Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7489

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/09/641614 / FA RK 23-488
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling zorg- en opvoedingstaken en vaststelling kinderalimentatie voor minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de moeder tot vaststelling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie voor hun minderjarige kind, geboren in 2022. Partijen bereikten overeenstemming over de zorgregeling en vakantie- en feestdagenregeling, waarbij het hoofdverblijf van het kind bij de moeder blijft met specifieke verblijfsperioden bij de vader.

De rechtbank verleende de moeder vervangende toestemming om het kind in te schrijven op dezelfde basisschool als haar andere kinderen, gelet op praktische overwegingen zoals afstand en schoolroosters. Het verzoek van de vader om inschrijving op een andere school werd afgewezen.

De kinderalimentatie werd vastgesteld op €157 per maand, met ingang van 1 januari 2023, rekening houdend met de draagkracht van beide ouders, de behoefte van het kind en een correctie voor door de vader gemaakte kinderopvangkosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank stelt de zorgregeling en kinderalimentatie vast en verleent vervangende toestemming voor schoolinschrijving aan de moeder.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 23-488
Zaaknummer: C/09/641614
Datum beschikking: 2 maart 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, alimentatie

Beschikking op het op 25 januari 2023 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Ahmadi te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.E.M. Elbertse te Pijnacker, voorheen mr. J. Todorov te Maasdijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de moeder;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vader;
- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, tevens zelfstandig verzoek van de moeder;
- het verweerschrift op de gewijzigde (zelfstandige) verzoeken van de vader;
- het F9-formulier van 21 maart 2023 van de moeder;
- het F9-formulier van 23 april 2025 van de vader;
- het F9-formulier van 21 januari 2026 van de vader, met bijlagen;
- het F9-formulier van 22 januari 2026 van de moeder, met bijlagen.
Op 2 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats] .
- De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1] .
- [minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De moeder is ook ouder van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] .
- Bij beschikking van 25 september 2023 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bij wijze van voorlopige voorzieningen de volgende zorgregeling vastgesteld in die zin dat [minderjarige 1] bij de vader is:
- in de even weken van woensdag 18.00 uur tot vrijdag 18.00 uur;
- in de oneven weken van woensdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt, na wijziging:
- te bepalen dat de volgende vakantie- en feestdagenregeling wordt vastgesteld:
  • schoolvakanties: in onderling overleg verdeeld;
  • Oud en Nieuw: om en om, waarbij [minderjarige 1] in 2025 bij de moeder zal zijn;
  • Pasen en Pinksteren: in onderling overleg en bij helfte verdeeld;
  • Koningsdag: in even jaren bij de moeder, in oneven jaren bij de vader;
  • kerstdagen: in onderling overleg bij helfte verdeeld
  • de vader is verantwoordelijk voor het ophalen en terugbrengen van [minderjarige 1] ;
  • te bepalen dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend voor de inschrijving van [minderjarige 1] op de [basisschool 1] te [plaats] , gelegen aan het [adres] [plaats] ;
  • te bepalen dat de vader met ingang van 13 december 2022 een bijdrage in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen dient te voldoen van € 216,- per maand, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht;
  • te bepalen dat de bijdrage in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen met ingang van 1 januari 2024 wordt vastgesteld op € 189,- per maand, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht;
  • te bepalen dat de bijdrage in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen met ingang van 1 januari 2025 wordt vastgesteld op € 250,- per maand, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt:
- te bepalen dat een zorgregeling wordt vastgesteld zoals genoemd in de punten 4 tot en met 7 van het verweerschrift inhoudende dat [minderjarige 1] bij de vader verblijft:
  • in de even weken van woensdag 18.00 uur tot vrijdag 18.00 uur;
  • in de oneven weken van woensdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;
- te bepalen dat de volgende vakantie- en feestdagenregeling wordt vastgesteld:
  • Oud en Nieuw: het ene jaar bij de ene ouder, het andere jaar bij de andere ouder;
  • Pasen: eerste paasdag volgens de reguliere zorgregeling, tweede paasdag bij de ouder bij wie [minderjarige 1] de eerste paasdag al was;
  • Pinksteren: eerste pinksterdag volgens de reguliere zorgregeling, tweede pinksterdag bij de ouder bij wie [minderjarige 1] de eerste pinksterdag al was;
  • zolang partijen beiden in [plaats] wonen is de vader verantwoordelijk voor het ophalen en brengen;
  • indien partijen niet meer in dezelfde stad wonen, brengt de ouder bij wie [minderjarige 1] is hem naar de andere ouder;
- te bepalen dat aan de vader vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige 1] in te schrijven bij [basisschool 2] , [locatie] ;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Zorgregeling
De ouders hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de zorgregeling en de vakantie- en feestdagenregeling, een en ander op de wijze als in het dictum is vermeld. De rechtbank zal conform de overeenstemming tussen partijen beslissen, aangezien het belang van [minderjarige 1] zich hier niet tegen verzet.
