ECLI:NL:RBDHA:2026:7276
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking
De minister van Asiel en Migratie legde op 10 maart 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 24 maart 2026.
Eiser voerde aan dat er geen risico op onttrekking aan het toezicht bestond, omdat hij bereid was mee te werken aan zijn terugkeer naar Algerije en dit ook had getoond door het overleggen van een kopie van zijn paspoort en deelname aan het vertrektraject. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht uitging van een risico op onttrekking, mede gelet op de zware gronden uit het Vreemdelingenbesluit en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen bij eiser.
Voorts stelde eiser dat de minister een lichter middel had moeten toepassen. De rechtbank vond dat de minister, gezien het onttrekkingsrisico en de omstandigheden, niet gehouden was tot een minder ingrijpende maatregel. Ook het verwijt van onvoldoende voortvarendheid bij de uitzettingsprocedure werd verworpen, omdat de minister binnen een korte periode na de strafrechtelijke detentie de nodige stappen had gezet.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.