Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7427

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
SGR 26/1785
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WomArt. 5 WomArt. 11 EVRMArt. 9 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beperking demonstratie wegens brandveiligheid

Verzoeker heeft een demonstratie aangemeld in het atrium van een rijkskantoorgebouw, waarbij brandbare goederen werden gebruikt. Verweerder legde op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) een beperking op die het gebruik van brandbare goederen binnen 10 meter van het gebouw verbood vanwege brandveiligheidsrisico's vastgesteld door een Kiwa-inspecteur.

Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de beperking te schorsen, stellende dat het demonstratierecht onrechtmatig werd beperkt en dat het besluit in strijd was met artikel 11 EVRM Pro en artikel 9 Grondwet Pro. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek en liet partijen de situatie ter plaatse bekijken.

Na herbeoordeling door Kiwa werd een aangepaste situatie toegestaan onder voorwaarden, waaronder het gebruik van brandwerende tenten met certificaat en het verbod op elektriciteitsbronnen. Verzoeker stemde niet in met de certificeringseis en vreesde misbruik van bevoegdheid.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de beperking rechtmatig was, noodzakelijk in het belang van de gezondheid en veiligheid, en dat het demonstratierecht niet onaanvaardbaar werd beperkt. De beperking was proportioneel en gebaseerd op deskundige normen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beperking van de demonstratie wegens brandveiligheidsrisico's is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1785

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. dr. A.G. Awesta)
en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Buvelot en mr. S. El Boustati).

Inleiding

1. Deze uitspraak heeft betrekking op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen een beperking die verweerder aan een demonstratie heeft opgelegd op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom).
1.1.
Verweerder heeft bij besluit van 27 februari 2026 bepaald dat bij een door verzoeker aangemelde demonstratie geen gebruik mag worden gemaakt van brandbare goederen. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
1.2.
Verzoeker heeft de rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2026. Daarbij verschenen verzoeker met zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.
1.4.
Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen de gelegenheid te geven op 6 maart 2026 de plaatselijke situatie te bekijken in aanwezigheid van een Kiwa-inspecteur en eventueel tot afspraken te komen.
1.5.
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt en hebben uitspraak gevraagd.

