ECLI:NL:RBDHA:2026:723

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/694644 / KG ZA 25-1132
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot terbeschikkingstelling van strafdossier in het kader van Murray-onderzoek

In deze zaak vordert eiser, verblijvende in de penitentiaire inrichting, dat de Staat wordt veroordeeld om zijn strafdossier ter beschikking te stellen, dan wel om hem toe te staan een SD-kaart met een afschrift van het strafdossier in te voeren. Eiser heeft ingestemd met deelname aan een Murray-onderzoek, waarbij zijn geestelijke gezondheid wordt onderzocht in het kader van re-integratie. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eiser af, omdat er geen wettelijke basis is voor het verstrekken van het strafdossier aan eiser. De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) biedt geen recht op verstrekking van het strafdossier aan veroordeelden. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd welk concreet belang hij heeft bij de verstrekking van het volledige strafdossier. De voorzieningenrechter concludeert dat de Staat niet verplicht kan worden om het strafdossier ter beschikking te stellen, en dat er geen schending van artikel 3 EVRM is. Eiser wordt in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694644 / KG ZA 25-1132
Vonnis in kort geding van 9 januari 2026
in de zaak van
[eiser]verblijvende in de PI [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. S.L.T.A. Scheepers te Venlo,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid)te
Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. M. Beekes te Den Haag.
Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 november 2025, met producties 1 tot en met 10;
- de producties 1 tot en met 6 van de Staat;
- de aanvullende producties 11 en 12 van [eiser] ;
- de akte eiswijziging van [eiser] .
1.2.
Op 23 december 2025 is de mondelinge behandeling in deze zaak gehouden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van een pleitnota. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] is op 29 juni 2017 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf in het ‘ [proces] ’.
2.2.
Op 1 maart 2017 is het Besluit houdende de instelling van een Adviescollege levenslanggestraften (Besluit ACL) in werking getreden. Het Besluit ACL voorziet in een regeling, waarbij uiterlijk 25 jaar na het begin van de detentie van een levenslanggestrafte door het daarvoor aangestelde Adviescollege levenslanggestraften (het Adviescollege) een advies wordt uitgebracht over het aanbieden van re-integratieactiviteiten aan levenslanggestraften, bestaande uit activiteiten, inclusief verlof, die de gedetineerde in aanvulling op de resocialisatieactiviteiten in staat stellen om te werken aan de voorbereiding op een mogelijke terugkeer in de samenleving.
2.3.
Op 10 oktober 2022 is [eiser] in het kader van de procedure van het Adviescollege uitgenodigd voor een zogenoemd ‘Murray-onderzoek’: een Pro Justitia onderzoek dat sinds 2020 wordt uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). Bij het Murray-onderzoek wordt door een psychiater en een psycholoog onderzocht of bij de levenslanggestrafte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens die leidt tot een (hoog) recidiverisico dat gevolgen heeft tot eventuele toelating van de levenslanggestrafte tot de re-integratiefase. Als dat het geval is, wordt onderzocht of succesvolle behandeling tot verlaging van het recidiverisico mogelijk is.
2.4.
[eiser] heeft ingestemd met het instellen van dit onderzoek, onder de voorwaarde dat (i) de gesprekken met de gedragsdeskundigen auditief worden opgenomen en
(ii) [eiser] tijdens het onderzoek kan beschikken over het dossier in de strafzaak tegen hem.
2.5.
Bij brief van 30 januari 2023 heeft de directeur van de Divisie Individuele Zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) namens de minister voor Rechtsbescherming op dat verzoek van [eiser] gereageerd. In deze brief staat, voor zover nu relevant, het volgende:
“Bij brief van 10 oktober 2022 hebben wij u uitgenodigd voor deelname aan het Murray-onderzoek en u verzocht ons te laten weten of u hiermee instemt (zie bijlage). (…)
In reactie op onze uitnodiging heeft u een drietal voorwaarden gesteld, te weten:
1. U wenst dat uw gesprekken met de onderzoekers worden opgenomen;
2. U wenst, in het kader van het onderzoek, te beschikken over uw strafdossier;
3. U wenst meer duidelijkheid over de uitvoering van het onderzoek.
1. Voorwaarde: opnemen gesprekken onderzoekers.
Uw vraag heb ik besproken met het NIFP. Het NIFP heeft mij laten weten dat gesprekken in dergelijke onderzoeken niet worden opgenomen. Omdat een ieder zich vrij moet voelen tijdens het gesprek, is het conflicterend met de aard van het onderzoek om opnames te maken.
