Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7545

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/9863
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 1.1 OmgevingswetArt. 4.1 bestemmingsplanArt. 4.5 bestemmingsplanArt. 5.2 Parapluherziening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over handhavingsverzoek geluidmakende activiteiten muziekschool en geluidsopnamestudio

Eiseres verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag handhavend op te treden tegen niet vergunde geluidmakende activiteiten, waaronder drumactiviteiten, in een pand aan een adres in Den Haag. Het college wees dit verzoek af, stellende dat het pand conform de verleende omgevingsvergunning werd gebruikt als geluidsopnamestudio en muziekschool.

De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing en oordeelde dat het college onvoldoende had onderzocht en gemotiveerd of het gebruik als muziekschool onder het overgangsrecht viel. Het college baseerde zich op oudere bewijsstukken en had niet aangetoond dat het gebruik op de peildatum (21 februari 2019) plaatsvond en onafgebroken was voortgezet. Ook was onduidelijk of het gebruik was uitgebreid.

Verder overwoog de rechtbank dat de richtafstanden uit de VNG-brochure indicatief zijn en geen bindende grondslag voor handhaving vormen. Het college mocht het handhavingsverzoek daarom niet afwijzen zonder nader onderzoek en motivering.

De rechtbank stelde het college in de gelegenheid binnen acht weken het gebrek te herstellen door nader onderzoek te doen naar het gebruik als muziekschool en dit opnieuw te beoordelen. De verdere beslissing werd aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank wijst het handhavingsverzoek af wegens onvoldoende onderzoek en motivering door het college en geeft het college gelegenheid dit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9863
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

(gemachtigde: mr. H. Smit).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel
[derde-partij 1] , [derde-partij 2]en
[derde-partij 3]uit [woonplaats] (gemachtigde: mr. J.S. Maas).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het afwijzen van een handhavingsverzoek. Eiseres heeft het college gevraagd om handhavend op te treden, omdat er volgens haar niet vergunde geluidmakende activiteiten plaatsvinden in het pand aan de [adres 1] . Het college heeft dat verzoek afgewezen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het handhavingsverzoek heeft mogen afwijzen.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een overtreding, voor zover het gaat om gebruik als muziekschool. De rechtbank geeft het college de gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze tussenuitspraak is gekomen en welke gevolgen deze heeft.

