ECLI:NL:RBDHA:2026:7542

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
NL25.59050
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet tijdig beslissen op asielaanvraag leidt tot proceskostenveroordeling

Eiser heeft op 2 december 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 23 maart 2025. Op 10 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag van eiser alsnog ingewilligd. Ondanks de inwilliging handhaaft eiser het beroep met het oog op de gemaakte proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat door de inwilliging van de aanvraag het procesbelang van eiser is komen te vervallen, waardoor het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Echter, ook bij niet-ontvankelijkheid kan de rechtbank het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten, zeker wanneer het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep tegemoet is gekomen.

De rechtbank veroordeelt de minister daarom tot betaling van €467 aan proceskosten aan eiser. Deze kosten zijn vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een wegingsfactor 'licht' vanwege de beperkte aard van het beroep, dat alleen ziet op het niet tijdig beslissen. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 1 april 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, maar de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59050

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Eiser heeft op 2 december 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 23 maart 2025.
In het besluit van 10 maart 2026 heeft verweerder eisers asielaanvraag ingewilligd.
Eiser heeft meegedeeld het beroep te handhaven met het oog op de proceskosten.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

1. Met de inwilliging van eisers asielaanvraag is tegemoetgekomen aan zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op die aanvraag. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft eiser dan ook geen procesbelang meer. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Ook als een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan een veroordeling in de proceskosten plaatsvinden. Dat is in het bijzonder het geval als het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep is tegemoetgekomen. Daarvan is in dit geval sprake. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder tot betaling van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.