Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7457

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/09/643391 / FA RK 23-1398
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming bijzondere curator wegens langdurig uitblijven contact tussen vader en minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelt een verzoek van de vader tot herstel van contact met zijn minderjarige zoon, dat ondanks bijna twee jaar ondertoezichtstelling niet tot stand is gekomen. De moeder voert aan dat zij therapie volgt en dat intensieve traumatherapie pas na afronding van de rechtszaken zal starten. De vader stelt dat onvoldoende actie is ondernomen en wijst op schending van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank constateert dat er nog geen serieuze poging is gedaan om contact tussen vader en zoon te bewerkstelligen. De hulpverlening is niet van de grond gekomen en passende trajecten ontbreken. Gezien het belang van de minderjarige en het ontbreken van contact, benoemt de rechtbank een bijzondere curator om de situatie te onderzoeken, met de opdracht om te adviseren over de mogelijkheden van contactherstel en begeleiding.

De bijzondere curator zal met de minderjarige en ouders in gesprek gaan, informatie inwinnen en een verslag uitbrengen uiterlijk 1 augustus 2026. De rechtbank houdt verdere beslissingen over omgang pro forma aan tot 15 augustus 2026. De ouders worden verplicht medewerking te verlenen aan de bijzondere curator. Een verzoek tot het opleggen van een dwangsom wordt aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank benoemt een bijzondere curator om het contact tussen vader en minderjarige te onderzoeken en te bevorderen en houdt verdere beslissingen over omgang pro forma aan tot augustus 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-1398
Zaaknummer: C/09/643391
Datum beschikking: 2 maart 2026

Omgang

Beschikking op het op 6 februari 2023 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.F.A. van Pelt te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erkens te Wateringen.

