Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7409

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
NL25.45487
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrechtEVRM Art. 8
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens niet-tijdig beslissen

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis en familie- en gezinsvorming. Tijdens de procedure heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag, waarna verzoekers het beroep hebben ingetrokken.

De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht definitief toegewezen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister door het alsnog nemen van het besluit geheel of gedeeltelijk aan verzoekers tegemoet is gekomen, waardoor op grond van artikel 8:75a Awb proceskostenvergoeding kan worden toegekend.

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan verzoekers, vastgesteld op €467, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor 'licht' vanwege de beperkte aard van het beroep. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 31 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van €467 aan verzoekers na intrekking van het beroep wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.45487
V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] , [V-nummer 3] , [V-nummer 4] en [V-nummer 5]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster 1] , verzoekster 1,

[verzoeker 1], verzoeker 1,
[verzoekster 2], verzoekster 2,
[verzoeker 2], verzoeker 2,
[verzoeker 3], verzoeker 3,
hierna tezamen: verzoekers,
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben op 19 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag van [referent] (referent) om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verzoekster 1 en verzoeker 2, en voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] voor verzoekster 2, verzoeker 2 en verzoeker 3.
Op 11 maart 2026 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Verzoekers hebben het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Verzoekers hebben verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het overgelegde formulier is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoekers heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoekers tegemoetgekomen.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.