Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7371

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
09-104178-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met mes ondanks beroep op noodweerexces

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag op 4 april 2025 door het slachtoffer met een mes in de buik te steken. De verdachte had een woordenwisseling en fysieke confrontatie met het slachtoffer, waarbij hij bewust de aanmerkelijke kans op overlijden aanvaardde.

De verdediging voerde een beroep op noodweer en noodweerexces aan, maar de rechtbank verwierp dit omdat de verdachte mede de confrontatie opzocht en zich had kunnen onttrekken. De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en toezicht.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €29.550,-, waarvan de rechtbank €9.150,- toewijst, bestaande uit materiële en immateriële schade. De rest van de vordering werd afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte is tevens veroordeeld in de proceskosten en tot betaling van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk, wegens poging tot doodslag; beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-104178-25
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
BRP-adres: [adres], [postcode], te [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.G. Eckhardt naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 april 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever] met een mes (boxcutter), althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik(streek), althans het bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring van poging tot doodslag.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het procesdossier van het onderzoek MULLHEIM met het onderzoeksnummer DH2R025041 en het BHV-nummer 2025109367 van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 73).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 17 maart 2026.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever], opgemaakt op 5 april 2025 (p. 13-17).
3. Het geschrift, te weten de medische informatie betreffende [aangever], geboren 30 december 1988, d.d. 5 juni 2025 (p. 73).
4. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige], opgemaakt op 4 april 2025 (p. 24-25).
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 april 2025 (p. 10-12).
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 april 2025 (p. 34-36).
7. Het geschrift, te weten de verklaring van [naam], opgesteld op 9 april 2025 (p. 61-62).
3.2.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of dat wat feitelijk is bewezen, heeft te gelden als (impliciet primair) poging tot doodslag of (impliciet subsidiair) poging tot zware mishandeling.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de verdachte uit was op de dood van de aangever. Van ‘vol’ opzet op de dood was dus geen sprake. Dat laat onverlet dat sprake kan zijn geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Dat is het geval als kan worden vastgesteld dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat de aangever als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden, bewust heeft aanvaard.
De verdachte heeft met een mes in de buikstreek van de aangever gestoken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aangever net onder de borst een wond van ongeveer vijf centimeter had en dat er sprake was van inwendig bloedverlies. Het mes is tot diep in de buik gestoken en heeft de alvleesklier geschaafd. De maag is op een haar na niet geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit zonder meer dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de aangever als gevolg van het handelen van de verdachte zou kunnen komen te overlijden. De verdachte moet zich daarvan ook bewust zijn geweest, nu het een feit van algemene bekendheid is dat bij het steken in de borst- en buikstreek vitale onderdelen het menselijk lichaam kunnen worden geraakt. De verdachte heeft de aanmerkelijke kans op dat gevolg dan ook bewust aanvaard. De slotsom is dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem impliciet primair ten laste gelegde feit, poging tot doodslag.
3.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het impliciet primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 4 april 2025 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven die
[aangever]met een mes (boxcutter) in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt en ontslag van alle rechtsvervolging het gevolg moet zijn. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het handelen niet proportioneel was, dan heeft de verdediging subsidiair betoogd dat sprake is van noodweerexces, waardoor de verdachte niet strafbaar is. Op grond daarvan moet eveneens ontslag van alle rechtsvervolging volgen.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van een noodweersituatie geen sprake was en dat het beroep op noodweer moet worden verworpen. In dat geval komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of sprake is van noodweerexces.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer is een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed vereist, waarbij bovendien de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn.
Onder omstandigheden kan, hoewel sprake is van een (dreigende) wederrechtelijke aanranding, een beroep op noodweer niet worden aanvaard, omdat de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als “verdediging”, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij gedragingen die zijn gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).
Uit het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. De verdachte liep in de richting van zijn woning, nadat hij de aangever was tegengekomen bovenaan de trappen van de [straatnaam] en waar de verdachte en de aangever een woordenwisseling kregen en de aangever de verdachte zou hebben geduwd. Hierna is verdachte naar zijn woning teruggelopen. De aangever is hem toen achterna gelopen. De verdachte en de aangever hebben van elkaar excuses geëist. Op enig moment stonden ze met de hoofden tegen elkaar, zo heeft een getuige verklaard. De verdachte heeft verklaard dat hij hierbij een zachte kopstoot tegen zijn muts heeft gekregen. Hierna heeft de verdachte de aangever in zijn buik gestoken.
De verdachte heeft vervolgens – naar eigen zeggen vanuit het gevoel dat er ‘iets’ aan zat te komen en dat hij zich ‘nog nooit zo bedreigd’ heeft gevoeld – de aanval gekozen, door in een directe beweging de aangever in de buik te steken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte mede de confrontatie opgezocht door hoofd aan hoofd met het slachtoffer te staan. Hoofd aan hoofd met iemand staan kan immers alleen als beide partijen daaraan bijdragen; wanneer één van beiden zich terugtrekt is dit niet goed denkbaar. Nu de verdachte (mede) de confrontatie opzocht, kan een beroep op noodweer en noodweerexces niet slagen.
De verdachte had zich vervolgens ook nog kunnen onttrekken aan de situatie, bijvoorbeeld door weg te rennen. Het gebeurde had immers plaats op de openbare weg; er zijn geen aanwijzingen dat hij niet weg kon komen. Niet is gebleken dat de gestelde bedreiging zo ernstig was dat onttrekking aan de situatie voor de verdachte geen reëel alternatief was. Het voorgaande is niet anders als de verdachte, zoals hij stelt, een zachte kopstoot heeft gekregen tegen zijn muts, omdat dit weinig heeft bijgedragen aan de dreiging. Nu niet is gebleken van een noodweersituatie, kan verwerpt de rechtbank ook daarom het beroep op noodweer en noodweerexces.
Gelet op het hiervoor overwogene is het bewezen verklaarde volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Ook is de verdachte strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

