Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7634

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/09/683882 / HA ZA 25-349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 236 lid 1 RvVerordening (EU) 2006/1103
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling overbedeling en afwikkeling vermogensrechtelijke echtscheiding tussen ex-echtgenoten

De procedure betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over het bedrag dat de man nog aan de vrouw verschuldigd is wegens overbedeling in de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun echtscheiding. De rechtbank baseert zich op eerdere beschikkingen van de rechtbank en het hof, die gezag van gewijsde hebben, en behandelt alleen drie openstaande posten: juwelen, een Rabobankrekening en rekeningen bij Odeabank.

De rechtbank bevestigt dat de woning in [plaats 2] voor 50% in de gemeenschap valt en dat de man een vergoedingsrecht heeft van €505.668 in verband met de nalatenschap van zijn overleden eerste echtgenote. De vrouw heeft onvoldoende inzicht gegeven in de juwelen, waardoor de rechtbank uitgaat van de door de man gestelde waarde van €16.545. De saldi van de Rabobankrekening en de rekeningen bij Odeabank worden vastgesteld op respectievelijk €47,08 en €96.978.

Na verrekening van vergoedingsrechten en andere schulden resteert een bedrag van €248.481,50 dat de man aan de vrouw moet betalen. De rechtbank veroordeelt de vrouw tot medewerking aan de overdracht van de woning en het appartement aan de man, met een deel van het bedrag in depot bij de notaris totdat lopende Turkse procedures zijn afgerond. Tevens worden de conservatoire beslagen opgeheven en worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De man moet nog €248.481,50 aan de vrouw betalen en de vrouw moet medewerking verlenen aan de overdracht van onroerend goed.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/683882 / HA ZA 25-349
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats 1] , Turkije,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.K. Tosun te Rotterdam,
tegen
[de man]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. T.J. Backx te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 3 april 2025, met producties 1 tot en met 3;
  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 17;
  • het tussenvonnis van 6 augustus 2025 van deze rechtbank, waarin een mondelinge behandeling is bevolen;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte wijziging van eis, met producties 4 tot en met 10;
  • de antwoordakte op akte wijziging van eis;
  • de akte houdende overlegging producties van de vrouw, met de vertalingen van de producties 6 en 8;
  • de brief van 14 november 2025 van de man, met producties 18 tot en met 21.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. De vrouw was hierbij aanwezig via een telefonische verbinding met de tolk. De advocaat van de vrouw was wel fysiek ter zitting aanwezig. Namens de man waren zijn twee dochters aanwezig, bijgestaan door de advocaat van de man. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [dag] 2016 in [plaats 1] met elkaar gehuwd, nadat zij op 11 augustus 2016 in Nederland huwelijkse voorwaarden – uitsluiting van iedere gemeenschap – hadden laten opmaken. Bij notariële akte van 26 januari 2018 zijn de huwelijkse voorwaarden opgeheven en is bepaald dat vanaf 27 januari 2018 tussen partijen de wettelijke gemeenschap van goederen bestaat zoals die luidde vóór 1 januari 2018. Van deze gemeenschap zijn de in artikel 3 van Pro die akte genoemde rechten, plichten en goederen uitgesloten.
2.2.
Partijen woonden tijdens het huwelijk samen in de echtelijke woning aan de [adres 1] (hierna: de woning in [plaats 2] ).
2.3.
Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren.
2.4.
Uit een eerder huwelijk van de vrouw is een zoon ( [naam] ) geboren. [naam] is in de zomervakantie van 2021 op 16-jarige leeftijd tijdens een verblijf met de vrouw in Turkije overleden.
2.5.
De man heeft twee (meerderjarige) dochters uit een eerder huwelijk (met zijn in 2015 overleden eerste echtgenote). In het testament van de overleden eerste echtgenote van de man is een privé-clausule opgenomen, inhoudende dat al hetgeen haar erfgenamen erven niet valt in enige vermogensrechtelijke huwelijksgemeenschap waarin deze (zullen) zijn gehuwd.
2.6.
De man heeft op 4 februari 2020 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Bij beschikking van 20 juli 2021 van die rechtbank (hierna ook: de echtscheidingsbeschikking) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder is, voor zover hier van belang, de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden/de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen (inclusief vergoedingsrechten) gelast op de wijze zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 3.49 tot en met 3.78 van die beschikking. De echtscheidingsbeschikking is op 25 oktober 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.7.
De vrouw is van de beschikking van 20 juli 2021 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Bosch (hierna: het hof). De man heeft hierop incidenteel appel ingesteld. In hoger beroep was onder meer de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk in geschil.
2.8.
Op 28 maart 2022 heeft de vrouw de echtscheidingsbeschikking aan de man laten betekenen en bevel gedaan om een bedrag van € 753.118,25 aan haar te voldoen binnen twee dagen na betekening.
2.9.
Op 14 april 2022 heeft de vrouw op basis van de beschikking van de rechtbank van 20 juli 2021 conservatoir beslag laten leggen op de woning in [plaats 2] en het appartement aan de [adres 2] (hierna: het appartement in [plaats 3] ).