Aan de door u gestelde voorwaarde kan dus niet worden voldaan.
2. Voorwaarde: te beschikken over uw strafdossier
Met deze voorwaarde kan worden ingestemd.
3. Voorwaarde: Meer duidelijkheid over de uitvoering van het Murray-onderzoek
Om u een beeld te geven van de vragen die door de onderzoekers beantwoord gaan worden, heb ik het format met de vraagstelling bijgevoegd. Zoals uit deze vragen blijkt, ziet het Murray-onderzoek op vragen over uw persoonlijkheid en of er sprake zou kunnen zijn van een stoornis. Indien u instemt met het Murray-onderzoek gaat het NIFP op zoek naar twee gedragsdeskundigen, een psychiater en een psycholoog, die u gaan bezoeken in de PI. Aan de hand van het gesprek met u gaan de gedragsdeskundigen onderzoeken of bij u sprake is van een stoornis. En zo ja, of deze stoornis ertoe leidt dat sprake is van een (hoog) recidiverisico die gevolgen heeft voor uw eventuele toelating tot de re-integratiefase. De uitkomst van het onderzoek heeft daarmee als doel om te bepalen of u een behandeling nodig heeft. Het resultaat van het gesprek wordt verwerkt in een rapportage en deze rapportage wordt met u besproken.
(…)”
2.6.
[eiser] heeft in de periode daarna bij de directeur van de PI een verzoek ingediend om een laptop met daarop zijn strafdossier en tekstverwerkingsprogramma in te mogen voeren en op zijn cel te mogen hebben, zodat hij aan zijn gratieverzoek en studie kan werken. De directeur van de PI heeft dat verzoek afgewezen. [eiser] heeft tegen die afwijzing een klacht ingediend. Op 23 november 2023 heeft de beklagrechter die klacht gegrond verklaard en de directeur van de PI opdracht gegeven om een nieuwe beslissing te nemen. Vervolgens heeft de directeur van de PI nogmaals besloten tot afwijzing van het verzoek. Tegen die afwijzing heeft [eiser] opnieuw een klacht ingediend. Op 30 mei 2024 heeft de beklagrechter de klacht van [eiser] ongegrond verklaard. [eiser] heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). Bij uitspraak van 8 januari 2025 heeft de beroepscommissie van de RSJ het beroep van [eiser] ongegrond verklaard en de uitspraak van de beklagrechter bevestigd met aanvulling van de gronden.
2.7.
Op 21 augustus 2025 heeft de advocaat van [eiser] aan het openbaar ministerie (OM) bericht dat de gesprekken in het kader van het (hiervoor bij 2.3. genoemde) Murray-onderzoek inmiddels zijn gestart en [eiser] het strafdossier nodig heeft in voorbereiding op het gesprek met de psychologen. Namens [eiser] is het OM daarom verzocht om een USB-stick te prepareren met daarop het complete procesdossier van de strafzaak tegen [eiser] en om deze USB-stick vervolgens aan DJI ter beschikking te stellen zodat de laptop met USB-stick ingevoerd kunnen worden in de PI.
2.8.
