt daarmee inbreuk op het eigendomsrecht van [partij A] en hij heeft er een spoedeisend belang bij dat die inbreuk wordt beëindigd. [partij A] is zijn bedrijf aan het afbouwen en is voornemens te emigreren naar [land] . Hij wil het perceel (waarop niet alleen zijn woonhuis maar ook de woning [adres 2] staat) graag verkopen. Voor verkoop is duidelijkheid over de eigendomssituatie vereist en noodzakelijk dat wordt vastgesteld of [partij B] de woning zonder recht of titel bewoont. Gezien de vergevorderde emigratieplannen, het verplaatsen van zijn bedrijf en de voorgenomen verkoop van het perceel heeft [partij A] een spoedeisend belang om duidelijkheid te verkrijgen.
3.3.
[partij B] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
[partij B] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij A] gebiedt aan eenieder die zich vanwege [partij B] op het perceel moet begeven vrije toegang te verlenen tot het perceel en derhalve tot de weg c.q. de doorgang die toegang geeft tot de woning aan de [adres 2] en er daarbij voor te zorgen dat die doorgang steeds minimaal één meter breed is, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding;
II. [partij A] gebiedt binnen één week na het wijzen van vonnis aan [partij B] een sleutel ter beschikking te stellen en ter beschikking gesteld te houden die toegang geeft tot het hekwerk aan de voorzijde van het perceel, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [partij A] verzuimt aan die veroordeling gevolg te geven;
III. [partij A] gebiedt ervoor te zorgen dat de hond zich niet meer bij of nabij [partij B] of de woning aan de [adres 2] kan begeven, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat [partij A] verzuimt aan dat gebod gevolg te geven;
IV. [partij A] gebiedt alle aan [partij B] geadresseerde en voor haar achtergehouden poststukken aan haar ter beschikking te stellen en de brievenbus die toebehoort aan de [adres 2] weer te plaatsen op de oorspronkelijke locatie, althans bij of nabij de voorzijde van het perceel op een zodanige wijze dat de brievenbus voor de postbezorger goed bereikbaar is, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [partij A] weigert aan de veroordeling gevolg te geven;
V. [partij A] te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.5.
Daartoe voert [partij B] – samengevat – het volgende aan. [partij A] verstoort het woongenot van [partij B] ernstig. [partij A] blokkeert vanaf begin 2025 stelselmatig de toegang tot de woning aan de [adres 2] . Dit doet hij door het hek aan de voorzijde van het perceel op slot te draaien, zonder daarbij [partij B] een sleutel van het hek te geven, en door zijn auto’s zodanig te parkeren dat niemand zich naar de [adres 2] kan begeven. Verder is de loslopende hond van [partij A] op 13 juni 2025 tegen [partij B] opgesprongen en daardoor heeft zij een wond op haar onderarm opgelopen. [partij B] is zodanig geschrokken dat zij niet meer in de tuin van haar woning durft te zitten. Tot slot heeft [partij A] de brievenbus bedoeld voor de post van de [adres 2] begin maart 2025 verwijderd, waardoor [partij B] vrijwel geen briefpost meer ontvangt. Meermaals is gebleken dat [partij A] die post achterhoudt voor [partij B] .
3.6.
[partij A] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie
4.1.
[partij A] vordert in deze procedure ontruiming van de woning aan de [adres 2] door [partij B] . Een veroordeling tot ontruiming is een vergaande maatregel, die in de praktijk vaak een definitief karakter zal hebben. Daarom is een vordering tot ontruiming in kort geding alleen toewijsbaar als met grote mate van waarschijnlijkheid is te voorzien dat die vordering in een bodemprocedure toewijsbaar zal zijn. Bovendien moet sprake zijn van zodanig spoedeisend belang dat een beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
4.2.
