Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7311

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
696177
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over bruidsgave bij Iraanse religieuze echtscheiding afgewezen

De man en vrouw zijn in 2014 in het buitenland getrouwd en in 2020 ook in Nederland. De man vroeg in 2022 echtscheiding aan voor het Nederlandse huwelijk, die in 2024 werd uitgesproken. De vrouw stelde een vordering in voor betaling van de bruidsgave uit het buitenlandse huwelijk, die aanvankelijk werd afgewezen. In hoger beroep oordeelde het hof in 2025 dat het buitenlandse huwelijk rechtsgeldig was en veroordeelde de man tot betaling van de bruidsgave.

De vrouw betekende de beschikking en eiste betaling binnen twee dagen. De man startte een bodemprocedure om de vrouw te dwingen mee te werken aan een Iraanse religieuze echtscheiding waarbij zij afstand zou doen van de bruidsgave. In dit kort geding vordert hij schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking over de bruidsgave wegens vermeend misbruik van bevoegdheid.

De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid. De man kon onvoldoende aannemelijk maken dat de vrouw bij de religieuze echtscheiding afstand moet doen van de bruidsgave. De man had onvoldoende onderbouwd dat een Khul-scheiding van toepassing is, waarbij compensatie door afstand van de bruidsgave gebruikelijk is. De vorderingen van de man worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de man af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/696177 / KG ZA 25/1238
Vonnis in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van
[de man]wonende op een geheim adres in Nederland,
eiser,
advocaat mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. A. Vijftigschild te Leidschendam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de vrouw overgelegde conclusie van antwoord met productie;
- de op 6 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2014 met elkaar in [land] in het huwelijk getreden. In de huwelijksakte is, volgens de Nederlandse vertaling van die akte, onder meer het volgende opgenomen:
“Bruidsgave en huwelijksvoorwaarden
Directe bruidsgave: een exemplaar van heilige koran
Indirecte bruidsgave: honderdveertien volle munten Bahar Azadi
Huwelijksvoorwaarden: de huwelijksvoorwaarde met machtiging voor een echtscheiding.”
En verder:
2.2.
Hierna hebben zij zich samen in Nederland gevestigd. Op [datum 2] 2020 zijn zij (ook) in Nederland in het huwelijk getreden.
2.3.
De man heeft in 2022 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank. Dat verzoek zag op het in Nederland tussen partijen gesloten huwelijk. Bij beschikking van 26 februari 2024 heeft de rechtbank het verzoek toegewezen en de echtscheiding uitgesproken. In deze beschikking heeft de rechtbank overwogen dat niet is vast komen te staan dat het in [land] tussen partijen gesloten huwelijk rechtsgeldig is en voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Mede om die reden heeft de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om te bepalen dat de man de bruidsgave van 114 Bahar Azadi munten of het equivalent daarvan in euro’s zijnde € 60.294,60 aan haar dient te overhandigen.
2.4.
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Dat hoger beroep heeft gedeeltelijk doel getroffen. Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking 8 oktober 2025 geoordeeld dat het in [land] tussen partijen gesloten huwelijk wel rechtsgeldig is en dat daarom het in Nederland gesloten huwelijk nietig is. De echtscheiding is vervolgens uitgesproken ten aanzien van het in [land] gesloten huwelijk. Ook heeft het hof de man veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 60.294,60 ter zake van de bruidsgave. In verband daarmee heeft het hof het volgende overwogen:
“Het verweer van de man tegen het verzoek van de vrouw over de bruidsgave houdt in dat het
[land] huwelijk niet rechtsgeldig is, en dat hij daarom niet tot betaling van een bruidsgave
gehouden is. Omdat het hof het [land] huwelijk wel rechtsgeldig acht en de man geen andere verweren heeft gevoerd, zal het hof het verzoek van de vrouw als onvoldoende gemotiveerd
weersproken toewijzen.”
2.5.
Bij exploot van 14 oktober 2025 heeft de vrouw de beschikking van het hof aan de man betekend en hem bevolen om binnen twee dagen ter zake de bruidsgave toegewezen bedrag aan haar te betalen.
2.6.
De man is vervolgens een bodemprocedure gestart waarin hij heeft gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld om – zakelijk weergegeven – haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de [land] religieuze echtscheiding in de vorm van een Mubarat-scheiding of Khul-scheiding en daartoe onder meer dient te verklaren dat zij de man compensatie biedt door afstand te doen van de bruidsgave.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert – verkort weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair
de tenuitvoerlegging van de beschikking van het hof van 8 oktober 2025 en de beschikking van de rechtbank 26 februari 2024 schorst, voor zover deze beschikkingen betrekking hebben op de bruidsgave;
subsidiair
bepaalt dat de man geen bruidsgave aan de vrouw verschuldigd is op grond van de voornoemde beschikkingen van het hof en de rechtbank, althans de verschuldigdheid van de bruidsgave op te schorten;
meer subsidiair
de omvang van de bruidsgave die de man op grond van de beschikkingen van het hof en de rechtbank verschuldigd is, matigt tot een in goede justitie te bepalen bedrag.