Daarop heeft de advocaat van de Staat, namens de DJI en het OM, bij e-mail van
8 oktober 2025 gereageerd dat de DJI geen bezwaar heeft tegen het verstrekken van een speciale DJI-laptop waarop een USB-stick met daarop het strafdossier kan worden gebruikt, maar dat het strafdossier uit de (afgesloten) strafzaak door het OM moet worden verstrekt en dat het OM het strafdossier juridisch en feitelijk niet kan aanleveren op een USB-stick die kan worden gebruikt met de DJI-laptop.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven en na eiswijziging – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. de Staat verplicht om, binnen twee weken na betekening van het vonnis, [eiser] voor onbepaalde tijd zijn strafdossier uit het [proces] beschikbaar te stellen in de PI, dan wel [eiser] toe te staan om de SD-kaart in te voeren met daarop zijn strafdossier uit het [proces] ;
subsidiair
II. de Staat verplicht om, binnen twee weken na betekening van het vonnis, voor de duur van het Murray-onderzoek zijn strafdossier uit het [proces] beschikbaar te stellen, dan wel [eiser] toe te staan om gedurende het Murray-onderzoek de SD-kaart in te voeren met daarop zijn strafdossier uit het [proces] ;
primair en subsidiair
III. de Staat verplicht om een direct opeisbare dwangsom te betalen van € 5.000,- per dag voor elke dag dat de Staat in strijd handelt met de verplichtingen onder I. en II., met een maximum van € 150.000,-;
IV. de Staat veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Volgens [eiser] handelt de Staat onrechtmatig en in strijd met artikel 3 EVRM door te weigeren zijn strafdossier ter beschikking te stellen c.q. raadpleegbaar te maken. Ten eerste heeft zowel de DJI, de directeur van de PI als de advocaat van de Staat toegezegd dat het complete strafdossier ter beschikking wordt gesteld met het oog op het Murray-onderzoek en het opstellen van een gratieverzoek. Door te weigeren het strafdossier ter beschikking te stellen, komt de Staat die toezegging niet na. Ook ontneemt de Staat [eiser] daarmee de mogelijkheid om effectief gebruik te maken van het Murray-onderzoek en het op effectieve wijze opstellen van een gratieverzoek, met als gevolg dat inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op het kunnen verkrijgen van verlof/kunnen aanvragen van gratie. De Staat biedt daarmee geen adequaat zicht op vrijlating en dat is in strijd met artikel 3 EVRM. [eiser] heeft verder een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat het Murray-onderzoek inmiddels van start is gegaan en hij nog steeds niet over zijn strafdossier beschikt.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
[eiser] stelt dat de Staat moet worden veroordeeld om zijn strafdossier (tijdelijk) ter beschikking te stellen althans om toe te staan dat [eiser] een SD-kaart met een afschrift van het strafdossier in de PI invoert. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en zal dat oordeel hieronder toelichten.
4.2.
Op de zitting heeft [eiser] verklaard dat hij over het strafdossier wenst te kunnen beschikken in het kader van het onder 2.3. genoemde Murray-onderzoek en de voorzieningenrechter zal dat dan ook als uitgangspunt nemen bij de beoordeling.
4.3.
Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, bestaat geen wettelijke grondslag voor het verstrekken van het strafdossier aan [eiser] in het kader van het Murray-onderzoek. Het gaat hier om het verstrekken van strafvorderlijke gegevens waarop de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing is. De Wjsg kent echter geen recht van [eiser] als veroordeelde op verstrekking van het strafdossier. Uit de artikelen 39e en 39f Wjsg volgt dat het verstrekken van strafvorderlijke gegevens noodzakelijk moet zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang en alleen mogelijk is aan de in artikel 39e Wjsg genoemde personen of instanties, of aan personen of instanties op één van de in artikel 39f Wjsg genoemde gronden. [eiser] is geen persoon in de zin van artikel 39e Wjsg en niet gesteld of gebleken is dat het Murray-onderzoek past binnen één van de in artikel 39f Wjsg genoemde gronden. Voor verstrekking van het strafdossier aan [eiser] bestaat dus geen wettelijke basis.
4.4.
[eiser] stelt dat zowel de DJI, de directeur van de PI als de advocaat van de Staat heeft toegezegd dat hij de beschikking krijgt over zijn complete strafdossier en dat de Staat die (aan hem toe te rekenen) toezegging moet nakomen. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat in de door de DJI – namens de minister voor Rechtsbescherming – gestuurde brief van 30 januari 2023 de mededeling bevat dat ermee wordt ingestemd dat [eiser] gedurende het Murray-onderzoek over het strafdossier zal kunnen beschikken. [eiser] had zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter moeten realiseren dat het strafdossier feitelijk door het OM moet worden verstrekt en (dus) uitsluitend het OM kan bepalen of het, gezien de moeite die het kost om het uiterst omvangrijke strafdossier ter beschikking te stellen, reëel en haalbaar is om aan deze wens van [eiser] te voldoen. De inwilliging van de wens van [eiser] in de brief van 30 januari 2023 kan in zoverre niet als een bindende toezegging worden gezien op grond waarvan het OM het strafdossier aan [eiser] moet verstrekken, mede omdat uit die brief niet blijkt dat de instemmende verklaring mede namens het OM werd overgebracht.