Gelet op de bereikte overeenstemming tussen de ouders zal de rechtbank het meer of anders verzochte afwijzen.
Vervangende toestemming inschrijving school
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt om vervangende toestemming om [minderjarige 1] in te schrijven op [basisschool 2] . Dit is volgens hem de meest geschikte school, omdat deze op dezelfde locatie zit als waar [minderjarige 1] nu naar de kinderdagopvang gaat en straks naar de BSO kan. [minderjarige 1] heeft hier vriendjes die ook naar [basisschool 2] zullen gaan en kent de leidsters. De vader heeft [minderjarige 1] op deze kinderdagopvang ingeschreven, omdat de vorige kinderdagopvang problemen met de personeelsbezetting heeft, waardoor hij regelmatig vrij heeft moeten nemen om [minderjarige 1] eerder op te halen. Dit heeft ertoe geleid dat hij zijn baan is kwijtgeraakt. Ook spreken de leidsters op de vorige kinderdagopvang geen goed Nederlands. De BSO die verbonden is aan de huidige kinderdagopvang heeft geen contract met [basisschool 1] . Als [minderjarige 1] naar [basisschool 1] zal gaan, zal hij dus naar de BSO moeten gaan die is verbonden met de vorige kinderdagopvang. De vader vreest dat dit wederom voor problemen op zijn werk zal zorgen. Daarnaast betwist de vader dat het voor de moeder praktisch niet haalbaar is om haar kinderen op tijd naar twee verschillende scholen te brengen. Verder heeft de vader aangevoerd dat [basisschool 2] een christelijke school is. De vader heeft zelf ook op een christelijke school gezeten en vond dit fijn. [basisschool 1] is een openbare school.
De moeder verzoekt om vervangende toestemming om [minderjarige 1] in te schrijven op [basisschool 1] . Haar andere kinderen, [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , gaan ook naar deze school. De resultaten van de kinderen zijn goed en zij gaan met plezier naar school. [basisschool 1] ligt op een afstand van 800 meter tot de woning van de moeder. [basisschool 2] ligt op een afstand van circa drie kilometer. Daar komt bij dat de tijden van de twee scholen niet overeenkomen. De afstand tussen de scholen en de verschillende roosters maken dat het voor de moeder praktisch niet haalbaar is om zowel [minderjarige 3] als [minderjarige 1] op tijd naar school te brengen. [minderjarige 2] zal volgend schooljaar naar de middelbare school gaan, [minderjarige 3] zal naar groep vijf gaan. Vanwege haar leeftijd en haar onoplettendheid is zij niet in staat om alleen naar school te gaan. Verder betwist de moeder dat de leidsters op de kinderdagopvang en de BSO verbonden aan [basisschool 1] onvoldoende Nederlands spreken.