5.De strafoplegging

5.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde bijzondere voorwaarden gevorderd.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd en dat aansluiting bij het advies van de reclassering wordt gezocht.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer in zijn buik te steken. Hierdoor heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer in zeer ernstige mate geschonden. Hoewel de rechtbank ervoor oog heeft dat de verdachte na de eerste confrontatie met de aangever is weggelopen en het slachtoffer hem achterna is komen lopen, heeft hij later - op het moment waarop hij en het slachtoffer hoofd aan hoofd kwamen te staan - de confrontatie niet geschuwd. In die situatie heeft hij uiterst disproportioneel gereageerd door het slachtoffer te steken, terwijl hij zich ook aan die situatie had kunnen onttrekken. Dit rekent de rechtbank de verdachte dan ook zwaar aan. Uit de door de gemachtigde van het slachtoffer op de terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer nog dagelijks met de gevolgen van het handelen van de verdachte wordt geconfronteerd.
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 16 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder in aanraking met politie en justitie is geweest. Dit is niet van invloed op de op te leggen straf.
In haar advies van 15 maart 2026 heeft de reclassering geconstateerd dat bij de verdachte sprake is van problematiek binnen de emotieregulatie en impulsbeheersing. De reclassering acht het recidiverisico gemiddeld. De reclassering acht interventies gericht op het (delictsgerelateerde) psychosociale functioneren en de houding van de verdachte noodzakelijk. De emotie-/agressieregulatie moet worden verstrekt en geweldloze handelingsalternatieven moeten worden aangeleerd. De reclassering heeft bij een veroordeling geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht en ambulante behandeling, zijn te verbinden.
Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, komt slechts oplegging van een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt in aanmerking.
Alles afwegende, is de rechtbank is van oordeel dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd voor de duur van twee jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten poging tot doodslag. Gelet op het geconstateerde recidivegevaar en het zorgwekkende psychosociale functioneren van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

6.De voorlopige hechtenis

De verdachte heeft tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis goed meegewerkt aan de schorsingsvoorwaarden, zo heeft de reclassering gerapporteerd. De rechtbank gaat ervan uit dat het recidivegevaar met de aan het voorwaardelijke strafdeel te verbinden bijzondere voorwaarden voldoende wordt ingeperkt en zal de schorsing van de voorlopige hechtenis daarom laten voortduren.

7.De vordering van de benadeelde partij

7.1.
De vordering
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 29.550,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 14.550,- aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 19.150,-, bestaande uit € 9.150,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het niet toe te wijzen deel moet niet-ontvankelijk verklaard worden, waarbij de benadeelde partij zich tot de burgerlijke rechter kan wenden.
7.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering te ingewikkeld is om in dit strafgeding behoorlijk te kunnen worden beoordeeld. Het verzoek is daarom de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘Jeans’ ad € 100,- en ‘T-shirt’ ad € 50,-, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd.
De rechtbank kan wat betreft de post ‘Gemiste inkomsten’ de omvang van die gemiste inkomsten niet nauwkeurig vaststellen. De benadeelde partij heeft immers een brutobedrag van de misgelopen omzet van zijn eenmanszaak opgevoerd. Die omzet heeft hij berekend aan de hand van omzet in de weken voorafgaand aan het strafbare feit. Ter onderbouwing daarvan zijn drie facturen overgelegd die hij heeft gefactureerd aan een opdrachtgever. Die onderbouwing is onvoldoende om te komen tot een daadwerkelijke vaststelling van de geleden schade. Immers, omzet is niet hetzelfde als winst / inkomen, en dat inkomen zou bovendien moeten worden vastgesteld aan de hand van het genoten inkomen over een langere periode.
De rechtbank vindt het wel voldoende aannemelijk dat het nettobedrag aan gemiste inkomsten over vier weken, te weten het herstel volgens de medische informatie, in ieder geval € 1.000,- bedraagt. Tot dit bedrag zal de rechtbank de vordering ter zake van de gevorderde materiële schade toewijzen.
De rechtbank zal de vordering voor het meerdere ter zake van de materiële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering ter zake nader te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, aangezien hij een groot litteken aan het gebeurde heeft overgehouden. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 8.000,- . De rechtbank heeft bij de vaststelling van dit bedrag aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal categorie 10b (middelzware littekenvorming). De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal voor het overige worden afgewezen.
Totaal toegewezen
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 9.150,-, bestaande uit € 1.150,- aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Aangezien de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8.De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 9.150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever].

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot doodslag;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
TWEE (2) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
EEN (1) JAAR, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Reclassering Nederland in
Den Haag, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, om zich te laten behandelen voor psychische problematiek, agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van
€ 9.150,-, bestaande uit
€ 1.150,-aan materiële schade en uit
€ 8.000,-aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];
wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade af voor zover deze vordering het bedrag van € 8.000,- te boven gaat;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van inkomstenschade voor zover deze vordering het bedrag van € 1.000,- te boven gaat en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 9.150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 70 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Dantuma-Hieronymus, voorzitter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
mr. G. Kuijper, rechter,
in tegenwoordigheid van R.O. Hollander, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2026.