[partij A] legt aan de ontruimingsvordering ten grondslag dat hij eigenaar is van de woning en dat [partij B] daarin zonder recht of titel verblijft. [partij B] betwist deze stelling van [partij A] en stelt dat aan het gebruik wel degelijk een recht ten grondslag ligt. Ter onderbouwing voert [partij B] aan dat zij de woning in 1962 met haar echtgenoot heeft gebouwd en dat zij daarvan van meet af aan eigenaar waren. Volgens [partij B] hebben zij en haar echtgenoot zich ook altijd als eigenaar van de woning gedragen en slechts betaald voor het gebruik van de grond waarop de woning is gebouwd. Daarmee was sprake van een recht van opstal voor de woning en een gebruiksrecht ten aanzien van de grond, aldus [partij B] . [partij B] wijst erop dat dit eigendomsrecht ook blijkt uit de onder 2.4 weergegeven overeenkomst tussen mevrouw [naam 3] en [naam 1] . Volgens haar is er een recht van opstal ontstaan door middel van verjaring omdat er sprake is van meer dan tien jaren aaneengesloten bezit van de opstallen te goeder trouw (artikel 3:99 lid 1 BW Pro). Ook wijst [partij B] erop dat toen [partij A] eigenaar werd van de grond, hij nooit enig bedrag bij haar en haar echtgenoot in rekening heeft gebracht voor het gebruik van de woning aan de [adres 2] en de ondergrond. Pas in 2006 hebben [partij A] en haar echtgenoot de onder 2.7 weergegeven onderhandse akte getekend waarbij volgens [partij B] een symbolische vergoeding voor het gebruik van de grond en het recht van overpad zou moeten worden voldaan. Volgens [partij B] heeft zij in 2018 een bedrag van € 3,- overgemaakt en ook heeft zij naar eigen zeggen in die periode minimaal
€ 12.000,- in contanten aan [partij A] betaald. Daarmee heeft zij naar eigen zeggen ruimschoots aan haar verplichting tot huurbetaling voldaan.
4.3.
Gelet op het gemotiveerde verweer van [partij B] , kan de voorzieningenrechter op dit moment niet vaststellen dat [partij B] zonder recht of titel in de woning op [adres 2] woont, zoals [partij A] betoogt. Als onweersproken door haar gesteld staat vast dat [partij B] de woning in 1962 met haar echtgenoot heeft gebouwd, dat zij daar inmiddels ruim zestig jaar woont en dat [partij A] al meer dan dertig jaar eigenaar is van het perceel waarop de woning staat en hij [partij B] (tot voor kort) al die tijd ongehinderd in de woning heeft laten wonen. Die omstandigheden in samenhang bezien vormen op zichzelf genomen al een duidelijk aanknopingspunt dat [partij B] de woning op grond van enig recht of titel in gebruik heeft, of dat nou het door [partij B] gestelde opstalrecht is of een (ander) persoonlijk gebruiksrecht. Uit de in 2006 door [partij A] en zijn vader ondertekende verklaring, waarin staat dat [partij B] en [naam 1] “
tot aan hun dood in het huis aan de [adres 1] in [plaats] mogen wonen pas als beide er niet meer zijn wordt het pas eigendom van [partij A]” en waarin is afgesproken dat [partij B] en [naam 1] jaarlijks een bedrag van € 1,- aan huur betalen, volgt naar voorshands oordeel in elk geval dat [partij A] zijn moeder toestemming heeft gegeven om in de woning te wonen tot aan haar overlijden.
4.4.
Nu [partij A] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [partij B] de woning zonder recht of titel gebruikt, bestaat voor toewijzing van de ontruimingsvordering geen grond. De vordering moet reeds om die reden worden afgewezen.
4.5.
Een belangenafweging kan hoe dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Het belang van de 88-jarige [partij B] om haar woonruimte te behouden weegt, gelet op haar hoge leeftijd en het feit dat zij daar al ruim 60 jaar woont en bovendien geen uitzicht heeft op alternatieve woonruimte, zwaarder dan het belang van [partij A] om zijn perceel te kunnen verkopen zonder dat [partij B] in de woning met [adres 2] woont.
4.6.
[partij A] heeft nog naar voren gebracht dat hij – in het kader van de voorgenomen verkoop – graag duidelijkheid wenst over de eigendomssituatie met betrekking tot de woning. De voorzieningenrechter kan zich dat voorstellen, maar daarvoor is een kortgedingprocedure niet de geëigende weg. In een kort geding kan de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel geven en dus geen bindende uitspraken doen over de eigendomssituatie. Daarvoor zal [partij A] een bodemprocedure moeten beginnen.
4.7.
Slotsom is dat de vordering van [partij A] wordt afgewezen. In de familierechtelijke aard van dit geschil wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
in reconventie
4.8.
Volgens [partij B] verstoort [partij A] haar woongenot op verschillende manieren en daarom heeft zij in reconventie diverse geboden voor [partij A] gevorderd. De voorzieningenrechter zal de gevorderde geboden hieronder afzonderlijk bespreken.
Het verlenen van toegang tot het perceel (vordering I.)
4.9.
