2.1.De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft, omdat hij een afwijzende asielbeschikking heeft ontvangen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vwgenoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
6. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdelingvan 25 maart 2020volgt dat, om de gronden 3a, 3b, 3c, 3d en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser bij binnenkomst in Nederland niet beschikte over de juiste reisdocumenten en daarmee ook niet over een visum voor het Schengengebied. Dat een vreemdeling als asielzoeker inreist, doet aan de feitelijke juistheid van deze zware grond niet af. Ook de grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser zich na oplegging van zijn terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht niet heeft gemeld bij de korpschef, en omdat hij zich niet hield aan de meldplicht gedurende zijn asielprocedure. Grond 3c is tevens feitelijk juist, omdat eiser op 8 december 2025 een terugkeerbesluit heeft ontvangen. Ten aanzien van grond 3d overweegt de rechtbank dat eiser niet in het bezit is van identificerende documenten, en zich niet aantoonbaar inspant om deze te verkrijgen, waardoor ook deze grond feitelijk juist is. Tot slot is grond 3i feitelijk juist, omdat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft aangegeven niet te willen terugkeren naar Algerije. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor besproken zware gronden en de niet betwiste lichte gronden, in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister om een significant risico op onderduiken aan te nemen.
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, en het feit dat eiser zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
8. Op 17 maart 2026 heeft de minister met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Uit dit gesprek volgt dat de lp-aanvraag van eiser nog loopt. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
9. Indien zicht op uitzetting zou ontbreken, dan zou de inbewaringstelling in strijd zijn met artikel 59, van de Vw en het Unierecht. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt.Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Algerije geen lp binnen een redelijke termijn aan eiser zou kunnen verstrekken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat zicht op uitzetting ontbreekt.