Procedure

Bij beschikking van 7 juli 2023 van deze rechtbank is bepaald:
  • dat de moeder de vader viermaal per jaar schriftelijk informatie moet verschaffen over gewichtige aangelegenheden omtrent [minderjarige] (zijn ontwikkeling en welzijn), met daarbij een goed gelijkende recente foto van [minderjarige];
  • dat iedere verdere beslissing ter zake van de omgangsregeling aangehouden zal worden en daarnaast is aan de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
Bij beschikking van 22 mei 2024 van deze rechtbank is bepaald:
  • dat [minderjarige]
  • dat iedere verdere behandeling van de omgangsregeling pro forma wordt aangehouden tot 1 november 2024 en is bepaald dat partijen de rechtbank vóór de genoemde pro forma datum moeten informeren omtrent het verloop van de omgangsregeling.
De moeder heeft op 21 augustus 2024 hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemde beschikking. Bij dat beroep heeft de moeder verzocht tot schorsing van de werking van bestreden beschikking. Het Gerechtshof (hierna: het hof) heeft bij beschikking van 13 november 2024 de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar schorsingsverzoek en heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
Bij beschikking van 28 november 2024 van deze rechtbank is bepaald:
  • dat [minderjarige]
  • dat iedere verdere behandeling van de omgangsregeling pro forma wordt aangehouden tot 1 mei 2025 en is bepaald dat partijen de rechtbank vóór de genoemde pro forma datum moeten informeren omtrent het verloop van de omgangsregeling.
Bij beschikking van 2 juni 2025 is bepaald:
- dat [minderjarige] voorlopig onder regie en naar inzicht van de jeugdbeschermer contact zal hebben met de vader;
- dat iedere verdere behandeling van de omgangsregeling pro forma wordt aangehouden tot 1 november 2025 en is bepaald dat partijen de rechtbank vóór de genoemde pro forma datum moeten informeren omtrent het verloop van de omgangsregeling.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:
- het F9-formulier 31 oktober 2025 met bijlage van de zijde van de moeder;
- het F9-formulier van 12 december 2025 van de zijde van de moeder;
- het F9-formulier met bijlage van 16 december 2025 van de zijde van de vader.
Op 2 februari 2026 is op de zitting van deze rechtbank zowel het onderhavige verzoek als het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] (C/09/696627 / JE RK 25-2180)
gecombineerd behandeld. Op laatstgenoemd verzoek is mondeling op 2 februari 2026 beslist.
Bij de zitting waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
- [naam 1] als vertegenwoordiger van de Raad;
- [naam 2], als vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling.
Door de advocaat van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikkingen is overwogen en beslist.
Standpunt moeder
De moeder heeft gesteld dat het verzoek van de vader definitief moet worden afgewezen. De moeder heeft haar therapie aangevangen. De psycholoog wacht met de inzet van de intensieve traumatherapie tot de rechtszaken zijn afgerond gelet op de impact hiervan op de moeder. De moeder heeft als bijlage de terugkoppeling uit het multidisciplinair overleg (MDO) van [instantie] overgelegd. Er zijn in dit overleg een aantal adviezen geformuleerd om passende ondersteuning elders te bieden.
Standpunt vader
De vader heeft aangegeven dat hij uiterst teleurgesteld is over de vijf regels die het MDO van [instantie] aan deze zaak besteed heeft. De vader stelt dat [instantie] niet de enige organisatie is die advies kan geven / actie kan ondernemen. Er is in de afgelopen jaren onvoldoende actie ondernomen om tot contactherstel tussen de vader en [minderjarige] te komen. Noch rust noch therapie heeft verbetering mogen brengen. Gezien het verleden gaat de moeder niets doen met een vrijwillig traject. De moeder heeft al jaren de tijd en alle hulp gehad om haar EMDR af te ronden. Er is in deze zaak sprake van schending van artikel 8 EVRM Pro. De gecertificeerde instelling moet aan de slag en niet alleen door te wijzen naar hulp bij verlies ouderschap. Er bestaan meerdere goede alternatieven waarnaar niet gekeken is. De vader wijst op [zorginstelling] en op een NIFP-onderzoek.
De vader verzoekt de rechtbank de zaak aan te houden met een duidelijke opdracht aan de gecertificeerde instelling tot contactherstel.
Oordeel rechtbank
Bij mondelinge uitspraak tijdens de zitting van 2 februari 2026 heeft de kinderrechter het herstelrekest van de Raad afgewezen. Het doel van de Raad was om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor zes maanden om de gecertificeerde instelling in de gelegenheid te stellen een borgingsplan te maken zodat de hulpverlening in het vrijwillige kader verder kan plaatsvinden. Dat verzoek is afgewezen, kort gezegd, omdat de kinderrechter er geen vertrouwen (meer) in heeft dat een ondertoezichtstelling kan helpen bij het tot stand brengen van (enig) contact tussen vader en zoon.
Zoals de rechtbank tijdens de zitting heeft aangegeven, is er naar het oordeel van de rechtbank nog steeds niet alles aan gedaan om contact tussen de vader en [minderjarige] te bewerkstelligen. In de beschikkingen van 15 mei 2025 (in het kader van de ondertoezichtstelling) en van 2 juni 2025 (in het kader van de omgang) is geoordeeld dat er ten minste één serieuze poging moet worden ondernomen om contact tussen [minderjarige] en de vader tot stand te brengen. In de afgelopen periode heeft [instantie] weliswaar een intake gedaan, maar vervolgens heeft [instantie] aangegeven dat geen passend traject kan worden aangeboden dat aansluit bij de complexiteit en intensiteit van de hulpvragen van het gezin. Hierna zijn geen verdere stappen ondernomen.
Gelet hierop constateert de rechtbank dat er nog altijd geen serieuze poging tot het bewerkstelligen van contact tussen [minderjarige] en de vader is gedaan. In het licht van de Europese regelgeving waaruit volgt dat het nodige gedaan moet worden om contact tussen ouder en kind te herstellen in het kader van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), is de rechtbank van oordeel dat de mogelijkheden hiertoe nog niet zijn uitgeput.