2.10.
Bij vonnis van 7 juni 2022 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de vrouw onder meer verboden om de executie op grond van de beschikking van 20 juli 2021 voort te zetten en om executoriaal beslag te leggen, voor zover deze beschikking betrekking heeft op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen, inclusief vergoedingsrechten.
2.11.
Bij beschikking van 22 juni 2023 heeft het hof beslist in het hoger beroep tussen partijen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover in het door de rechtbank voor de man bepaalde vergoedingsrecht ook de woning in [plaats 2] is betrokken. Voor het overige is de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden/de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen (inclusief vergoedingsrechten) bekrachtigd. Tegen de beschikking van het hof is geen cassatie ingesteld.
2.12.
In een kortgedingvonnis van 20 mei 2025 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zijn de vorderingen van de man om de vrouw te veroordelen tot medewerking aan de levering van de woning in [plaats 2] en het appartement in [plaats 3] aan hem en om de door de vrouw op die woningen gelegde conservatoire beslagen op te heffen afgewezen vanwege het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang.
2.13.
De vrouw heeft de Turkse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van het vonnis aan de vrouw te betalen een bedrag van € 835.100,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2021, met veroordeling van de man in de proceskosten (waaronder de nakosten).
3.2.
De man voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
De man vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. voor recht verklaart dat de man aan de vrouw verschuldigd is een (restant)bedrag van
€ 248.024,46 wegens overbedeling uit hoofde van de financiële afwikkeling van de echtscheiding volgend uit de beschikkingen van de rechtbank en het hof van 20 juli 2021 en 22 juni 2023;
de vrouw veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis op een nader door de rechtbank te bepalen datum en tijdstip bij de notaris (Kooijman Autar notarissen) te verschijnen teneinde mee te werken aan alle (rechts)handelingen die nodig zijn voor de overdracht van de woning in [plaats 2] en het appartement in [plaats 3] aan hem (waaronder het passeren van de akte van levering), primair onder de bepaling dat bij gebreke van de vereiste medewerking door de vrouw het vonnis dezelfde kracht heeft als de voor die overdracht benodigde (rechts)handelingen en subsidiair onder oplegging van een dwangsom, waarbij de man het door hem aan de vrouw verschuldigde bedrag wegens overbedeling uiterlijk 24 uur voorafgaand aan de levering op de derdengeldrekening van de notaris zal storten en waarbij een bedrag van € 109.750 bij de notaris in depot wordt gehouden totdat de tussen partijen lopende rechtszaken in Turkije definitief zijn afgewikkeld, met bepaling van de wijze van uitbetaling van het depot zoals in het petitum is weergegeven;
de door de vrouw gelegde conservatoire beslagen op de woning in [plaats 2] en het appartement in [plaats 3] opheft of als opgeheven zal beschouwen, althans de vrouw veroordeelt om binnen één week na betekening van het vonnis de gelegde beslagen op te heffen en opgeheven te houden, onder oplegging van een dwangsom;
de vrouw veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, waarbij het de man is toegestaan de door de vrouw aan hem verschuldigde proceskosten te verrekenen met het door hem aan de vrouw uit hoofde van overbedeling te betalen bedrag.
3.5.
De vrouw voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie en in reconventie
4.1.
De rechtbank zal de vorderingen in conventie en in reconventie, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk behandelen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
Op grond van artikel 6 sub b van Pro de Verordening huwelijksvermogensstelsels [1] heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om van de vorderingen van partijen kennis te nemen omdat Nederland de laatste gewone verblijfplaats was van partijen als echtgenoten en de man nog altijd in Nederland verblijft.
4.3.
De onderhavige procedure borduurt voort op de echtscheidingsprocedure waarin – zowel bij de rechtbank als bij het hof – is uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht (overeenkomstig de in de gewijzigde huwelijkse voorwaarden opgenomen rechtskeuze). Ook in deze procedure zal de rechtbank Nederlands recht toepassen.
Vermogensrechtelijke afwikkeling echtscheiding
4.4.
Ter beoordeling ligt voor welk bedrag de man nog aan de vrouw verschuldigd is wegens overbedeling uit hoofde van de financiële afwikkeling van de echtscheiding. Partijen verschillen hierover van mening. Volgens de vrouw is de man aan haar een bedrag verschuldigd van € 835.100,52. De man is van mening dat hij nog een bedrag van
€ 248.024,46, aan de vrouw moet voldoen.
4.5.
