Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7276

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL26.14753
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking

De minister van Asiel en Migratie legde op 10 maart 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 24 maart 2026.

Eiser voerde aan dat er geen risico op onttrekking aan het toezicht bestond, omdat hij bereid was mee te werken aan zijn terugkeer naar Algerije en dit ook had getoond door het overleggen van een kopie van zijn paspoort en deelname aan het vertrektraject. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht uitging van een risico op onttrekking, mede gelet op de zware gronden uit het Vreemdelingenbesluit en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen bij eiser.

Voorts stelde eiser dat de minister een lichter middel had moeten toepassen. De rechtbank vond dat de minister, gezien het onttrekkingsrisico en de omstandigheden, niet gehouden was tot een minder ingrijpende maatregel. Ook het verwijt van onvoldoende voortvarendheid bij de uitzettingsprocedure werd verworpen, omdat de minister binnen een korte periode na de strafrechtelijke detentie de nodige stappen had gezet.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14753

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn via beeldverbinding verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bestaat er een risico op onttrekking aan het toezicht?
1. Eiser voert aan dat geen sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Hij stelt dat hij bereid is mee te werken aan zijn terugkeer naar Algerije en dat hij de uitzettingsprocedure niet belemmert. Dit blijkt volgens hem uit het vertrekgesprek van 18 maart 2026, waarin hij heeft aangegeven graag te willen terugkeren. Daarnaast heeft hij een kopie van zijn paspoort overgelegd en wil hij alle benodigde stappen zetten om zijn vertrek mogelijk te maken.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. In dit geval heeft de minister de zware gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde lid, onder a en b, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) aan de maatregel ten grondslag gelegd. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020 [1] volgt dat de minister bij deze zware gronden kan volstaan met een toelichting die laat zien dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De minister hoeft in dat geval geen nadere toelichting op onttrekkingsrisico te geven. De aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden zijn als zodanig niet betwist. Uit deze onbetwiste feitelijke gronden vloeit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiser heeft verklaard te willen meewerken aan zijn terugkeer en een kopie van zijn paspoort heeft overgelegd, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hij stelt ook hier dat hij juist graag meewerkt aan zijn vertrek, onder meer door het overleggen van een kopie van zijn paspoort en het invullen van formulieren voor de aanvraag voor een laissez-passer (lp). Ook heeft hij zich ingeschreven voor zelfstandig vertrek bij de Internationale Organisatie voor Migratie.
2.1.
De minister stelt zich, gelet op de onbetwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat sprake is van een onttrekkingsrisico. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen reden te oordelen dat andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De stelling van eiser dat hij graag mee wil werken aan zijn vertrek naar Algerije doet niet af aan het onttrekkingsrisico. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser nog niet beschikt over zijn paspoort, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt om zelfstandig zijn vertrek te realiseren. De minister was in dit geval niet gehouden om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het voorbereiden van zijn uitzetting. Hij wijst erop dat hij voorafgaand aan de bewaring acht dagen in strafrechtelijke detentie heeft verbleven en dat pas na de inbewaringstelling stappen zijn ondernomen richting de Algerijnse autoriteiten. Volgens eiser had de minister eerder de lp-procedure kunnen opstarten en had inmiddels mogelijk al een reactie kunnen zijn verkregen.
3.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting uit Nederland. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser op 8 maart 2026 strafrechtelijk is aangehouden en dat op 10 maart 2026 de maatregel van bewaring is opgelegd. De periode in het strafrechtelijk traject was daarmee beperkt tot twee dagen. Die periode is dusdanig kort, dat van de minister redelijkerwijs niet hoefde te worden verwacht dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling al zou beginnen met het verrichten van uitzettingshandelingen. De minister heeft de op hem rustende inspanningsverplichting om de vreemdelingenbewaring na detentie zo veel mogelijk te beperken dan ook niet geschonden. Verder blijkt uit de stukken dat na de inbewaringstelling in korte tijd de benodigde inspanningen zijn verricht, waaronder het voeren van een vertrekgesprek en het opstarten van het lp-traject, waarbij een kopie van het paspoort en vingerafdrukken zijn overgelegd. Gelet op deze inspanningen van de minister, die binnen een korte periode hebben plaatsgevonden, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.