ECLI:NL:RBDHA:2026:7274
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen ophouding op grond van artikel 50 Vreemdelingenwet 2000
Eiser is op 11 maart 2026 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 behandeld, waarbij eiser niet is verschenen maar zich heeft laten vertegenwoordigen.
Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder het ontbreken van stukken over het strafrechtelijk voortraject, een onjuiste wettelijke grondslag voor de ophouding, overschrijding van de maximale duur van ophouding, het ontbreken van het model M122 in het dossier en onrechtmatig verblijf. De rechtbank oordeelde dat de ambtenaar terecht had gesteld dat de ophouding aansluitend op de strafrechtelijke detentie had plaatsgevonden en dat de identiteit van eiser via biometrische registratie was vastgesteld.
De vermeende overschrijding van de ophoudingsduur bleek een kennelijke verschrijving te zijn, zonder nadelige gevolgen voor eiser. Het ontbreken van het model M122 werd niet als onrechtmatigheid aangemerkt omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij hierdoor in zijn belangen was geschaad. Ten aanzien van het verblijf oordeelde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd, zodat het verwijderingsbesluit nog steeds van kracht is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, Vw 2000 is ongegrond verklaard.