De rechtbank overweegt dat de ouders met name praktische bezwaren hebben tegen de school die de andere ouder wenst. Niet is gebleken dat de kwaliteit van een van de scholen ondermaats is. Gelet op de overeengekomen zorgregeling is het de moeder die [minderjarige 1] het meest zal moeten brengen naar en ophalen van school. De rechtbank overweegt dat zij voldoende heeft toegelicht dat het vanwege de afstand tussen [basisschool 1] en [basisschool 2] en de verschillende roosters die zij hanteren voor haar lastig zal zijn om haar beide kinderen op tijd naar school te brengen. Daarom is het naar het oordeel van de rechtbank praktischer om [minderjarige 1] in te schrijven op dezelfde school als [minderjarige 3] . Daarbij neemt de rechtbank mede in overweging dat de Raad op de zitting heeft aangegeven dat het kinderen vaak een veilig gevoel geeft als een halfzusje of halfbroertje naar dezelfde school gaat. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de moeder vervangende toestemming verlenen om [minderjarige 1] in te schrijven op [basisschool 1] . Het verzoek van de vader zal de rechtbank afwijzen.
Alimentatie
De moeder verzoekt een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie vast te stellen. Zij heeft daarbij met meerdere ingangsdata gerekend. Ter zitting heeft de moeder toegelicht dat dit niet moet worden opgevat als een verzoek om voor elk jaar een nieuwe berekening te maken, maar slechts als hulpmiddel om te bewerkstelligen dat de beslissing in lijn is met de wettelijke maatstaven.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De vader is op 13 december 2022 aangeschreven door de advocaat van de moeder en kon dus vanaf dat moment rekening houden met bijdrageplicht. Het inleidende verzoekschrift is bij de rechtbank binnengekomen op 25 januari 2023. Daarom acht de rechtbank het in dit geval redelijk om de ingangsdatum – uit praktisch oogpunt – vast te stellen op 1 januari 2023.
Behoefte [minderjarige 1]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Tussen de ouders is niet in geschil dat de behoefte berekend moet worden aan de hand van het NBGI van de ouders over 2022 en dat dit NBGI € 3.399,- per maand bedroeg, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Tussen partijen is wel in geschil of bij de berekening van de behoefte rekening moet worden gehouden met een gezin met één kind of een gezin met drie kinderen. Volgens de moeder droeg de vader niet bij aan de kosten voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] , zodat rekening moet worden gehouden met een gezin met één kind. De vader betwist dat en stelt dat rekening moet worden gehouden met een gezin met drie kinderen.
De rechtbank kan niet vaststellen in hoeverre de vader heeft bijgedragen aan de kosten voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . Daarom zal de rechtbank de behoefte van [minderjarige 1] zowel op basis van een gezin met één kind als op basis van een gezin met drie kinderen berekenen en daarvan het gemiddelde nemen.
De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt in 2022 op basis van de berekening bij een gezin met één kind € 440,-. De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt in 2022 op basis van de berekening bij een gezin met drie kinderen € 270,- (€ 811,- / 3). De gemiddelde behoefte van [minderjarige 1] bedraagt in 2022 dus € 355,- per maand ((€ 440,- + € 270,-) / 2). Geïndexeerd naar 2023 bedraagt de behoefte € 367,- per maand.
De vader stelt verder dat hij te maken heeft met hoge opvangkosten voor [minderjarige 1] (netto circa € 160,-) en dat hij daarin gecompenseerd moet worden. Daartoe voert hij meerdere mogelijkheden aan, zoals het ophogen van het tabelbedrag, het rekenen met verwervingskosten bij zijn draagkracht en het ophogen van de zorgkorting. De rechtbank zal rekening houden met de opvangkosten voor [minderjarige 1] , maar ziet aanleiding om hier verderop in de beschikking op in te gaan. De rechtbank telt de opvangkosten dus niet op bij de behoefte van [minderjarige 1] , zodat zijn behoefte op € 367,- per maand wordt bepaald.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen de ouders moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
Uit de door de moeder overgelegde jaaropgave van het UWV over 2023 blijkt dat zij een bruto jaarinkomen van € 10.521,- had. Uit de door de moeder overgelegde jaaropgave van het UWV over 2024 blijkt dat zij een bruto jaarinkomen van € 15.551,- had.
