De rechtbank Den Haag heeft op 31 maart 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor het witwassen van een Louis Vuitton-tas. De zaak betrof de vaststelling en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank hield terechtzittingen op 25 mei 2023 en 17 maart 2026, waarbij het openbaar ministerie een vordering indiende tot ontneming van €7.380,-. De veroordeelde ontving op 16 december 2020 een schenking van €2.000,- van haar toenmalige vriend, waarvan de rechtbank aannam dat dit bedrag afkomstig was uit de opbrengst van een overval op een Albert Heijn, waarbij koopzegels en geld waren gestolen.
De rechtbank oordeelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet direct uit het bewezen verklaarde witwassen kon worden afgeleid, maar wel aannemelijk was dat andere strafbare feiten, waaronder de overval, hebben geleid tot het voordeel. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €2.000,-. Van dit bedrag werd het verbeurd verklaarde bedrag van €1.060,- in mindering gebracht, waardoor de betalingsverplichting op €940,- werd vastgesteld. De rechtbank constateerde een schending van de redelijke termijn, maar achtte dit niet doorslaggevend voor de betalingsverplichting.
De rechtbank legde de betalingsverplichting op aan de veroordeelde en bepaalde een maximale gijzelingstermijn van 9 dagen bij niet-betaling. De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.