Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7274

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL26.14900
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 Vw 2000Art. 1 Wet op de Identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen ophouding op grond van artikel 50 Vreemdelingenwet 2000

Eiser is op 11 maart 2026 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 behandeld, waarbij eiser niet is verschenen maar zich heeft laten vertegenwoordigen.

Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder het ontbreken van stukken over het strafrechtelijk voortraject, een onjuiste wettelijke grondslag voor de ophouding, overschrijding van de maximale duur van ophouding, het ontbreken van het model M122 in het dossier en onrechtmatig verblijf. De rechtbank oordeelde dat de ambtenaar terecht had gesteld dat de ophouding aansluitend op de strafrechtelijke detentie had plaatsgevonden en dat de identiteit van eiser via biometrische registratie was vastgesteld.

De vermeende overschrijding van de ophoudingsduur bleek een kennelijke verschrijving te zijn, zonder nadelige gevolgen voor eiser. Het ontbreken van het model M122 werd niet als onrechtmatigheid aangemerkt omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij hierdoor in zijn belangen was geschaad. Ten aanzien van het verblijf oordeelde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd, zodat het verwijderingsbesluit nog steeds van kracht is.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, Vw 2000 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14900

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen (de ambtenaar)

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

Eiser is op 11 maart 2026 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser is niet verschenen.

Overwegingen

Ophouding aansluitend aan de strafrechtelijke detentie
1. Eiser voert aan dat ten onrechte geen stukken zijn overgelegd die zien op het strafrechtelijk voortraject. Op deze manier is niet te controleren of het tijdstip van de ophouding direct aansluit bij het einde van de strafrechtelijke detentie en of eiser mogelijk enige tijd zonder titel van zijn vrijheid is beroofd.
1.1.
Dit betoog slaagt niet. De ambtenaar heeft in het door hem opgemaakte proces-verbaal van ophouding vermeld dat de ophouding aansluitend op de strafrechtelijke detentie heeft plaatsgevonden. Eiser heeft geen redenen gegeven om aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen.
Grondslag van de ophouding
2. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste wettelijke grondslag (artikel 50, derde lid, van de Vw 2000) is opgehouden. Eiser betoogt dat zijn identiteit nog niet was vastgesteld toen hij werd opgehouden. In het model M105-A [1] onder punt 6 staat immers dat eiser niet beschikte over een in artikel 1 van Pro de Wet op de Identificatieplicht aangewezen document. De ophouding had daarom gebaseerd moeten zijn op artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000.
2.1.
Eiser is op 11 maart 2026 om 08:10 uur overgenomen en opgehouden, aansluitend op strafrechtelijke detentie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ambtenaar terecht gesteld dat eisers identiteit bekend was geworden vanuit het strafrechtelijk voortraject. Uit het model M105-A volgt onder punt 9 dat eiser weliswaar geen identiteitsdocument heeft overgelegd, maar dat hij eerder biometrisch is geregistreerd in de Basisvoorziening Identificatie. Om deze reden kon eisers identiteit na afname van vingerafdrukken onmiddellijk worden vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Duur van de ophouding
3. Eiser voert aan dat uit het model M105-A volgt dat hij op 11 maart 2026 om 08:10 uur is opgehouden en dat zijn vrijheidsontneming op 16 maart 2026 om 12:30 uur is beëindigd. Hiermee is sprake van een overschrijding van de termijn van zes uur, neergelegd in artikel 50, derde lid, van de Vw 2000.
3.1.
De ambtenaar heeft tijdens de zitting toegelicht dat de datum 16 maart 2026 en het tijdstip 12:30 uur een kennelijke verschrijving betreft. Onder punt 9 in het model M105-A staat immers dat eiser op 11 maart 2026 om 11:19 uur is heengezonden. Op 16 maart 2026 om 12:30 uur is aan eiser een meldplicht opgelegd. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Niet is gebleken dat eiser door deze verschrijving in zijn belangen is geschaad, waardoor dit niet leidt tot vaststelling van een onrechtmatigheid in de ophouding. De beroepsgrond slaagt niet.
Model M122
4. Eiser voert aan dat in het model M105-A staat dat aan eiser het model M122 is uitgereikt. Het model M122 bevindt zich echter niet in het dossier.
4.1.
Uit paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Als een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moet worden omdat feitelijk vertrek aansluitend aan de strafrechtelijke detentie niet mogelijk is, deelt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling tijdens de strafrechtelijke detentie mee dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Hier wordt de vreemdeling geïnformeerd over de verdere te volgen procedure. Deze mededeling wordt, met gebruikmaking van model M122, aan de vreemdeling uitgereikt.
4.2.
De ambtenaar heeft er tijdens de zitting op gewezen dat aan eiser geen maatregel van bewaring is opgelegd, maar een meldplicht. Nu aan eiser geen maatregel van bewaring is opgelegd, is de ambtenaar van mening dat aan het formulier M122 geen betekenis toekomt. Op zichzelf kan de ambtenaar hierin niet worden gevolgd. Het formulier M122 is bedoeld om eiser te informeren dat hij na zijn detentie wordt overgedragen aan de vreemdelingrechtelijke keten en wordt overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Dit om te bezien of hij in bewaring moet worden gesteld. Of die maatregel uiteindelijk ook daadwerkelijk wordt opgelegd, doet aan de betekenis van het formulier M122 niet af. In dit geval is de rechtbank echter van oordeel dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt welk belang bestaat bij het opnemen van de M122 in het dossier. Eiser betwist immers niet dat die is uitgereikt. Het betoog slaagt niet.
(On)rechtmatig verblijf
5. Eiser voert aan dat ten onrechte wordt gesteld dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Het aan eiser opgelegde verwijderingsbesluit is uitgewerkt. Om die reden is de ophouding onrechtmatig geweest.
5.1.
Tijdens de zitting heeft de ambtenaar verwezen naar het arrest F.S. [2] , waaruit volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Tot slot is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat die het verwijderingsbesluit heeft genomen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit. Aan eiser is op 8 juli 2024 een verwijderingsbesluit uitgereikt en hij heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt dat hij het centrum van zijn leven buiten Nederland heeft verplaatst. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij rechtmatig verblijf heeft in Nederland, omdat hij arbeid verricht of heeft aangetoond werkzoekend te zijn. Het door eiser overgelegde vrijwilligerscontract volstaat hiertoe niet, reeds omdat het niet is gedateerd.
Daarnaast acht de rechtbank van belang dat de ambtenaar er tijdens de zitting terecht op heeft gewezen dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij buiten Nederland een bestendig leven heeft opgebouwd. Het enkele fysieke vertrek volstaat immers niet. De ambtenaar heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit en dat dit besluit nog steeds geldt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van ophouding en onderzoek als bedoeld in artikel 50 van Pro de Vw 2000.
2.Hof van Justitie 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506.