Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7315

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
c/09/694014 HA ZA 25-972
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 sub e RvArt. 337 lid 2 RvVerordening (EU) nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsmacht Nederlandse rechter bij boilerroomfraude met cryptovaluta

In deze zaak vorderen eisers een verklaring voor recht dat gedaagden aansprakelijk zijn voor schade geleden door boilerroomfraude met cryptovaluta, waarbij cryptovaluta werden overgemaakt naar blockchainadressen die tot de Kyrrex cryptobeurs behoren. Gedaagden worden verweten deze fraude te hebben gefaciliteerd en daarmee onrechtmatig te hebben gehandeld.

Kyrrex UK Ltd betwist de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en vordert onbevoegdheid. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van artikel 6 sub e van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat rechtsmacht toekent bij verbintenissen uit onrechtmatige daad indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of kan voordoen.

De rechtbank oordeelt dat de situatie afwijkt van het arrest Universal Music, omdat het hier gaat om consumenten die schade hebben geleden door strafbare feiten (boilerroomfraude) en waarbij de schade in Nederland is ingetreden. Dit rechtvaardigt dat de Nederlandse rechter bevoegd is, mede om effectieve rechtstoegang te waarborgen en te voorkomen dat consumenten in meerdere landen moeten procederen.

Het verzoek van Kyrrex UK Ltd om tussentijds hoger beroep toe te staan wordt afgewezen vanwege het ontbreken van zwaarwegende redenen en het risico op vertraging en fragmentatie van de procedure. Kyrrex UK Ltd wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol van 29 april 2026 voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd op grond van artikel 6 sub e Rv en wijst het verzoek tot tussentijds hoger beroep af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/694014 / HA ZA 25-972
Vonnis in incident van 18 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] , te [woonplaats 1] ,2. [eiser 2] , te [woonplaats 2] ,3. [eiser 3] , te [woonplaats 3] ,4. [eiser 4] , te [woonplaats 4] ,5. [eiser 5] , te [woonplaats 5] ,6. [eiser 6] , te [woonplaats 6] ,7. [eiser 7] , te [woonplaats 7] ,8. [eiser 8] , te [woonplaats 8] ,9. [eiser 9] , te [woonplaats 9] ,10. [eiser 10] , te [woonplaats 10] ,11. [eiser 11] , te [woonplaats 11] ,12. [eiser 12] , te [woonplaats 1] ,13. [eiser 13] , te [woonplaats 12] ,14. [eiser 14] , te [woonplaats 13] ,15. [eiser 15] , te [woonplaats 14] (Zweden),16. [eiser 16] , te [woonplaats 15] ,17. [eiser 17] , te [woonplaats 16] ,18. [eiser 18] , te [woonplaats 17] ,19. [eiser 19] , te [woonplaats 18] ,20. [eiser 20] , te [woonplaats 19] ,

eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. M.A. Hupkes,
tegen

1.KYRREX LTD, te Kingstown (Saint Vincent & The Grenadines),

gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
2.
KYRREX UK LTD, te Londen (Verenigd Koninkrijk),
advocaat: mr. M. Krekels,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
3.
KYRREX FINANCIAL HOLDING LTD, te Lefkosia (Nicosia)(Cyprus) en
4.
REAL EXCHANGE (REX) LTD, te Saint Julian (Malta),
gedaagden in de hoofdzaak,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier in het incident bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 13 augustus 2025, met producties 1 tot en met 236;
  • de incidentele conclusie houdende exceptieve verweer tot onbevoegdheid van de rechtbank, met producties 1 tot en met 5;
  • de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.