De rechtbank is met de vader van oordeel dat het opmerkelijk is dat de moeder in 2024 een aanzienlijk hogere Ziektewetuitkering heeft ontvangen dan in 2023. De vader vermoedt dat de moeder in 2023 nog enkele maanden heeft gewerkt. Zij betwist dat en stelt dat zij sinds november 2022 niet meer heeft gewerkt. Volgens de vader kan dat niet kloppen, omdat de moeder een loonstrook van december 2022 heeft overgelegd. De rechtbank overweegt dat de moeder geen goede verklaring heeft kunnen geven voor het verschil tussen haar jaarinkomen over 2023 en over 2024 en ziet daarom aanleiding om voor de berekening van haar draagkracht uit te gaan van haar inkomen over 2024.
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank daarom uit van een inkomen van € 15.551,- bruto per jaar, inclusief vakantiegeld.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2024 op € 1.996,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI van € 1.815,- tot € 2.065,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 1.965,- en € 2.015 valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2024) een draagkracht van € 109,- per maand voor de moeder in aanmerking nemen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de moeder verdeeld moet worden over drie kinderen, zodat haar draagkracht ten behoeve van [minderjarige 1] € 36,- bedraagt.
Draagkracht vader
Aangezien de rechtbank de draagkracht van de moeder berekent op basis van haar inkomen over 2024, zal de rechtbank de draagkracht van de vader ook berekenen op basis van zijn inkomen over 2024.
Tussen partijen is niet in geschil dat het jaarinkomen van de vader over 2024 € 31.486,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld bedroeg, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan voor de bepaling van de draagkracht van de vader.
Op de zitting heeft de moeder aangevoerd dat bij de berekening van het NBI van de vader geen rekening gehouden kan worden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat [minderjarige 1] niet op zijn adres ingeschreven staat. De vader is daarmee akkoord gegaan. De rechtbank overweegt echter dat voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting niet leidend is op welk adres het kind staat ingeschreven, maar het aantal dagen per jaar dat een kind bij de ouder verblijft. Bij een verblijf van het kind bij de ouder van minimaal drie dagen per week – zoals conform zowel de eerdere zorgregeling als de vast te stellen zorgregeling het geval is – heeft de desbetreffende ouder recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De rechtbank zal daarom bij de vader rekening houden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2024 op € 2.583,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De vader heeft bepleit dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten van € 950,-. Gelet op het beperkte verschil tussen zijn werkelijke woonlasten (€ 950,-) en zijn forfaitaire woonlasten (€ 775,-) ziet de rechtbank geen aanleiding om van het uitgangspunt af te wijken en gaat zij uit van de forfaitaire woonlast.
De vader heeft daarnaast gesteld dat hij een schuld van circa € 7.079,- bij zijn moeder heeft. Tot op heden heeft hij niet afgelost op deze schuld, maar vanaf 2026 wil hij elke maand € 50,- aflossen. Bij de berekening van zijn draagkracht moet rekening worden gehouden met deze schuld. De moeder betwist dat sprake is van een lening en stelt dat het gaat om giften. De rechtbank overweegt dat weliswaar duidelijk is dat de oma vaderszijde kosten voor de vader en [minderjarige 1] heeft betaald, maar dat daaruit niet blijkt of het gaat om een lening of om een gift. Het enige bewijsstuk waaruit af te leiden valt dat het om een lening zou gaan, is een schuldbekentenis die dateert van augustus 2025 en dus achteraf is opgesteld. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van een lening. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de vader niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk aflost op de vermeende schuld. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met de aflossingen bij de berekening van de draagkracht van de vader.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.065,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [ € 2.583 – ( € 775,- + € 1.270,-)] = € 377,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders ten behoeve van [minderjarige 1] bedraagt gezamenlijk € 413,- per maand (€ 36,- + € 377,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: (377 / 413) x 367 = € 335,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: (36 / 413) x 367 =
€ 32,-
samen € 367,-
Van de totale behoefte van [minderjarige 1] komt een gedeelte van € 335,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 32,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting
Tussen de ouders is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] , geldt een percentage van 35. De zorgkorting bedraagt dan € 128,- per maand (35% van € 367,-).
