Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 maart 2026 waarbij de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag niet in behandeling nam, omdat Kroatië als Dublinlidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting afgewezen, mede omdat op dezelfde dag in een gerelateerde zaak uitspraak is gedaan, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.
De rechtbank oordeelt dat de overdracht van verzoeker naar Kroatië als Dublinclaimant rechtmatig is en dat er geen gronden zijn om het bestreden besluit te vernietigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.