Procesverloop

2. Op 7 maart 2024 heeft eiseres het college verzocht om handhavend op te treden tegen niet vergunde drumactiviteiten of eventueel andere geluidmakende activiteiten in het pand aan de [adres 1] .
2.1.
Bij besluit van 3 september 2024 is het handhavingsverzoek door het college afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Derde-partijen hebben schriftelijk gereageerd op het beroepschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college, en eiseres, vergezeld door
[naam] . Namens derde-partijen zijn [derde-partij 1] en [derde-partij 2] verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 14 juli 2017 is een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de bestemming van het pand aan de [adres 1] tot geluidsopnamestudio, op grond van een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid. Tot dan toe was volgens het bestemmingsplan enkel het gebruik van het pand als muziekschool toegestaan. Op 18 augustus 2017 is eiseres samen met een aantal andere omwonenden in bezwaar gegaan tegen dit besluit vanwege geluidsoverlast. Op 4 december 2017 heeft naar aanleiding van het bezwaar een akoestisch onderzoek plaatsgevonden. Op basis van het geluidsonderzoek en het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (Acb) heeft het college bij beslissing op bezwaar het volgende voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning: de studio mag tussen 23:00 en 7:00 uur niet in gebruik zijn.
3.1.
Eiseres woont aan de [adres 2] en heeft op 7 maart 2024 bij het college een handhavingsverzoek ingediend omdat zij geluidsoverlast ervaart door geluidmakende activiteiten, waaronder drumactiviteiten, die niet bestemd noch vergund zijn. Op 3 september 2024 heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen. Tijdens een inspectie door de Haagse Pandbrigade op 15 augustus 2024, voorafgaand aan de afwijzing van het verzoek, is geconstateerd dat er geen sprake is van een overtreding. Het pand wordt daarom conform de verleende vergunning gebruikt, aldus het college.
3.2.
In het bestreden besluit van 12 november 2024 is het college hierbij gebleven. Het college heeft daarin herhaald dat de geluidmakende activiteiten conform de vergunning en het omgevingsplan plaatsvinden.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
4. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit uit te voeren.
4.1.
Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Omgevingswet wordt onder omgevingsplanactiviteit onder meer verstaan: een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
4.2.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar het handhavingsverzoek op ziet, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Bomenbuurt’ (het bestemmingsplan) van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag.
4.3.
Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan hebben de gronden waarop het pand is gevestigd de bestemming ‘Bedrijf-2’. Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan zijn, voor zover hier van belang, de voor ‘Bedrijf-2’ aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten in de categorieën A en B van de bij dit bestemmingsplan horende Staat van bedrijven bij functiemenging (Staat van bedrijven). De Staat van bedrijven zoals die luidde ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan bevat onder meer de functies cafés, bars, discotheken, muziekcafés, kantines, buurt- en clubhuizen, ateliers, amusementshallen en muziekscholen.
4.4.
Ingevolge artikel 4.5, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan kan van artikel 4.1, aanhef en onder a, worden afgeweken voor zover de afwijkende bedrijven naar hun aard, omvang en milieu hygiënische invloed op de omgeving gelijk gesteld kunnen worden met de bedrijven die onder artikel 4.1 vallen.
4.5.
Ingevolge artikel 5.2, onder a, van de Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten (Parapluherziening) mag het gebruik van bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.
4.6.
Ingevolge artikel 5.2, onder b, van de Parapluherziening, is het verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het gestelde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
4.7.
Ingevolge artikel 5.2, onder c, van de Parapluherziening is het verboden het gebruik, bedoeld in het gestelde onder a, te hervatten of te laten hervatten nadat het gebruik na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken.
Waar ziet het handhavingsverzoek op?
5. Op zitting is gebleken dat de Omgevingsdienst Haaglanden naar aanleiding van het handhavingsverzoek geluidsmetingen heeft verricht. Die geluidsmetingen hebben betrekking op toetsing aan geluidsnormen zoals vastgelegd in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, die voorheen waren opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens het college blijkt uit de geluidsmetingen niet van een overtreding van wettelijke geluidsnormen. Naar aanleiding van de op zitting gegeven toelichting van eiseres begrijpt de rechtbank het beroep aldus dat niet wordt opgekomen tegen vaststellingen over het voldoen aan de wettelijke geluidsnormen in het omgevingsplan die een voortzetting zijn van de regeling in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het handhavingsverzoek heeft betrekking op de volgens eiseres ontbrekende planologische toestemming voor drumactiviteiten.
Het betoog van eiseres
