Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7394

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
24/3292
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.E. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de loonbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens onvoldoende medewerking aan onderzoek hoofdverblijf

Eiser ontving vanaf september 2019 een bijstandsuitkering die het college per april 2023 opschortte en later introk met terugvordering van ruim €46.000 vanwege twijfel over zijn hoofdverblijf. Het college baseerde dit op extreem lage waterstanden en het niet meewerken van eiser aan huisbezoeken en gesprekken.

Eiser betwistte de waterstanden en leverde tijdens de beroepsprocedure gecorrigeerde facturen aan, maar deze kwamen te laat om het besluit te beïnvloeden. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende medewerking had verleend en dat het college conform de Participatiewet had gehandeld, inclusief het bieden van hersteltermijnen.

De rechtbank wees ook op de onzorgvuldige proceshouding van het college door het niet nakomen van afspraken over het huisbezoek en het wekken van verkeerde verwachtingen. Desondanks was het bestreden besluit niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de intrekking en terugvordering in stand blijven.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3292

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C. Walker),
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college
(gemachtigde: mr. N.T. Bui).

Procesverloop

1. Eiser ontving vanaf 4 september 2019 een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Op 19 april 2023 heeft het college eisers uitkering per 17 april 2023 opgeschort. Met het primaire besluit van 17 september 2023 heeft het college eisers uitkering ingetrokken per 17 april 2023 en over de periode van 4 september 2019 tot en met 17 april 2023 een bruto bedrag van € 53.434,21 teruggevorderd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het bestreden besluit van 4 maart 2024 heeft het college eisers bezwaar gegrond verklaard. Het college heeft het primaire besluit herroepen voor wat betreft de intrekking en terugvordering over de periode van 4 september 2019 tot en met 9 maart 2020. De intrekking en terugvordering over de periode 10 maart 2020 tot 1 april 2023 werd in stand gelaten en het terugvorderingsbedrag werd verlaagd naar € 46.636,96 bruto.
1.2.
Eiser heeft op 10 april 2024 beroep ingesteld en het beroepschrift op 9 oktober 2025 aangevuld. Het college heeft op 7 juni 2024 gereageerd met een verweerschrift en dit op 11 februari 2025 aangevuld. De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
1.3.
Het college heeft op 25 november 2025 en 20 februari 2026 aanvullingen op het verweerschrift gestuurd. Eiser heeft op 9 januari 2026 een aanvulling op het beroepschrift gestuurd. Deze stukken betrekt de rechtbank niet in haar beslissing omdat de inhoud ervan niet van belang is voor de beoordeling van het bestreden besluit.
1.4.
Partijen hebben aangegeven dat zij geen gebruik willen maken van een nadere zitting. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 4 maart 2026 gesloten.