De vader stelt dat zijn zorgkorting opgehoogd moet worden, omdat hij altijd degene is die [minderjarige 1] naar de kapper brengt. Ook is hij degene die [minderjarige 1] met de auto haalt en brengt. Deze kosten zouden ook verrekend moeten worden in de zorgkorting. De rechtbank is met de moeder van oordeel dat het niet gebruikelijk is om deze kosten in mindering te brengen op de alimentatie. Bovendien is sprake van geringe kosten. De rechtbank gaat daarom aan dit standpunt van de vader voorbij, zodat de zorgkorting € 128,- per maand bedraagt.
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan € 207,- per maand (€ 335,- -/- € 128,-).
Kinderopvangkosten
De vader stelt zich op het standpunt dat de kinderopvangkosten die hij maakt gecompenseerd moeten worden.
De rechtbank overweegt dat de normale kosten van kinderopvang geacht worden te zijn verwerkt in het tabelbedrag. Zodanige hoge kosten voor kinderopvang/-oppas in verband met de verwerving van inkomsten die niet (volledig) gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten, kunnen leiden tot een correctie op het tabelbedrag. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat de ouder die de kinderalimentatie ontvangt de kinderopvangkosten betaalt, omdat dit verblijfsoverstijgende kosten zijn. Op deze wijze betalen beide ouders (naar rato van draagkracht) mee aan de hoge kosten voor kinderopvang. Aangezien het in dit geval niet de moeder, maar de vader is die de kinderopvangkosten betaalt, is een verhoging van het tabelbedrag geen goede oplossing.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om een correctie aan te brengen op de door de vader te betalen bijdrage. De rechtbank acht het in dit geval redelijk om een bedrag van € 50,- in mindering te brengen op de door de vader te betalen bijdrage. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan € 157,- per maand (€ 207,- -/- € 50,-).
Deze correctie zal komen te vervallen op het moment dat [minderjarige 1] naar school gaat, aangezien de opvangkosten dan aanzienlijk zullen dalen. Het is aan de ouders om op dat moment afspraken te maken over de opvangkosten, waarbij het uitgangspunt zou moeten zijn dat de ouder die de kinderalimentatie ontvangt de verblijfsoverstijgende kosten betaalt.
Conclusie
De rechtbank zal de door de vader met ingang van 1 januari 2023 aan de moeder te betalen kinderalimentatie bepalen op € 157,- per maand. Het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt in het kader van de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de minderjarige:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats] ;
bij de vader zal zijn:
  • in de even weken: van woensdag 18.00 uur tot vrijdag 18.00 uur;
  • in de oneven weken: van woensdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;
  • waarbij geldt dat zolang beide ouders in [plaats] wonen de vader [minderjarige 1] haalt en brengt en dat wanneer de ouders niet meer in dezelfde stad wonen de ouder bij wie [minderjarige 1] is hem naar de andere ouder brengt;
*
stelt de volgende vakantie- en feestdagenregeling vast:
  • kerstvakantie: vanaf de eerste dag van de kerstvakantie tot en met eerste kerstdag bij de ene ouder, vanaf tweede kerstdag tot en met 1 januari bij de andere ouder en vanaf 2 januari tot en met het einde van de kerstvakantie weer bij de andere ouder;
  • overige schoolvakanties: in onderling overleg verdeeld;
  • Pasen: in onderling overleg verdeeld;
  • Koningsdag: in de even jaren bij de moeder, in de oneven jaren bij de vader;
  • Pinksteren: in onderling overleg verdeeld;
  • waarbij geldt dat zolang beide ouders in [plaats] wonen de vader [minderjarige 1] haalt en brengt en dat wanneer de ouders niet meer in dezelfde stad wonen de ouder bij wie [minderjarige 1] is hem naar de andere ouder brengt;
*
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – voor de inschrijving van [minderjarige 1] op de [basisschool 1] te [plaats] , gelegen aan het [adres] [plaats] ;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 januari 2023 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 157,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 2 maart 2026.