ECLI:NL:RBDHA:2026:7311
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Executiegeschil over bruidsgave bij Iraanse religieuze echtscheiding afgewezen
De man en vrouw zijn in 2014 in het buitenland getrouwd en in 2020 ook in Nederland. De man vroeg in 2022 echtscheiding aan voor het Nederlandse huwelijk, die in 2024 werd uitgesproken. De vrouw stelde een vordering in voor betaling van de bruidsgave uit het buitenlandse huwelijk, die aanvankelijk werd afgewezen. In hoger beroep oordeelde het hof in 2025 dat het buitenlandse huwelijk rechtsgeldig was en veroordeelde de man tot betaling van de bruidsgave.
De vrouw betekende de beschikking en eiste betaling binnen twee dagen. De man startte een bodemprocedure om de vrouw te dwingen mee te werken aan een Iraanse religieuze echtscheiding waarbij zij afstand zou doen van de bruidsgave. In dit kort geding vordert hij schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking over de bruidsgave wegens vermeend misbruik van bevoegdheid.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid. De man kon onvoldoende aannemelijk maken dat de vrouw bij de religieuze echtscheiding afstand moet doen van de bruidsgave. De man had onvoldoende onderbouwd dat een Khul-scheiding van toepassing is, waarbij compensatie door afstand van de bruidsgave gebruikelijk is. De vorderingen van de man worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de man af en veroordeelt hem in de proceskosten.