6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zijn moeder in haar eigen huis mishandeld en bedreigd. Daarmee heeft hij haar lichamelijke integriteit geschonden en gevoelens van angst en onveiligheid bij haar veroorzaakt. Uit de aangifte blijkt dat zijn moeder na het incident het slot van haar deur heeft veranderend en niet meer naar buiten durfde. In een brief aan de rechtbank d.d. 11 februari 2025 beschreef de moeder hoe de problematiek rondom haar zoon ervoor had gezorgd dat zij geïsoleerd was geraakt. Haar andere kinderen en vriendinnen durfden niet bij haar thuis te komen omdat zij zich niet veilig voelden. Ze had last van stress en paniekaanvallen door de situatie. De gedragingen van de verdachte hebben aldus een vergaande impact gehad op het leven van zijn moeder.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 22 mei 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het bedreigen van zijn moeder. Ook is de verdachte in 2024 veroordeeld voor een poging zware mishandeling van een buurman. In een verder gelegen verleden, langer dan vijf jaar geleden, is de verdachte nog tweemaal eerder veroordeeld voor bedreiging.
Persoon van de verdachte
Over de verdachte is een pro justitie rapportage opgesteld d.d. 5 januari 2026 door psychiater H.C. Went en GZ-psycholoog M.C.F. Hoes, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, de psychiatrische observatiekliniek in Almere. Hoewel de verdachte slechts beperkt heeft meegewerkt aan het onderzoek, schrijven de deskundigen een redelijk goed beeld van hem te hebben gekregen. Zij komen tot de volgende bevindingen.
Volgens de deskundigen is er bij de verdachte sprake van een chronisch psychotische stoornis, vermoedelijk in het kader van een schizoaffectieve stoornis, waarbij zowel psychotische symptomen (zoals paranoïde en bizarre wanen, hallucinaties en een inadequaat affect) als een duidelijke stemmingscomponent aanwezig is (bij de verdachte gekenmerkt door zijn spreekdrang, met een verhoogd associatief en expansief denken en grootheidswaan). Daarnaast hebben de onderzoekers een stoornis in het gebruik van cannabis vastgesteld.
De deskundigen hebben de geluidsopname van 10 januari 2025 beluisterd en zien op grond daarvan aanwijzingen voor een toenemende psychotische verwerking van het conflict tussen de verdachte en zijn moeder. Die psychotische verwerking heeft het denken, voelen en handelen van de verdachte vermoedelijk steeds meer beïnvloed. De deskundigen adviseren om de ten laste gelegde feiten tenminste in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Kans op herhaling
Ten aanzien van het risico op herhaling wordt gerapporteerd dat de chronisch psychotische stoornis aanwezig blijft, ook met gebruik van anti-psychotische medicatie. De verdachte heeft geen ziektebesef of -inzicht; hij neigt ertoe om medicatie te weigeren of te staken en zorg te mijden. Het risico op acuut gevaar wordt als matig ingeschat onder de huidige, gereguleerde omstandigheden. Echter buiten detentie wordt dit risico als onverminderd hoog ingeschat. Als de verdachte zou vrijkomen, zou hij in dezelfde situatie komen als voorheen: zonder vaste woon- of verblijfplaats, met financiële schulden, waarschijnlijk weer een beroep doend op zijn moeder met wie hij een getroebleerde relatie heeft. Hij zou naar alle waarschijnlijkheid weer stoppen met medicatie en wellicht weer gaan blowen. Daarbij zijn er weinig tot geen beschermende factoren. De deskundigen taxeren de kans op een gewelddadig recidive zonder zorg als hoog en al op de korte termijn, waarbij die kans parallel loopt met de mate waarin de psychose meer greep krijgt op het voelen en denken van de verdachte. Zonder zorg is er zelfs sprake van een acuut gevaar voor zijn omgeving.
Behandeladvies
Vanwege de ernst en complexiteit van verdachtes pathologie achten de deskundigen een langdurige behandeling aangewezen, waarbij de aandacht in eerste instantie gericht dient te worden op stabilisatie van zijn psychiatrisch toestandsbeeld. De deskundigen zien hierin een belangrijke rol weggelegd voor psychofarmaca en met name antipsychotica. Met de combinatie van steun, structuur, medicatie en abstinentie van middelen kan het toestandsbeeld van de verdachte stabiliseren.
Een zorgmachtiging als kader waarbinnen een dergelijke behandeling kan plaatsvinden is naar de mening van de onderzoekers een gepasseerd station: het ten laste gelegde vond plaats terwijl de verdachte een zorgmachtiging had. Van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel of een gedragsbeïnvloedende maatregel, is niet veel effect te verwachten bij een chronisch psychotische man, zonder ziektebesef- of inzicht, die nergens aan wil meewerken en zorg mijdt. Dit geldt ook voor een eventuele tbs met voorwaarden. Om deze redenen rest volgens het onderzoekend team niets anders dan terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege te adviseren om middels behandeling in dat juridische kader de kans op recidive te verminderen.