6. Eiseres betoogt dat de geluidmakende activiteiten in het onderhavige pand in strijd zijn met de verleende omgevingsvergunning en het bestemmingsplan. Voor het pand aan de [adres 1] is een omgevingsvergunning verleend voor een geluidopnamestudio. Er vinden volgens eiseres echter ook drumactiviteiten plaats die niet zijn vergund en geluidsoverlast veroorzaken. De omgevingsvergunning bevat ook geen motivering voor wat betreft deze geluidmakende activiteiten. Het college heeft bij de beoordeling in het kader van de omgevingsvergunning immers alleen het Bouwbesluit 2012, de Bouwverordening en de Welstandsnota betrokken en is verder alleen ingegaan op parkeren.
6.1.
Eiseres betoogt verder dat geluidmakende activiteiten getoetst worden aan de geluidsnormen zoals in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering, uitgave 2009 (VNG-brochure), zijn weergegeven voor milieucategorie 1. Uit recente rechtspraak volgt namelijk dat bestemmingsplannen, als ook geluidmakende activiteiten, in overeenstemming gebracht moeten worden met het geluidbeschermingsrecht zoals in deze VNG-brochure weergegeven. Volgens dit geluidsbeschermingsrecht geldt dat in dit geval sprake moet zijn van een woningbouwvrije geluidgebruiksruimte van 10 meter, waarbuiten de geluidsbelasting voor het langtijdgemiddelde geluidniveau/het piekniveau niet meer bedraagt dan 45/65 dB(A). Het is niet gewaarborgd dat aan deze laatste voorwaarde is voldaan, aldus eiseres.
Het standpunt van het college
7. Het college stelt zich op het standpunt dat de activiteiten in het pand conform de verleende omgevingsvergunning plaatsvinden. De geldigheid van de omgevingsvergunning kan niet ter discussie staan omdat de vergunning onherroepelijk is. Eiseres heeft destijds bezwaar ingediend tegen de vergunning en dat bezwaar is ongegrond verklaard. Onder de parapluherziening van 2018 is de Staat van bedrijven bij functiemenging veranderd en is gebruik als muziekschool niet langer opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Volgens het college geldt in dit geval echter het overgangsrecht van artikel 5.2, onder a, van de Parapluherziening. De gebruikers van het pand voeren immers nog steeds dezelfde activiteiten uit als ten tijde van het verlenen van de vergunning in 2017, namelijk het gebruik als muziekschool en geluidsopnamestudio. Dit heeft het college geconcludeerd naar aanleiding van zowel de inspectie die heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2024, als uit foto’s en correspondentie over muzieklessen in het pand. Op basis van het overgangsrecht en de verleende vergunning zijn allerlei muzikale activiteiten in het pand toegestaan; uit de inspectie is niet gebleken dat van de verleende vergunning wordt afgeweken. Er is volgens het college daarom geen sprake van een overtreding en het verzoek om handhaving is terecht afgewezen.
Betekenis en reikwijdte van de omgevingsvergunning
8. De rechtbank overweegt dat in deze procedure uitsluitend de afwijzing van het handhavingsverzoek en niet de verleende omgevingsvergunning van 14 juli 2017 ter beoordeling staat.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat deze omgevingsvergunning voorziet in een afwijking van het bestemmingsplan, ten behoeve van een geluidopnamestudio. Hoewel de overwegingen van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning summier zijn over de afwijking van het bestemmingsplan, blijkt uit dat besluit dat niet alleen van het bestemmingsplan is afgeweken vanwege de parkeereis. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de beoordeling van de activiteit ‘Bouwen’, waarin wordt overwogen:
“Gebleken is dat de aanvraag niet voldoet aan de planregels van het bestemmingsplan voor wat betreft het niet voldoen aan de eisen uit de parkeernorm en gebruik. Hierdoor wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag tot het afwijken van deze regels.”Ook uit de verwijzing in het besluit naar de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 4, lid 5, van de planregels blijkt dat de omgevingsvergunning voorziet in gebruik dat afwijkt van de bestemming ‘Bedrijf-2’. Uit het door het college overgenomen advies van de Acb van 16 november 2017 blijkt ook dat is uitgegaan dat sprake is van (toename van) muziekgeluid. In dat advies wordt vastgesteld dat een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer noodzakelijk is.
8.2.
De door eiseres gestelde beperking, dat drumactiviteiten expliciet vergund moeten worden, leest de rechtbank niet in de vergunning. Uit de verleende omgevingsvergunning in samenhang met het hangende het bezwaar daartegen verrichte akoestisch onderzoek van 4 december 2017, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het gebruik van het pand als geluidopnamestudio ook het gebruik van muziekinstrumenten omvat, waaronder drumstellen. De omgevingsvergunning blijft relevant voor de vraag of sprake is van een overtreding, omdat wordt afgeweken van de bestemming ‘Bedrijf-2’ die nog steeds rust op het perceel [adres 1] . De rechtbank volgt het college daarom in het standpunt dat gebruik als geluidsopnamestudio geen overtreding oplevert.
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kan toestemming voor gebruik als muziekschool niet worden ontleend aan de omgevingsvergunning. Uit de omgevingsvergunning blijkt namelijk niet dat dit gebruik wordt vergund. Afwijking van het bestemmingsplan ligt voor dit gebruik ook niet voor de hand, omdat gebruik als muziekschool was opgenomen op de ten tijde van verlening geldende Staat van bedrijven.
Valt gebruik als muziekschool onder het overgangsrecht?