2.De beoordeling in het incident

De hoofdzaak
2.1.
In de hoofdzaak vorderen eisers kort gezegd de verklaring voor recht dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de door eisers geleden schade en de veroordeling van gedaagden tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat.
2.2.
Eisers in de hoofdzaak stellen dat zij schade hebben geleden door frauduleuze gedragingen van derden – ook wel boilerroomfraude genoemd. Eisers hebben, op instructie van de fraudeurs, cryptovaluta aangekocht en deze overgemaakt naar de door de fraudeurs opgegeven blockchainadressen. Deze blockchainadressen zouden tot de Kyrrex cryptobeurs behoren. Gedaagden bieden daardoor zogenoemde
nested servicesaan, zonder daarbij effectieve controles uit te voeren. Bij
nested serviceshouden cryptobeurzen accounts bij andere cryptobeurzen aan. Wanneer er cryptovaluta naar een dergelijke account worden overgemaakt, wordt deze cryptovaluta dus vermengd met andere transactiestromen van de cryptobeurs die de account aanhoudt. Hierdoor wordt het volgen van criminele transactiestromen bemoeilijkt. Daarmee hebben gedaagden dus de boilerroomfraude, waarvan eisers slachtoffer zijn geworden gefaciliteerd, en tevens het witwassen van cryptovaluta mogelijk gemaakt. Gedaagden hebben als aanbieder van cryptodiensten een bijzondere zorgplicht jegens derden, vergelijkbaar met die van betaalbeleggingsdienstverleners. Gedaagden hebben in strijd met deze zorgplicht en daarmee onrechtmatig jegens eisers gehandeld. Om die reden zijn gedaagden eveneens aansprakelijk voor de door eisers geleden schade.
Het incident
2.3.
Kyrrex UK Ltd is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en eisers in de hoofdzaak tevens verweerders in het incident (hierna te noemen: Verweerders) wonen in Nederland, en één daarvan in Zweden. Hierdoor heeft dit geschil een internationaal karakter.
2.4.
In dit incident vordert Kyrrex UK Ltd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om te oordelen over de tegen haar ingestelde vorderingen. De vordering van Kyrrex UK Ltd moet de rechtbank aan de hand van het commune recht beoordelen, nu er na de zogenoemde Brexit (nog) geen verdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland is gesloten dat ziet op de rechterlijke bevoegdheid. Bij de uitleg van het commune recht is de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in het kader van de uitleg van de Verordening Brussel I-bis [1] een belangrijk richtsnoer. [2]
2.5.
Verweerders stellen dat deze rechtbank onder meer bevoegd is op grond van artikel 6 sub e van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (Rv). Dit artikel bepaalt dat de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht heeft in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Deze regel berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn. [3]
2.6.
Belangrijke overweging van het HvJEU daarbij is dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich dreigt voor te doen, normaliter het best in staat om uitspraak te doen, vooral omdat de afstand geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker. [4]
2.7.
Partijen twisten onder meer over de vraag of de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 sub e Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht heeft. Volgens Verweerders is bij elk van hen afzonderlijk de schade in Nederland ingetreden, omdat zij vanuit Nederland cryptovaluta hebben aangekocht met Nederlands bankgeld en deze, op instructie van de fraudeurs, hebben overgemaakt naar door de fraudeurs opgegeven blockchainadressen. Kyrrex UK Ltd betwist bevoegdheid van de Nederlandse rechter aangezien de transactiestromen via een cryptobeurs liepen die niet in Nederland is gevestigd en de schade niet in Nederland is geleden.
2.8.
Bij de beoordeling neemt de rechtbank tot uitgangspunt de regel uit de arresten
Kolassaen
Universal Musicvan het HvJEU dat het gerecht waarbij een geschil aanhangig is gemaakt, in het kader van de toetsing van zijn bevoegdheid alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking moet nemen, daaronder begrepen, de betwistingen van de verweerder. Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid echter geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn. [5]
2.9.
Het HvJEU heeft in het arrest
Universal Musicook geoordeeld dat, in een situatie waarin schade wordt geleden doordat een fout die bij de opstelling van een aandelenkoopovereenkomst daarin terecht is gekomen, ertoe heeft geleid dat de aankoopprijs van de betrokken aandelen is verveelvoudigd, als plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, niet kan worden aangemerkt, bij gebreke van andere aanknopingspunten, de plaats in een lidstaat waar die schade is ingetreden, wanneer die schade uitsluitend bestaat in een financieel verlies dat rechtstreeks intreedt op de bankrekening van de schadelijdende partij en het rechtstreekse gevolg is van een onrechtmatige gedraging die zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat.