3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De man betwist dat de bruidsgave opeisbaar is. Volgens hem maakt de vrouw misbruik van bevoegdheid door de echtscheidingsbeschikking ten uitvoer te leggen en op grond daarvan haar vordering met betrekking tot de bruidsgave te incasseren alvorens in de bodemprocedure met betrekking tot de [land] religieuze echtscheiding is beslist over de bruidsgave. Naar [land] recht moet het aannemelijk worden geacht dat de vrouw afstand moet doen van in ieder geval een deel van haar vordering. De vrouw heeft geen zwaarwegend belang bij directe tenuitvoerlegging, terwijl omgekeerd die tenuitvoerlegging verregaande financiële gevolgen voor de man heeft.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Het gaat hier om een executiegeschil ex artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uitgangspunt daarbij is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij, aan wie de vordering bij – zoals hier – inmiddels onherroepelijke uitspraak is toegewezen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat in een dergelijk executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren meer tegen de uitspraak kunnen worden aangevoerd, behoudens die welke leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van executiebevoegdheid. Van dergelijk misbruik kan sprake zijn indien het te executeren uitspraak klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de executie op grond van na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan voor de geëxecuteerde, maar er kunnen zich ook andere situaties voordoen waarin in verband met na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. [1]
4.2.
In dit geval onderbouwt de man zijn stelling dat de vrouw misbruik maakt van haar executiebevoegdheid door erop te wijzen dat na de beschikking van het hof duidelijk is geworden dat de vrouw niet wenst mee te werken aan een [land] religieuze echtscheiding en dat zij daardoor de man ten onrechte en met het enkele doel om hem (financieel) te schaden gevangenhoudt in dat huwelijk. Om die reden is hij een bodemprocedure gestart waarin hij vordert dat de vrouw alsnog haar medewerking aan de religieuze echtscheiding verleent. Hij stelt dat die scheiding tot gevolg zal hebben dat de vrouw (een deel van) de bruidsgave, waarvan zij met de executie van de beschikking van het hof betaling afdwingt, zal moeten opgeven ter compensatie van de man.
4.3.
Anders dan de man, is de voorzieningenrechter van oordeel dat van misbruik van bevoegdheid geen sprake is. Voor dat oordeel is het volgende van belang. Een [land] religieus huwelijk kan op verschillende manieren worden ontbonden, al naar gelang de omstandigheden die tot de scheiding hebben geleid. Niet elk van die vormen van echtscheiding leidt ertoe dat de vrouw ter compensatie van de man afstand moet doen van haar bruidsgave, zo heeft de man ook onderkend. Tussen partijen is in geschil welke vorm van scheiding in dit geval aan de orde zou moeten zijn. Volgens de man is sprake van een Khul-scheiding. Bij die vorm van scheiding wordt ervan uitgegaan dat de vrouw het initiatief heeft genomen voor de echtscheiding. Zij biedt daarbij aan haar man een vergoeding aan in ruil voor zijn toestemming om te scheiden. Die compensatie bestaat meestal uit kwijtschelding van het onbetaalde deel van de bruidsgave. Dit sluit aan bij de huwelijkse voorwaarde die is opgenomen in de huwelijksakte (zie 2.1). In dit geval is het echter de man die, zoals de vrouw terecht heeft opgemerkt, om de echtscheiding heeft verzocht. Dat dit niet aan het uitspreken van een Khul-scheiding tussen partijen in de weg staat, heeft de man onvoldoende onderbouwd. Ook als juist is dat een Khul-scheiding kan worden uitgesproken als een vrouw tijdens het huwelijk niet aan haar daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan, is onvoldoende aannemelijk geworden dat die situatie zich hier voordoet. De tijdens de zitting in dat kader door de man aan de vrouw gemaakte verwijten zijn niet onderbouwd. Aldus is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat de vrouw bij totstandkoming van de [land] religieuze echtscheiding – voor zover zij al gehouden is tot medewerking daaraan, wat de vrouw betwist – afstand zal moeten doen van de bruidsgave.
4.4.
Andere pas na de beschikking van het hof gebleken feiten en omstandigheden die reden zijn om aan te nemen dat sprake is van misbruik van executiebevoegdheid zijn niet gesteld. Bij deze stand van zaken kan niet worden geconcludeerd dat er aanleiding bestaat te bepalen dat de vrouw haar vordering tot betaling van die bruidsgave (voorlopig) niet of slechts gedeeltelijk geldend kan maken door executie van de beschikking van het hof. De vorderingen van de man moeten dan ook worden afgewezen.
4.5.
De man zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten) van de vrouw. Die proceskosten worden begroot op:
- griffierecht € 90,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.375,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van de man af;
5.2.
veroordeelt de man in de proceskosten van € 1.375,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de man niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de man € 92,00 extra betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
EI

Voetnoten

1.Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, en Hoge Raad 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575.