9. Ten aanzien van het gebruik van het pand als muziekschool stelt de rechtbank het volgende vast. Met de Parapluherziening zijn de toegelaten activiteiten binnen de bestemming ‘Bedrijf-2’ gewijzigd. Gebruik als muziekschool is niet langer onderdeel van de Staat van bedrijven. Volgens artikel 5.2 van de Parapluherziening mag het gebruik van bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, echter worden voortgezet, onder de voorwaarde dat dit gebruik na de inwerkingtreding van het plan niet langer dan een jaar wordt onderbroken. Het college doet een beroep op dit overgangsrecht.
9.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het aan degene die een beroep doet op het overgangsrecht van een bestemmingsplan om aannemelijk te maken dat het met het plan strijdige gebruik op de peildatum plaatsvond en nadien ononderbroken is voortgezet. [1] De rechtbank stelt vast dat in dit geval de voor het overgangsrecht relevante peildatum, de datum van inwerkingtreding van de Parapluherziening is, te weten 21 februari 2019. [2] Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderkend dat een beroep op het overgangsrecht alleen kan slagen als het pand op de peildatum als muziekschool werd gebruikt en dit gebruik onafgebroken is voortgezet. De bewijsstukken waar het college naar verwijst dateren van vóór de peildatum, namelijk van 2016 en 2017. Bovendien blijkt uit de door het college in aanmerking genomen stukken niet dat het gebruik niet is uitgebreid ten opzichte van het gebruik dat op de peildatum van het pand werd gemaakt. Van een uitbreiding zou bijvoorbeeld sprake zijn als op meer uren muziekles zou worden gegeven dan op de peildatum. Dat zou strijd opleveren met artikel 5.2, onder b, van de Parapluherziening, op grond waarvan een verandering alleen is toegestaan als de afwijking van het bestemmingsplan naar aard en omvang wordt verkleind.
9.2.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college het op basis van de door derde-partijen overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk heeft kunnen vinden dat het gebruik van het pand aan de [adres 1] als muziekschool onder het overgangsrecht valt. Aan het bestreden besluit ligt in zoverre onvoldoende onderzoek ten grondslag en wordt het bestreden besluit niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Om deze reden is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
9.3.
In zoverre slaagt het betoog.
De VNG-brochure en een woningbouwvrije afstand
10. Over het betoog van eiseres dat het gebruik als geluidsopnamestudio en muziekschool in strijd is met VNG-brochure, overweegt de rechtbank als volgt.
10.1.
In de VNG-brochure opgenomen richtafstanden zijn indicatief en een hulpmiddel bij het ontwerpen van bestemmingsplannen. [3] Van richtafstanden uit de VNG-brochure kan gemotiveerd worden afgeweken. Voor zover richtafstanden en zoals door eiseres genoemde ‘woningbouwvrije afstanden’ niet zijn overgenomen in de regels en de verbeelding van he bestemmingsplan, staat dat in deze procedure over handhaving van het bestemmingsplan niet ter beoordeling. Of sprake is van een overtreding moet namelijk worden beoordeeld op basis van de juridisch bindende planregels van het bestemmingsplan. Woningbouwvrije afstanden die eiseres ontleent aan de VNG-brochure kunnen niet worden ‘ingelezen’ in de planregels.
10.2.
Uit door eiseres aangehaalde rechtspraak van de Afdeling volgt ook niet dat richtafstanden van de VNG-brochure juridisch bindend zijn en een grondslag kunnen zijn voor handhavend optreden. In de door eiseres naar voren gebrachte uitspraak in de
‘Hasselt-zaak’ [4] overweegt de Afdeling dat in de VNG-brochure richtafstanden indicatief zijn en dat hiervan kan worden afgeweken. In de uitspraak – die gaat over de vaststelling van een bestemmingsplan – komt de Afdeling tot het oordeel dat niet zorgvuldig is onderzocht of aan de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstand van 10 meter wordt voldaan. De Afdeling overweegt in dat kader dat de raad, als blijkt dat er niet wordt voldaan aan die richtafstand, met behulp van de resultaten van een geluidonderzoek nader moet motiveren waarom er ondanks de kleinere afstand een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd.
10.3.
Zoals hiervoor overwogen staat het bestemmingsplan in rechte vast en wordt in deze zaak niet toegekomen aan de vraag of een eventuele afwijking van richtafstanden voldoende is gemotiveerd. Het betoog van eiseres over de VNG-brochure slaagt niet.
Bestuurlijke lus
11. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is het ontoereikend is gemotiveerd. In zoverre is het bestreden besluit in strijd genomen met artikel 3:2 en Pro 7:12 van de Awb.
11.1.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
11.2.
Om de gebreken te herstellen, moet verweerder nader onderzoek doen naar de vraag of het gebruik als muziekschool onder het overgangsrecht valt. Daartoe moet het onderzoeken of het pand aan de [adres 1] op de peildatum (21 februari 2019) en daarna onafgebroken als muziekschool werd gebruikt. Ook moet worden onderzocht of dat gebruik niet is uitgebreid ten opzichte van het gebruik op de peildatum. Op basis van dit onderzoek zal het college opnieuw moeten beoordelen of gebruik als muziekschool in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
11.3.
Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
11.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2260.
2.Zie Staatscourant 2019, 39267.
3.Uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1840.
4.Uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1836.