2.10.
Volgens Kyrrex UK Ltd kan op grond van het arrest
Universal Musiczuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op de bankrekening van een schadelijdende partij, – zonder bijkomende omstandigheden – niet worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt voor bevoegdheid op grond van artikel 6 sub e Rv Pro.
2.11.
De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke situatie in de onderhavige zaak op essentiële punten afwijkt van de situatie in het arrest
Universal Musiczodat die uitspraak in het onderhavige geval niet van toepassing is. In dit verband is van belang dat het HvJEU in het arrest
Universal Musicbenadrukt dat de rechtsregel geldt op basis van de feitelijke situatie in die zaak (
“in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding”) [6] . Maar ook als de regel uit het arrest
Universal Musicwel van toepassing is, kwalificeren de hiervoor bedoelde essentiële punten als de in het arrest
Universal Musicgenoemde
“bijkomende omstandigheden” [7] die rechtvaardigen dat de rechtbank bevoegd is op grond van artikel 6 sub e Rv Pro. Het gaat om de volgende (bijkomende) omstandigheden.
2.12.
Anders dan in het arrest
Universal Musiczijn de schadelijdende partijen in deze zaak natuurlijke personen. In het arrest
Universal Musicis sprake van een professionele partij, die bovendien onderdeel is van een groep (Universal Music Group). Bovendien is relevant dat het HvJEU overweegt dat niet kan worden uitgesloten dat
“Universal Music de keuze had tussen meerdere bankrekeningen ten laste waarvan zij het schikkingsbedrag had kunnen voldoen, zodat de plaats waar deze rekening is gelegen niet noodzakelijkerwijs een betrouwbaar aanknopingspunt vormt”. Bij consumenten is dit in beginsel niet het geval, zoals ook blijkt uit deze zaak, waar alle eisers vanaf Nederlandse bankrekeningen bedragen hebben overgemaakt. De plaatsen waar de rekeningen van de consumenten zijn gelegen vormen om die reden wél een betrouwbaar aanknopingspunt en ook de omstandigheid dat het consumenten betreft, rechtvaardigt de rechtsmacht van deze rechtbank op grond van artikel 6 sub e Rv Pro.
2.13.
Een tweede van de situatie in het arrest
Universal Musicafwijkende (bijkomende) omstandigheid is het feit dat Verweerders de gedaagden in de hoofdzaak verwijten dat zij zich schuldig maken aan het op onrechtmatige wijze faciliteren van fraude met cryptovaluta, een strafbaar feit, terwijl in de zaak van het arrest
Universal Music(slechts) sprake is van een beroepsfout van een in Tsjechië gevestigde advocaat. Kenmerkend aan boilerroomfraude is dat gelden bewust op ondoorzichtige wijze worden weggesluisd zodat niet langer duidelijk is waar het zich bevindt, om verhaal door de schadelijdende consumenten zo lastig mogelijk te maken. Daarbij zijn vaak diverse entiteiten uit verschillende landen betrokken, zoals ook in de onderhavige zaak, waardoor het voor de schadelijdende partijen – anders dan in het arrest
Universal Musicwaar slechts sprake was van één bij eiseres bekende schadeveroorzakende partij – heel lastig is om vast te stellen welke partijen met succes kunnen worden aangesproken. Bovendien zou, wanneer artikel 6 sub e Rv Pro geen toepassing zou vinden, in meerdere landen moeten worden geprocedeerd, wat de effectieve rechtstoegang voor consumenten – mede vanwege de hoge kosten – ernstig bemoeilijkt of feitelijk onmogelijk maakt. Ook dat is een bijzondere omstandigheid die in deze zaak – mede uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting – de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 sub e Rv Pro rechtvaardigt, zodat getroffen consumenten de bij de boilerroomfraude betrokken partijen uit diverse landen in één procedure voor hun nationale gerecht kunnen dagvaarden.
2.14.
Voor wat betreft het door Kyrrex UK Ltd genoemde punt van de voorzienbaarheid, geldt dat zij – uitgaande van de faciliterende rol die Kyrrex UK Ltd volgens Verweerders speelt in de boilerroomfraude door het aanbieden van een witwasstructuur – er rekening mee moet houden dat zij kan worden aangesproken in de landen waar de door die fraude gedupeerde partijen woonachtig zijn, hun bankrekening hebben en hun schade hebben geleden.
2.15.
De rechtbank is van oordeel dat zij onder de gegeven omstandigheden bevoegd is van het onderhavige geschil tegen gedaagden in de hoofdzaak, waaronder Kyrrex UK Ltd kennis te nemen op grond van artikel 6 sub e Rv Pro.
2.16.