4.5.
[eiser] heeft onvoldoende onderbouwd welk concreet belang hij heeft bij de verstrekking van het (volledige) strafdossier. Dat de gedragsdeskundigen bij het Murray-onderzoek over het strafdossier beschikken, zoals [eiser] meent en de voorzieningenrechter voorlopig aanneemt, wil nog niet zeggen dat de onderzoekers hem zullen bevragen over de inhoud van de strafzaak. Het doel van het Murray-onderzoek is om vast te stellen of sprake is van een stoornis bij [eiser] en of en in hoeverre er sprake is van een recidiverisico. De vragen zullen dus vooral gaan over de persoonlijkheid van [eiser] , zoals ook uit de door de Staat overgelegde ‘algemene vraagstelling’ volgt die de gedragsdeskundigen bij het onderzoek hanteren. Uiteraard zullen in dit verband ook de delicten waarvoor [eiser] is veroordeeld in het onderzoek aan bod komen. Dat [eiser] eventuele vragen daarover niet adequaat en gemotiveerd zou kunnen beantwoorden zonder te beschikken over het zeer omvangrijke strafdossier (de Staat spreekt van circa 800 ordners met elk 500 bladzijden inhoud), valt op voorhand echter niet in te zien. Dat geldt temeer als wordt bedacht dat de gedragsdeskundigen het dossier alleen zullen raadplegen voor de door hen te geven beoordeling van het recidiverisico, niet om een oordeel te geven over de door [eiser] gepleegde feiten; dat (vaststaande, rechterlijk) oordeel is voor de deskundigen een gegeven. Anders dan [eiser] betoogt, is van een schending van artikel 3 EVRM naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit licht dan ook geen sprake.
4.6.
Gezien de enorme omvang van het dossier heeft het OM het strafdossier tijdens het strafproces behoeve van [eiser] op een SD-kaart gezet en deze aan [eiser] verstrekt. Hoewel deze SD-kaart volgens [eiser] nog steeds beschikbaar is (de advocaat van [eiser] heeft deze op de zitting aan de voorzieningenrechter getoond), heeft de Staat naar voren gebracht dat de huidige laptops waarover de PI beschikt geen ondersteuning bieden voor de software die nodig is om de SD-kaart te kunnen uitlezen. [eiser] heeft eerst tijdens de zitting naar voren gebracht dat er in de PI waarin hij verblijft wél zo’n laptop voorhanden is. Omdat de Staat – die dat onaannemelijk vond – dit eerst ter zitting vernam heeft de Staat dat bij gebrek aan wetenschap betwist. Bij gebrek aan nadere onderbouwing door [eiser] moet de voorzieningenrechter er in dit kort geding van uitgaan dat het niet mogelijk is om de SD-kaart via een laptop in de PI uit te lezen. Verder heeft de Staat onweersproken naar voren gebracht dat het niet zeker is dat het volledige strafdossier of de inhoud van de SD-kaart in pdf-format kan worden omgezet. Als het al zou kunnen, is de inschatting van de Staat dat het printen, opnieuw scannen, digitaal doorzoekbaar maken, categoriseren en op een USB-stick plaatsen van de stukken
een week per dossiermapin beslag kan nemen.
4.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan zo’n omvangrijke exercitie, zonder dat is gebleken van een voldoende (concreet) belang van [eiser] daarbij, op dit moment niet van de Staat worden gevergd. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] daarom afwijzen.
4.8.
De voorzieningenrechter merkt ten overvloede nog op dat op een toekomstig verzoek van [eiser] mogelijk wel positief gereageerd zou behoren te worden door de Staat als [eiser] zich met een (veel) concreter verzoek tot het OM wendt. Daarbij zou [eiser] duidelijk moeten maken op welke concrete vragen – naar aanleiding van het gesprek met de gedragsdeskundigen – hij zonder bepaalde, specifiek omschreven, stukken uit het strafdossier niet adequaat kan reageren en er daarom belang bij heeft over die specifieke passages te beschikken. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de Staat zo’n verzoek met (eerder ook getoonde) welwillendheid in behandeling zal nemen.
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 714,-
- salaris advocaat € 1.107,-
- nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.999,-
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
fjs