[partij B] stelt ten eerste dat [partij A] sinds 2025 stelselmatig de toegang tot de woning blokkeert met het parkeren van zijn auto. Daarom vordert [partij B] een gebod voor [partij A] om toegang te verlenen aan ieder die zich vanwege [partij B] op het perceel moet begeven, waarbij [partij A] ervoor moet zorgen dat de doorgang steeds één meter breed is, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.10.
Nu [partij A] deze stellingen van [partij B] niet heeft weersproken, zal de voorzieningenrechter het gevorderde gebod toewijzen. Voor oplegging van een dwangsom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. [partij A] heeft tijdens de voortgezette mondelinge behandeling verklaard dat hij zijn auto inmiddels op een andere plek parkeert en dat de doorgang naar de woning van [partij B] daarmee weer vrij is. Gelet daarop gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [partij A] zich aan het gebod zal houden. De gevorderde dwangsom zal daarom worden afgewezen.
Het ter beschikking stellen van een sleutel van het hek (vordering II.)
4.11.
[partij B] stelt verder dat [partij A] stelselmatig het hek aan de voorzijde van het perceel op slot draait, terwijl hij geen sleutel van het hek aan [partij B] ter beschikking stelt. [partij B] vordert daarom een gebod voor [partij A] om aan [partij B] een sleutel ter beschikking te stellen en gesteld te houden die toegang geeft tot het hekwerk aan de voorzijde van het perceel, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.12.
[partij A] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij inmiddels een sleutel van het hek heeft teruggehangen op de plek achter de brievenbus, zodat [partij B] daarmee het hek kan openen. [partij B] heeft desgevraagd verklaard dat zij daarmee uit de voeten kan. De voorzieningenrechter zal de vordering van [partij B] daarom toewijzen in die zin dat [partij A] de sleutel van het hek zal terughangen op de plek bij de brievenbus. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [partij A] de sleutel zal laten hangen en ziet geen aanleiding om aan de veroordeling tot het terughangen van de sleutel een dwangsom te verbinden.
Het verhinderen dat de hond in de buurt van [partij B] en haar woning komt (vordering III.)
4.13.
[partij B] heeft de vordering onder III. ter zitting ingetrokken. Deze vordering behoeft daarom geen bespreking meer.
Het terugplaatsen van de brievenbus en het ter beschikking stellen van achtergehouden post (vordering IV.)
4.14.
Tot slot heeft [partij B] gevorderd dat [partij A] de brievenbus van [adres 2] op de oorspronkelijke plek terugplaatst en dat hij de achtergehouden post aan [partij B] ter beschikking stelt, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Volgens haar heeft [partij A] haar brievenbus ten onrechte verwijderd en heeft hij ook post van haar achtergehouden.
4.15.
Tijdens de zitting heeft [partij A] verklaard dat hij de brievenbus van [adres 2] heeft weggehaald, omdat het hek moest worden opgehoogd zodat zijn hond niet kan ontsnappen. [partij A] heeft verder verklaard dat hij de brievenbus van [adres 2] aan [partij B] heeft teruggegeven. Ook heeft hij toegezegd dat [partij B] een paal in de grond mag slaan op de oorspronkelijke plek van de brievenbus en dat zij de brievenbus aan deze paal mag bevestigen. Ervan uitgaande dat [partij A] die toezegging gestand doet, heeft [partij B] haar vordering op dit punt ingetrokken. Dit deel van de vordering behoeft daarom geen bespreking meer.
4.16.
Verder geldt dat de vordering strekkende tot het ter beschikking stellen van achtergehouden post niet toewijsbaar is. [partij A] heeft weersproken dat hij post van [partij B] heeft achtergehouden en [partij B] heeft die stelling niet van enige onderbouwing voorzien, zodat de voorzieningenrechter daaraan voorbij zal gaan. De vordering zal op dit punt worden afgewezen.
4.17.
Slotsom is dat de vorderingen van [partij B] gedeeltelijk worden toegewezen op de in het dictum vermelde wijze.
4.18.
In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
5.3.
gebiedt [partij A] eenieder die zich vanwege [partij B] op het perceel moet begeven vrije toegang te verlenen tot het perceel en derhalve tot de weg c.q. de doorgang die toegang geeft tot de woning aan de [adres 2] te [plaats] en er daarbij voor te zorgen dat die doorgang steeds minimaal één meter breed is;
5.4.
gebiedt [partij A] om aan [partij B] een sleutel ter beschikking te stellen en ter beschikking gesteld te houden die toegang geeft tot het hekwerk aan de voorzijde van het perceel, door deze sleutel terug te hangen op de plek achter de brievenbus;
5.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op
26 maart 2026.
fjs