Voor zover Kyrrex UK Ltd als verweer heeft gevoerd dat zij in het geheel niet betrokken is bij de door Verweerders gestelde boilerroomfraude betreft dat een inhoudelijk verweer dat voor de bevoegdheidsvraag niet ter zake doet. [8] De rechtbank gaat aan dit verweer dan ook voorbij.
Tussentijds hoger beroep
2.17.
Voor zover de rechtbank rechtsmacht aanneemt voor de vorderingen jegens Kyrrex UK Ltd heeft Kyrrex UK Ltd de rechtbank verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om, in afwijking van artikel 337 lid 2 Rv Pro, tegen het vonnis tussentijds hoger beroep open te stellen. Zij voert daartoe aan dat
het gezien de omvang en complexiteit van deze procedure – en ter besparing van mogelijk onnodige kosten – in de rede om eerst het debat over de (afwezigheid van) rechtsmacht van de Nederlandse rechter volledig af te ronden en pas daarna de zaak inhoudelijk te beoordelen. Verweerders verzetten zich tegen het toestaan van tussentijds hoger beroep.
2.18.
Het verzoek van Kyrrex UK Ltd om tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis dient aan de volgende uitgangspunten te worden getoetst. In artikel 337 Rv Pro is bepaald dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts tegelijk kan worden ingesteld met dat van het eindvonnis, behoudens het in dit verband niet relevante geval dat in het tussenvonnis een voorlopige voorziening is getroffen. Vastgehouden moet worden aan het door de wetgever aan deze wettelijke bepaling ten grondslag gelegde uitgangspunt dat het tussentijds aanwenden van rechtsmiddelen leidt tot vertraging van de procedure en daarom als regel achterwege dient te blijven.
2.19.
Voor een uitzondering op de onder 2.18 weergegeven hoofdregel is – met het oog op de rechtszekerheid – slechts ruimte indien bijzondere procesrechtelijke redenen daartoe nopen. De bevoegdheid tot het maken van een uitzondering op bedoelde hoofregel is overgelaten aan het procesbeleid van de rechter.
2.20.
De rechtbank is onder de gegeven omstandigheden van oordeel dat er in dit geval onvoldoende zwaarwegende redenen bestaan om van de hoofdregel af te wijken. Daartoe is redengevend dat – zoals Verweerders terecht aanvoeren – de bevoegdheidsvraag verweven is met diverse feitelijke kwesties waarover in deze procedure duidelijkheid kan worden verkregen, waarna de bevoegdheidsvraag in hoger beroep met meer zekerheid kan worden beoordeeld. Tussentijds hoger beroep zou bovendien het risico op tegenstrijdige beslissingen vergroten en de zaak fragmenteren, doordat het hof zich mogelijk over deelgeschillen zal buigen terwijl in eerste aanleg nog bewijsverrichtingen en een inhoudelijke beoordeling moeten plaatsvinden. Dit pleit voor voortzetting van de procedure bij de rechtbank. Een tussentijds hoger beroep zou bovendien leiden tot ontoelaatbare vertraging van de bodemprocedure. Tot slot is nog relevant dat Kyrrex UK Ltd en haar medegedaagden tot dezelfde groep behoren, zodat het in de lijn der verwachting ligt dat zij in deze procedure door dezelfde advoca(a)t(en) (zullen) worden bijgestaan. Vooralsnog valt niet in te zien dat bij een voortzetting van de bodemprocedure bij de rechtbank Kyrrex UK Ltd zelf zodanig omvangrijke kosten zal moeten maken voor haar eigen verweer, dat die (mogelijk onnodige) kosten – gezien de overige relevante omstandigheden – een tussentijds hoger beroep rechtvaardigen.
2.21.
De rechtbank wijst het verzoek tot het mogen instellen van tussentijds hoger beroep af.
Proceskosten
2.22.
Kyrrex UK Ltd zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van Verweerders begroot op € 653,00 aan salaris advocaat (1 punt salaris advocaat tarief II à € 653,00 per punt).
Vervolg hoofdzaak
2.23.
De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol van 29 april 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Kyrrex UK Ltd.

3.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
3.1.
verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van de vordering tegen Kyrrex UK Ltd;
3.4.
staat geen tussentijds hoger beroep toe van dit vonnis in incident;
3.2.
veroordeelt Kyrrex UK Ltd in de kosten van het incident, aan de zijde van verweerders begroot op € 653,00;
in de hoofdzaak
3.3.
verwijst de zaak naar de rol van
29 april 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van Kyrrex UK Ltd;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
3418

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking),
2.Zie ook Parlementaire Geschiedenis,
3.HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (
4.HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (
5.HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (
6.HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (
7.HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (
8.Zie HvJEU, 25 oktober 2012, C-133/11, EU:C:2012:664 (