Zoals de rechtbank op de zitting heeft aangegeven, ziet de rechtbank daarom aanleiding om een bijzondere curator te benoemen.
Ingevolge artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als -in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige- de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier gebleken is dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:250 BW Pro. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de nodige hulpverlening om het contact tussen [minderjarige] en de vader tot stand te brengen niet van de grond komt. Ondanks een bijna twee jaar durende ondertoezichtstelling is het niet gelukt om tot een fysieke ontmoeting tussen vader en zoon te komen. Zoals al eerder is geconstateerd heeft [minderjarige] nog nooit (in zijn leven) contact gehad met zijn vader. Hij kent zijn vader in het geheel niet (en vice versa). De rechtbank vindt het van belang dat [minderjarige] zelf een beeld krijgt van vader dat gebaseerd zal zijn op zijn eigen ervaringen en dat hij eventueel een band met hem kan opbouwen.
De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat er nu alsnog een bijzondere curator wordt benoemd om met [minderjarige] en beide ouders in gesprek te gaan en om te onderzoeken of en op welke manier het contact tussen [minderjarige] en de vader tot stand kan worden gebracht. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij een deskundige vertrouwenspersoon krijgt toegewezen die zijn belangen kan behartigen en hem kan vertegenwoordigen.
De griffier van de rechtbank heeft contact opgenomen met mevrouw drs. A. van Teijlingen en de onderzoeksopdracht uitgelegd. Daarop heeft mevrouw drs. A. van Teijlingen aangegeven dat zij zich daarvoor wil inzetten en daarvoor ruimte heeft vanaf april 2026. De rechtbank zal daarom mevrouw drs. A. van Teijlingen als bijzondere curator benoemen over [minderjarige].
De rechtbank verzoekt de bijzondere curator om de situatie en de belangen van [minderjarige] in kaart te brengen en de rechtbank en de ouders te adviseren over de (on)mogelijkheden van contact tussen [minderjarige] en de vader en, waar mogelijk, [minderjarige] en de vader te begeleiden in dit contact. Het staat de bijzondere curator vrij om te proberen tot een door alle betrokkenen gedragen oplossing te komen. Het staat de bijzondere curator ook vrij om, als zij dit nodig acht (met instemming van de ouders), bij derden nadere informatie op te vragen over [minderjarige] om een zo volledig en compleet mogelijk beeld te krijgen van de situatie en de betrokken belangen. Als de conclusie van de bijzondere curator is dat er op dit moment bij [minderjarige] geen draagvlak bestaat voor contact met de vader, dan verzoekt de rechtbank de bijzondere curator om advies te geven over wat helpend zou kunnen zijn in deze situatie en wat de bijzondere curator verder nog van belang vindt.
De rechtbank verwacht van de ouders dat zij volledige medewerking verlenen aan de bijzondere curator en haar op eerste verzoek de gevraagde informatie zullen verstrekken en reageren op uitnodigingen om met haar in gesprek te gaan. De rechtbank wijst ouders erop dat zij de verplichting hebben om gevolg te geven aan de instructies van de bijzondere curator, die zij hen geeft om haar taak te kunnen uitvoeren.
De rechtbank verzoekt de advocaten van de ouders het telefoonnummer en het e-mailadres van de ouders zo spoedig mogelijk naar de bijzondere curator te sturen (naar het in het dictum opgenomen e-mailadres), zodat de bijzondere curator hen kan uitnodigen voor een eerste gesprek.
De bijzondere curator is beschikbaar voor [minderjarige] vanaf april 2026. Van haar bevindingen dient de bijzondere curator uiterlijk op 1 augustus 2026, of zoveel eerder als mogelijk, schriftelijk verslag te doen aan de rechtbank en aan de ouders, waarop de ouders binnen twee weken kunnen reageren.
In afwachting van het onderzoek door en het verslag van de bijzondere curator, zal de rechtbank iedere verdere beslissing over de omgang pro forma aanhouden tot
15 augustus 2026. De behandeling op de zitting zal (indien nodig) op een nader te bepalen datum en tijdstip worden voortgezet in aanwezigheid van de bijzondere curator.
Dwangsom
De vader heeft tijdens de zitting verzocht om een dwangsom te verbinden aan de medewerking van de moeder.
De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek aan te houden, inde verwachting dat beide ouders hun volledige medewerking zullen verlenen aan de bijzondere curator.

Beslissing

De rechtbank:
benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats],
mevrouw drs. A. van Teijlingen, Mediation voor Jou, kantoorhoudende te [adres], [telefoonnummer], [e-mailadres];
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator zal toesturen;
bepaalt dat de advocaten van de ouders of de ouders zelf zo spoedig mogelijk de contactgegevens van de ouders en – waar mogelijk – de contactgegevens van [minderjarige] aan de bijzondere curator zullen e-mailen;
bepaalt dat de bijzondere curator
uiterlijk op 1 augustus 2026schriftelijk verslag dient te doen aan de rechtbank en aan de ouders;
bepaalt dat de ouders
binnen twee weken na ontvangst van het verslagvan de bijzondere curator, als zij dat willen, schriftelijk kunnen reageren op het verslag. Deze reactie dient aan de rechtbank, aan de bijzondere curator en aan de andere ouder te worden toegezonden;
bepaalt dat de behandeling op de zitting, na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator en voor zover nodig zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in aanwezigheid van de bijzondere curator;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van
de omgangsregelingaan tot
15 augustus 2026 pro forma;
houdt het verzoek tot het bepalen van een dwangsom aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, kinderrechter, bijgestaan door
D. van den Born als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2026.