Toetsingskader

2. De voor de beoordeling van het beroep relevante wetgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser staat ingeschreven op het adres [adres] (het uitkeringsadres). Omdat het college in december 2022 en in januari en februari 2023 geen contact kreeg met eiser, en onder meer een aangetekende brief retour had ontvangen, heeft het college in 2023 onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van eisers uitkering. In dat kader heeft het college administratief onderzoek verricht, op 29 maart 2023 een huisbezoek afgelegd (waarbij veel ongeopende post op de deurmat werd gezien) en bij de waterleverancier het waterverbruik op het uitkeringsadres opgevraagd over de uitkeringsperiode. De waterleverancier heeft de volgende waterstanden opgeven, die waren vastgesteld op basis van schattingen en hetgeen eiser via internet had doorgegeven:
  • van 10 maart 2020 tot 13 maart 2021: 3 m3;
  • van 13 maart 2021 tot 1 april 2022: 3 m3; en
  • van 1 april 2022 tot 1 april 2023: 3 m3.
3.1.
Vervolgens heeft het college eiser per brief van 12 april 2023 uitgenodigd voor een gesprek op 17 april 2023. Eiser is niet op dit gesprek verschenen. Het college heeft diezelfde dag een tweede huisbezoek afgelegd, ook met het doel eisers watermeterstand op te nemen. Eiser heeft toen aangegeven dat hij de medewerkers niet naar binnen wilde laten en dat hij niet wilde meewerken aan het onderzoek en het opnemen van de watermeterstand. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij geen water verbruikte op het uitkeringsadres omdat hij douchte op de sportschool. Het college heeft eiser 10 minuten bedenktijd verleend en hem een brief overhandigd waarin stond dat wanneer hij na de hersteltermijn van 10 minuten nogmaals geen toestemming zou geven voor het huisbezoek zijn uitkering op de dag van de weigering zou worden beëindigd, waarbij werd verwezen naar artikel 54 van Pro de Pw. Nadat de hersteltermijn was verstreken is eiser bij zijn besluit gebleven de toegang tot de woning en het opnemen van zijn watermeterstand niet toe te staan.
3.2.
Vervolgens heeft het college eiser per brief van 19 april 2023 laten weten dat zijn uitkering per 17 april 2023 in verband met de weigering van het huisbezoek was opgeschort en eiser uitgenodigd voor een gesprek op 1 mei 2023. In deze brief werd benadrukt dat het college voornemens was eisers uitkering te beëindigen en dat eiser in de gelegenheid werd gesteld in een gesprek alsnog duidelijkheid te verschaffen over zijn woonsituatie. Ook stond in deze brief dat wanneer eiser niet op de geplande afspraak zou komen en de gevraagde gegevens - waaronder het waterverbruik op het uitkeringsadres - niet zou inleveren, dat zou kunnen betekenen dat de aan hem verstrekte uitkering zou worden teruggevorderd. Eiser is ook op het gesprek van 1 mei 2023 niet verschenen.
3.3.
Naar aanleiding van bovenstaande gebeurtenissen hebben medewerkers van het team controle & handhaving op 9 mei 2023 een handhavingsrapport opgesteld, waarbij het college werd geadviseerd eisers uitkering in te trekken. Het college is vervolgens overgaan tot intrekking en terugvordering van eisers uitkering.
3.4.
Eiser betwist in de beroepsprocedure de waterstanden zoals die door het college zijn gehanteerd. Eiser heeft contact opgenomen met de waterleverancier, aan hen een foto van de watermeter gestuurd en opgegeven op welke jaren het verbruik zag. Naar aanleiding daarvan heeft de waterleverancier drie gecorrigeerde jaarfacturen verstuurd en deze facturen heeft eiser vervolgens op 9 oktober 2025 aan de rechtbank gestuurd. Op de gecorrigeerde jaarfacturen staat het volgende verbruik:
  • van 10 maart 2020 tot 13 maart 2021: 57 m3;
  • van 13 maart 2021 tot 1 april 2022 60 m3; en
  • van 1 april 2022 tot 1 april 2023: 57 m3.
3.5.
Eiser stelt op basis van de gecorrigeerde jaarfacturen dat hij zijn hoofdverblijf wél op het uitkeringsadres had tussen 10 maart 2020 en 17 april 2023 en volgens eiser zijn er daarom geen gronden meer om de uitkering van eiser over die periode in te trekken en terug te vorderen. Ook stelt eiser dat hem geen (redelijke) hersteltermijn is geboden.
3.6.
Het college stelt dat eiser, ook nadat hem een hersteltermijn werd geboden, niet heeft meegewerkt aan het onderzoek naar zijn hoofdverblijf en dat eiser daarmee zijn medewerkingsplicht heeft geschonden. Het college heeft ter zitting aangegeven twijfels te hebben bij de juistheid van de meest recente waterstanden, omdat deze door de waterleverancier zijn vastgesteld op basis van gegevens die door eiser zijn verstrekt. Met zijn verklaringen over het lage waterverbruik - onder andere dat hij zou hebben gedoucht bij de sportschool - heeft eiser volgens het college niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres in de periode van 4 september 2019 tot en met 17 april 2023.
Heeft eiser voldoende meegewerkt aan het onderzoek van het college?
4. De rechtbank moet het bestreden besluit toetsen aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van dat besluit.
4.1.
Nadat het college, mede op basis van extreem lage waterstanden, eisers hoofdverblijf op het uitkeringsadres niet kon vaststellen, heeft het college eiser met uitnodigingen voor gesprekken en bij een huisbezoek in de gelegenheid gesteld om alsnog opheldering te geven over zijn hoofdverblijf. Toen eiser daar niet aan meewerkte heeft het college eisers uitkering op basis van artikel 54, eerste lid van de Pw, opgeschort. Door vervolgens ook niet te verschijnen op het gesprek waarvoor hij op 1 mei 2023 door het college was uitgenodigd, heeft eiser zijn verzuim niet hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn en heeft het college eisers uitkering ingetrokken op basis van artikel 54, vierde lid van de Pw.
4.2.