Procesverloop

Aanleiding voor het verzoek
2. Op 28 januari 2026 heeft verzoeker een demonstratie aangemeld. Verzoeker wil met ongeveer 10 deelnemers een statische sit-in demonstratie houden tegen het bewind in Iran. De aangegeven locatie is het atrium van het rijkskantoorgebouw aan de Rijnstraat 8. Bij de demonstratie wordt een samenstel van goederen gebruikt. In de aanmelding wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van vlaggen, een tent, foto’s en banners. Deze demonstratie is gefaciliteerd door verweerder.
2.1.
Verzoeker heeft op 7 februari 2026 opnieuw een melding gedaan met als doel de demonstratie tot 31 maart 2026 op dezelfde wijze voort zetten.
3. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft verweerder op 19 februari 2026 ingelicht over de bevindingen van het certificeringsbureau Kiwa. De inspecteur van Kiwa heeft vastgesteld dat geen certificering voor de sprinklerinstallatie van het rijkskantoorgebouw kan worden verstrekt, vanwege de aanwezigheid van een tent met brandbare spullen bij de demonstratie in het atrium. Een samenstel van brandbare goederen op minder dan 10 meter afstand is namelijk strijdig met de brandveiligheidsnormen uit het Uitgangspuntendocument brandveiligheidseisen (“het UPD”) dat voor het gebouw is afgegeven.
4. Met het bestreden besluit van 27 februari 2026 heeft verweerder een beperking opgelegd op grond van een risico voor de veiligheid en gezondheid van demonstranten, omstanders en aanwezigen binnen het gebouw. Verweerder heeft beslist dat het gebruik van brandbare goederen niet is toegestaan binnen een afstand van 10 meter tot het rijkskantoorgebouw.
5. Verzoeker heeft de tent en de elektrische apparatuur moeten verwijderen.
6. Verzoeker heeft op 1 maart 2026 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Op 2 maart 2026 heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek
7. Volgens verzoeker moet het bestreden besluit worden geschorst, omdat verweerder zich op ongeoorloofde wijze in het demonstratierecht mengt en daarmee de demonstratie onmogelijk maakt. Hiermee handelt verweerder onder meer in strijd met artikel 11 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 9 van Pro de Grondwet. Het besluit is onrechtmatig en verder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Ontwikkelingen na de zitting
8. Op 6 maart 2026 heeft de inspecteur van Kiwa de brandveiligheid van de situatie van de demonstratielocatie opnieuw beoordeeld. Deze situatie is vastgelegd in foto’s. De conclusie is dat de opslag van de goederen, in het kader van de brandveiligheid, op 6 maart 2026 voldoende is. Alhoewel ook de geconstateerde situatie strikt genomen niet in het geheel voldoet aan de brandveiligheidsnormen, is het brandveiligheidsrisico in deze situatie op een acceptabel niveau. Daarom staat verweerder de huidige situatie toe onder drie voorwaarden (-) er mag geen toename zijn van het aantal brandbare goederen, (-) er mag op de locatie geen gebruik worden gemaakt van elektriciteitsbronnen of ontstekingsmechanismen, waarmee ook het gebruik van een terrasheater niet is toegestaan en (-) het plaatsen van een tent kan alleen als deze brandwerend of brandvertragend is en van de bijbehorende certificaten is voorzien.
9. Verzoeker heeft zich akkoord verklaard met het verwijderd houden van elektriciteitsbronnen of ontstekingsmechanismen en met het uitgangspunt dat de tent van brandwerend of -vertragend materiaal moet zijn, maar kan zich niet vinden in de aanvullende eis dat de tent moet beschikken over bijbehorende certificaten. Verder is niet duidelijk wat precies is toegestaan. Het lijkt daarmee op een gedoogconstructie, terwijl verweerder ieder moment kan handhaven. Daarbij lijkt er sprake van détournement de pouvoir, namelijk dat het brandveiligheidsbelang wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is gegeven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het toepasselijk kader
10. De uitoefening van het demonstratierecht van artikel 11 van Pro het EVRM kan aan formaliteiten, voorwaarden of beperkingen worden gebonden, die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn. Artikel 9 van Pro de Grondwet, de nationaalrechtelijke tegenhanger, bepaalt in het tweede lid dat bij wet regels mogen worden gesteld. In de Wom heeft de wetgever gebruikgemaakt van de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels aan de uitoefening van het demonstratierecht. Op grond van de Wom kan de burgemeester een demonstratie aan voorschriften en beperkingen binden, of eventueel onder strikte voorwaarden verbieden. [1] Deze bevoegdheid kan onder meer worden aangewend ter bescherming van de gezondheid van personen. [2]
De inperking van het demonstratierecht
11. Anders dan verzoeker betoogt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder voldoende rekening houdt met de uitoefening van verzoekers recht op demonstratie. Hierbij is het volgende van belang.
12. Verweerder heeft meegedeeld dat de situatie van 6 maart 2026 kan worden toegestaan, maar niet uitdrukkelijk vastgesteld dat de situatie volledig brandveilig is. Uit de foto’s die van de situatie zijn genomen, blijkt dat er nog doeken hangen. Het bevreemdt dus niet, dat de inspecteur nog een brandrisico signaleert. Verzoeker heeft evenwel niet te vrezen voor handhavend optreden, omdat hij bereid is elektriciteitsbronnen of ontstekingsmechanismen verwijderd te houden. Verzoeker kan zich ook vinden in het gebruik van een tent die brandwerend of brandvertragend is. Dat daarvan dan een certificaat wordt gevraagd is geen extra eis, maar een bevestiging dat sprake is van brandwering of brandvertraging. Voor het geval verzoeker mocht twijfelen of een bepaalde tent zou volstaan, kan daarover zo nodig contact worden opgenomen met verweerder.
13. De voorzieningenrechter ziet verder geen reden te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en overweegt daartoe als volgt.
14. Op grond van artikel 2 en Pro 5, eerste lid van de Wom kan de uitoefening van het demonstratierecht worden ingeperkt in het belang van de gezondheid. Dit belang kan betrekking hebben op een veelheid aan situaties en risico’s. Het is voldoende duidelijk dat risico’s voor de brandveiligheid daaronder vallen.
15. Verweerder heeft op basis van de waarnemingen van de inspecteur geconcludeerd dat de situatie ten tijde van de tweede aanmelding een brandveiligheidsrisico meebracht. De feiten zijn hiermee voldoende zorgvuldig vastgesteld en getoetst aan een duidelijk afstandscriterium. Dit criterium houdt in dat binnen een afstand van 10 meter tot de beveiligde gebieden geen brandbare goederen worden opgeslagen. Deze norm is ontleend aan het UPD, een door een deskundige opgesteld document waarin keuzes en uitgangspunten voor brandbeveiliging zijn vastgelegd, die op het betreffende gebouw zijn toegesneden. Dit sluit aan op de criteria van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in “CCV Technisch Bulletin 65”. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van deze norm. Daarbij zijn er geen aanwijzingen dat verweerder de bevoegdheid tot inperking van de demonstratie misbruikt om de certificering veilig te stellen.
16. Anders dan verzoeker betoogt, is er geen verbod opgelegd, maar een beperking gesteld. De mogelijkheid om het protest te voeren wordt verzoeker niet ontnomen. Voor het uiten van het protest is de aanwezigheid van brandgevaarlijke goederen niet onontbeerlijk. Dat bepaalde brandbare voorwerpen de inhoud van het protest symboliseren is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij is duidelijk dat, zoals verweerder heeft meegedeeld, verzoeker gebruik kan maken van de bij de melding genoemde uitingsobjecten, zoals vlaggen, banners en foto’s. Hiermee blijft de essentie van het openbaar uitdragen van een mening op een zichtbare plek in stand.
17. Voor het verwijt dat verweerder zich een vrijbrief geeft om op ieder moment te kunnen ingrijpen om de demonstratie te beëindigen, vindt de rechtbank geen steun in de feiten. Verweerder heeft naar mogelijkheden gezocht om de demonstratie zoveel mogelijk te ontzien. Hij heeft niet naar een zwaar middel gegrepen, maar een redelijke beperking opgelegd in het belang van de gezondheid van de vele mensen die gebruik maken en zich in de buurt begeven van het gebouw.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
19. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 5, eerste lid van de Wom.
2.Artikel 2 van Pro de Wom.