Verzoeker heeft op 23 augustus 2025 asiel aangevraagd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag bij besluit van 3 oktober 2025 af als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter besloot, na toestemming van partijen, de zaak zonder zitting te behandelen en sloot het onderzoek. Op 4 februari 2026 deed de rechtbank Den Haag uitspraak op het beroep, waarbij het verzoek om asiel werd afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Omdat de definitieve uitspraak onherroepelijk is, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar en er staat geen hoger beroep of verzet open.