Reclasseringsrapport
De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsrapport d.d. 17 februari 2026 dat over de verdachte is opgemaakt. Daarin staat het volgende.
De verdachte heeft geen huisvesting, geen dagbesteding, het ontbreekt hem aan een sociaal steunend netwerk (familie/vrienden), er is sprake van middelengebruik, ernstig instabiel psychosociaal functioneren en een zorgmijdende houding. Daarnaast ontbreekt het de verdachte aan beschermende factoren. Uit het rapport blijkt dat de verdachte in het verleden meerdere zorgmachtigingen heeft gehad.
De verdachte ontkent dat er sprake is van schizofrenie. Ook de stoornis in het gebruik van cannabis klopt volgens hem niet. Hij herkent zich evenmin als een zorgmijder. De verdachte is van mening dat hij geen (langdurige) klinische behandeling nodig heeft. De reclassering is daarom van mening dat het bij de verdachte ontbreekt aan ziektebesef en ziekte-inzicht. Dat is wel nodig om een tbs met voorwaarden te doen slagen.
De reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. Het risico op letsel wordt eveneens ingeschat als hoog.
Afgaande op de stagnerende hulpverleningsgeschiedenis, de chronische problematiek van de verdachte in combinatie met het ontbreken van ziektebesef en -inzicht, heeft het weinig kans van slagen om een behandeling in een voorwaardelijk kader op te leggen. De reclassering komt tot een negatief over tbs met voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de Pro Justitia rapporteurs om aan de verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden aan het hem ten laste gelegde en indien de strafmaat het toelaat, een tbs met dwangverpleging op te leggen.
De reclassering adviseert daarnaast oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafecht. Hierdoor is er na beëindiging van de tbs-maatregel een ruimer forensisch vangnet richting resocialisatie. De maatregel wordt geadviseerd omdat het de werkbaarheid en de doelmatigheid van een eventuele forensische behandeling en begeleiding ten goede komt. Ook kan de verdachte langdurig gemonitord worden en kunnen er veiligheidsmaatregelen worden opgelegd ter bescherming van het slachtoffer en de maatschappij.
Conclusie rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en inzichtelijk zijn verwoord. Zij legt deze conclusies dan ook ten grondslag aan haar oordeel over de strafbaarheid van de verdachte en komt op basis daarvan tot het oordeel dat de bewezen verklaarde feiten verminderd aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
De rechtbank neemt voornoemde conclusies uit de rapporten over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat het, gelet op de ernstige, langdurige psychiatrische problematiek van de verdachte, het hoge recidiverisico en het ontbreken van beschermende factoren, noodzakelijk is dat de verdachte een langdurige klinische behandeling zal ondergaan. Gelet op de conclusies van de deskundigen, acht de rechtbank een tbs-maatregel met voorwaarden, of enig ander voorwaardelijk alternatief, niet haalbaar. Het gebrek aan ziekte-inzicht is de rechtbank ook ter zitting gebleken; in gesprek met de rechtbank verklaarde de verdachte dat hij nergens last van heeft en zo snel mogelijk wil stoppen met zijn medicatie.
De verdediging heeft nadrukkelijk gevraagd om de route voor een nieuwe zorgmachtiging te volgen, maar de rechtbank ziet dat niet meer als een effectieve mogelijkheid. De verdachte is sinds zijn adolescentie bekend binnen de GGZ met chronische psychoses en heeft meerdere zorgmachtigingen gehad. Hij heeft een lange behandelgeschiedenis en is al meerdere malen (gedwongen) opgenomen geweest binnen verschillende GGZ-instellingen. Dit is allemaal niet effectief gebleken. Zelfs met de huidige (dwang)medicatie blijft de psychose van de verdachte op de voorgrond aanwezig en blijft het recidiverisico hoog.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen over de ernst van het feit, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank legt aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis is doorgebracht.
De op te leggen maatregelen
Tbs-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel is voldaan. De bewezenverklaarde mishandeling en bedreiging zijn misdrijven waarvoor op grond van artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is, terwijl tijdens het begaan van dit feit bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de verdachte intensief zal worden behandeld.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen eist, dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege moet worden opgelegd.
Duur van de maatregel
Op grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, mag de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (hierna: een geweldsmisdrijf). De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is in deze zaak. De verdachte heeft verbale bedreigingen geuit, die zijn vergezeld en voorafgegaan door een mishandeling van zijn moeder, een geweldsmisdrijf. De rechtbank zal de tbs-maatregel met dwangverpleging daarom ongemaximeerd aan de verdachte opleggen.
38z - maatregel
De rechtbank zal conform het advies van de reclassering de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafecht opleggen. Zodat na beëindiging van de tbs een ruimer forensisch vangnet richting resocialisatie voorhanden is.