ECLI:NL:RBDHA:2026:7269

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/22712
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit Proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling minister na intrekking beroep mvv-aanvraag

Verzoeker diende op 22 augustus 2024 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor familieleden. Na uitblijven van een besluit stelde verzoeker een eerste beroep in, waarop de rechtbank op 29 april 2025 oordeelde dat de minister binnen acht weken een besluit moest nemen en een dwangsom oplegde bij overschrijding.

Op 26 november 2025 stelde verzoeker een tweede beroep in tegen het uitblijven van een beslissing. De minister besloot op 10 december 2025 alsnog dat de ambassade de mvv’s mocht afgeven. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om veroordeling van de minister in de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker op het moment van het tweede beroep nog procesbelang had, ondanks dat de maximale dwangsom nog niet was bereikt. De minister werd veroordeeld tot betaling van € 467,- aan proceskosten, waarbij rekening werd gehouden met de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele gemachtigde. Het verzoek om griffierechtvrijstelling werd toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter Schaaf op 13 maart 2026.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 467,- na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/22712

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Fouad Fattal),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: M.G. Meyboom-de Jong).

Inleiding

1. Verzoeker heeft op 22 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn familieleden.
1.1.
De rechtbank heeft op een eerder beroep gericht tegen het uitblijven van een beslissing op deze aanvraag uitspraak gedaan, welke uitspraak is verzonden op 29 april 2025 (zaaknummer AWB 25/6888). De rechtbank heeft dat beroep gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd. Verder heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak, een besluit te nemen. Als de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en hij dat aan verzoeker meedeelt, dan moet het besluit binnen twintig weken bekend worden gemaakt. De rechtbank bepaalt tot slot dat de minister een dwangsom moet betalen van € 100,- voor elke dag waarmee hij de genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
1.2.
Op 26 november 2025 heeft verzoeker voor de tweede keer beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag.
1.3.
De minister heeft op 10 december 2025 besloten dat de Nederlandse ambassade de gevraagde mvv’s mag afgeven. Verzoeker heeft hierop op 11 februari 2026 het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.
1.4.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank meegedeeld zich te verzeten tegen de veroordeling in de proceskosten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting. [1]
3. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener. [2]
4. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. De minister heeft immers op 10 december 2025 alsnog een besluit op de aanvraag van verzoeker genomen.
5. De minister stelt dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling, omdat op het moment dat verzoeker het onderhavige beroep indiende de maximale rechterlijke dwangsom nog niet was bereikt. Om die reden zou het beroep van verzoeker
niet-ontvankelijk zijn geweest.
6. Dit volgt de rechtbank niet. In beginsel blijft immers bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit procesbelang bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. [3] Dit betekent dat verzoeker op het moment dat hij beroep instelde op 26 november 2025 nog procesbelang had. Bij de vraag of er bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen opnieuw een dwangsom moet worden opgelegd en zo ja hoe hoog, kan de rechter wel betrekken dat een eerder door haar opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. [4]
7. Het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
8. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting griffierecht te betalen vanwege betalingsonmacht. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe. De minister is dan ook niet gehouden om op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag
van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Zie onder 6.1 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 27 november 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4865.
4.Zie ook onder 6.1 van de uitspraak van de ABRvS van 27 november 2024.