Door niet mee te werken aan het huisbezoek heeft eiser onvoldoende medewerking verleend aan het onderzoek van het college naar zijn hoofdverblijf. Door, nadat hem bij opschorting van zijn uitkering een hersteltermijn was geboden, niet te verschijnen op het gesprek heeft eiser dit verzuim niet hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn. Het college moest van deze omstandigheden uitgaan bij het nemen van het bestreden besluit. Overigens heeft eiser ook tijdens de bezwaarprocedure nagelaten (met objectieve en verifieerbare bewijzen) duidelijkheid te verschaffen over zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres. De door het waterbedrijf gecorrigeerde watermeterstanden zijn pas tijdens de beroepsprocedure door eiser aangeleverd.
4.3.
Voor wat betreft eisers stelling dat hem een aanvullende hersteltermijn had moeten worden geboden om gegevens te leveren over het waterverbruik en dat het college hem de consequenties van het niet meewerken aan het huisbezoek duidelijker had moeten uitleggen, merkt de rechtbank het volgende op. Nadat eiser door het college was uitgenodigd om in een gesprek duidelijkheid te verschaffen over zijn hoofdverblijf en hij niet was verschenen, heeft het college een huisbezoek afgelegd waarbij eiser niet meewerkte. Het college heeft eiser daarbij een hersteltermijn van 10 minuten geboden, waarna eiser opnieuw aangaf niet te willen meewerken, en het college is daarna overgegaan tot opschorting van eisers uitkering. Vervolgens is eiser per brief van 19 april 2023 opnieuw uitgenodigd voor een gesprek, waarmee hem een hersteltermijn werd geboden. In deze brief stond ook vermeld dat niet meewerken zou kunnen betekenen dat de aan eiser verstrekte uitkering zou worden teruggevorderd. Met bovenstaande werkwijze heeft het college gehandeld zoals artikel 54 van Pro de Pw dat voorschrijft. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen in het betoog dat hem (nog) een hersteltermijn geboden had moeten worden en dat hem (nog) duidelijker had moeten worden uitgelegd wat de consequenties zouden zijn wanneer hij niet meewerkte.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.5.
De rechtbank hecht eraan het volgende op te merken over de proceshouding van het college tijdens de beroepsprocedure. Met partijen is ter zitting afgesproken dat het college een huisbezoek aan eiser zou afleggen waarbij een foto van de watermeter zou worden gemaakt, om op basis van die foto eisers hoofdverblijf op het uitkeringsadres in de uitkeringsperiode te kunnen vaststellen. Het college gaf aan in dat geval de terugvordering te zullen intrekken en een nieuw besluit te zullen nemen over de periode ná het huisbezoek. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om deze werkwijze te faciliteren. Op 25 november 2025 is het college hier echter in een aanvulling op het verweerschrift van teruggekomen. Volgens het college kon een foto van de watermeter toch geen opheldering geven over het waterverbruik over de drie door de waterleverancier gecorrigeerde perioden. Ook hield het college rekening met de mogelijkheid dat eiser 4,8 dagen de kraan heeft laten lopen om zo de watermeterstand achteraf te verhogen. Door de rechtbank en eiser ter zitting onjuist in te lichten heeft het college gezorgd voor onnodige vertraging en heeft het college verwachtingen gewekt die vervolgens niet zijn nagekomen. Dit verdraagt zich niet met de proceshouding die van een bestuursorgaan mag worden verwacht.
Is het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel?
5. Volgens eiser is het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat het college niet is ingegaan op hetgeen tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure is aangevoerd, namelijk dat het handhavingsrapport pas op 17 mei 2023 is opgesteld en dat dit niet op ambtseed is gebeurd. De rechtbank begrijpt eisers betoog zo, dat het bestreden besluit niet had mogen worden gebaseerd op het handhavingsrapport omdat het te lang na het huisbezoek van 17 april 2023 was opgesteld en niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgesteld.
5.1.
Volgens het college is het niet ongebruikelijk dat medewerkers van team controle & handhaving alvast starten met rapporteren en het rapport op een gegeven moment, in dit geval 22 dagen later, afsluiten. De medewerkers die het onderzoeksrapport in deze zaak hebben opgesteld zijn bij hun indiensttreding beëdigd. Ook stelt het college dat het handhavingsrapport dusdanig gedetailleerd is dat daar - ook als het niet ambtsedig zou zijn opgemaakt - bewijskracht aan kan worden ontleend.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het handhavingsrapport is ondertekend maar daarbij niet is vermeld dat het op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt. Volgens vaste jurisprudentie brengt dat met zich mee dat aan het rapport minder bewijskracht toekomt, maar niet dat het zonder betekenis is. [1] Het rapport bevat een gedetailleerd verslag van toezichthouders van het college, van wie niet is gebleken dat zij een belang hadden bij het onjuist vermelden van hetgeen zij hebben waargenomen. Ook heeft eiser in de bezwaarprocedure niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen in het onderzoeksrapport onjuist waren. Betwisting is op zichzelf is onvoldoende om aan de juistheid van het rapport te twijfelen.
5.3.
Het college heeft het handhavingsrapport mogen betrekken bij zijn besluitvorming en heeft het bestreden besluit niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was de gebruteerde terugvordering onevenredig?
6. Voor wat betreft het betoog van eiser dat het college bij de brutering van de terugvordering ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt op grond van het evenredigheidsbeginsel, overweegt de rechtbank dat eiser deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Eiser heeft geen concrete omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de terugvordering in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Boer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 17
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. (…)
Artikel 54
1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.
(…)
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1247, onder 5.1 en de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:390, onder 2.4.