Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7570

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
NL25.48906
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen terugkeerbesluit wegens ontbreken rechtmatig verblijf

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit van 1 oktober 2025, waarin hem een vertrektermijn van 28 dagen is opgelegd wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland.

Eiser stelde dat hij eerder rechtmatig in Spanje verbleef en daar een verblijfsstatus probeert te verkrijgen, en dat het terugkeerbesluit en de SIS-registratie dit bemoeilijken. Hij voerde aan nooit de intentie te hebben gehad om in de illegaliteit te verblijven en dat het besluit niet in verhouding staat tot het doel.

De rechtbank stelde vast dat eiser niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat zijn verblijfsrecht in Spanje was verlopen. Op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is het opleggen van het terugkeerbesluit dwingendrechtelijk en is geen ruimte voor belangenafweging.

Eiser is voorafgaand aan het besluit gehoord en heeft geen omstandigheden aangevoerd die afzien van het terugkeerbesluit rechtvaardigen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en eiser moet Nederland binnen 28 dagen verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48906

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke situatie. Eiser voert hiertoe aan dat hij eerder (procedureel rechtmatig) verblijf heeft gehad in Spanje en dat hij in Spanje een verblijfsstatus probeert te krijgen. Hij heeft verschillende documenten overgelegd waaruit dit blijkt. Het terugkeerbesluit en de SIS-registratie zullen het verkrijgen van een verblijfsrecht in Spanje bemoeilijken. Daarnaast heeft eiser nooit de intentie gehad om zich in Nederland, of elders in de Europese Unie in de illegaliteit te begeven. Eiser is ook teruggekeerd naar Spanje. Volgens eiser staat het opleggen van het terugkeerbesluit daarom niet in verhouding tot het te dienen doel en moet de belangenafweging in zijn voordeel uitvallen.
2. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft. Daarnaast wijst verweerder er terecht op dat niet is gebleken dat eiser ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit over rechtmatig verblijf in Spanje beschikte. Zo heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit verklaard dat zijn verblijfsrecht in Spanje is verlopen. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit rechtmatig verblijf in Spanje genoot. Verweerder is in dat geval op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gehouden een terugkeerbesluit op te leggen. Dit is een dwingendrechtelijke bepaling waarin alleen in een limitatief aantal uitzonderlijke gevallen van wordt afgeweken (zie paragraaf A3/1.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000). Er is hierbij geen ruimte voor een belangenafweging.
3. Voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit is eiser gehoord. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat eiser er bij aanvang van het gehoor op is gewezen dat verweerder van plan is om een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken op te leggen en dat eiser daarover zijn zienswijze kan geven. Vervolgens zijn er gerichte vragen aan eiser gesteld, bijvoorbeeld over zijn verblijfsstatus in Nederland en elders in de Europese Unie, de gezondheidssituatie van eiser en hoe zijn familie- en gezinsleven eruit ziet. Eiser heeft verklaard dat zijn advocaat er mee bezig is om zijn verblijf bij zijn Spaanse vriendin in orde te maken. Verder heeft eiser verklaard dat hij er geen problemen mee heeft dat hij Nederland moet verlaten. Gelet hierop deelt de rechtbank het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd om af te zien van het opleggen van het terugkeerbesluit. Dat eiser stelt een verblijfsprocedure in Spanje te doorlopen, maakt het besluit niet onrechtmatig. Gelet op de ex tunc-toets kunnen feiten en omstandigheden van na het bestreden besluit immers geen rol spelen in de beoordeling door de rechtbank. De beroepsgronden slagen niet.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens
bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de
dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.