Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7217

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL26.5784
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van de aanvraag.

De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Uit berichten van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers blijkt dat eiser op 5 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft op 6 februari 2026 verklaard geen contact meer te hebben met eiser en zich te onttrekken van de zaak.

Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder mededeling van verblijfplaats vertrekt, geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland, tenzij hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Gezien het ontbreken van contact en het vertrek met onbekende bestemming, concludeert de rechtbank dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5784

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser,

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 9 februari 2026 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 5 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 6 februari 2026 heeft de gemachtigde van eiser, mr. M.J. Paffen, meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser. Tevens heeft de gemachtigde aangegeven zich te onttrekken.
2.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. [1] Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
2.2.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.