Vast staat dat de volgende vermogensbestanddelen in de vermogensrechtelijke afwikkeling moeten worden betrokken:
de woning in [plaats 2] ;
het appartement in [plaats 3] ;
het appartement in Turkije;
de inboedel in Nederland;
de inboedel in Turkije;
de personenauto’s (Jaguar, Ford Focus en Audi A3);
juwelen;
diverse bankrekeningen:
  • a) bij Rabobank (eindigend op de nummers [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] , [rekeningnummer 4] , [rekeningnummer 5] en [rekeningnummer 6] );
  • b) bij Van Lanschot (eindigend op nummers [rekeningnummer 7] , [rekeningnummer 8] , [rekeningnummer 9] en [rekeningnummer 10] );
  • c) bij AK Bank (eindigend op nummers [rekeningnummer 11] en [rekeningnummer 12] );
  • d) bij Garanti Bank (eindigend op nummers [rekeningnummer 13] en [rekeningnummer 14] );
  • e) bij Erste Bank (eindigend op nummers [rekeningnummer 15] en [rekeningnummer 16] );
  • f) bij Bank Austria (eindigend op nummer [rekeningnummer 17] );
  • g) bij Odeabank (op naam van [naam] );
9. RBA-fondsen (eindigend op nummers [rekeningnummer 18] en [rekeningnummer 19] ).
4.6.
Daarnaast heeft de man diverse vergoedingsrechten op de gemeenschap, namelijk vergoedingsrechten in verband met:
10. de nalatenschap van de overleden eerste echtgenote van de man;
10. de nalatenschap van de zus van de overleden eerste echtgenote van de man;
10. het aandeel van de man in de nalatenschap van de ouders van de man;
10. schenkingen van de moeder van de overleden eerste echtgenote van de man;
10. voorhuwelijks opgebouwd pensioen.
Uitgangspunt: gezag van gewijsde beschikkingen rechtbank en hof
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat in de beschikkingen van de rechtbank van 20 juli 2021 en het hof van 22 juni 2023 al over de hiervoor genoemde vermogensbestanddelen en vergoedingsrechten is beslist. Dat is alleen anders ten aanzien van drie openstaande punten, namelijk de juwelen, de rekening bij Rabobank eindigend op [rekeningnummer 6] en de rekeningen op naam van [naam] bij Odeabank. Deze posten komen hierna nader aan de orde. Ten aanzien van de andere posten geldt dat over de toedeling van de vermogensbestanddelen en de waarde van die bestanddelen en de omvang van de vergoedingsrechten al beslissingen zijn genomen door de rechtbank en het hof. Deze beslissingen hebben gezag van gewijsde gekregen als bedoeld in artikel 236 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit betekent dat die beslissingen in deze procedure bindende kracht hebben. De reeds beslechte geschilpunten kunnen in deze procedure dus niet opnieuw ter discussie worden gesteld. Alleen al gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan hetgeen de vrouw ten aanzien van (i) de woning in [plaats 2] , (ii) het vergoedingsrecht in verband met de nalatenschap van de overleden eerste echtgenote van de man en (iii) de rekening bij Rabobank eindigend op nummer [rekeningnummer 5] naar voren heeft gebracht. De rechtbank is op grond van het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraken gebonden aan de in die uitspraken vastgestelde waarden van deze bestanddelen. Dit leidt tot het volgende.
Woning in [plaats 2] en vergoedingsrecht
4.8.
De vrouw is van mening dat de woning in [plaats 2] voor de volledige waarde van
€ 980.000 in de verdeling moet worden betrokken, zonder rekening te houden met de aan die woning verbonden hypotheekschuld, nu deze schuld op grond van de huwelijkse voorwaarden buiten de verdeling zou vallen. Verder is de vrouw van mening dat het vergoedingsrecht van de man in verband met de nalatenschap van zijn overleden eerste echtgenote moet worden berekend op € 319.500.
4.9.
In de echtscheidingsbeschikking is de rechtbank uitgegaan van een waarde van de woning in [plaats 2] van € 980.000. Hierop heeft de rechtbank de hypothecaire geldlening van
€ 280.000 in mindering gebracht. De rechtbank heeft de (over)waarde van de woning dus vastgesteld op € 700.000. Het hof heeft daarop vastgesteld dat, zoals tussen partijen ook niet in geschil was, de woning voor 50% in de huwelijksgemeenschap van partijen valt en de andere 50% tot het privévermogen van de man behoort en buiten de verdeling blijft, omdat de man dat deel onder uitsluitingsclausule heeft verkregen uit de nalatenschap van zijn eerste echtgenote. Daarmee is de verdeling van de woning afgewikkeld en is er volgens het hof geen plaats meer voor een vergoedingsrecht. Het hof heeft daarom de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover in het door de rechtbank voor de man bepaalde vergoedingsrecht de woning is betrokken. Uit het voorgaande volgt dat, zoals de man terecht heeft aangevoerd, de overwaarde op de woning voor € 350.000 (50% van € 700.000) in de verdeling moet worden meegenomen en dat deze waarde op het door de rechtbank in de beschikking van 20 juli 2021 vastgestelde vergoedingsrecht, in verband met de nalatenschap van de overleden eerste echtgenote van de man, van € 855.668 in mindering moet worden gebracht. Dit vergoedingsrecht bedraagt dus € 505.668. Voor een andere lezing of interpretatie bestaat naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraken, geen ruimte.
Saldo rekening Rabobank [rekeningnummer 5]
4.10.
Met betrekking tot het saldo van de rekening (op naam van de vrouw) bij Rabobank eindigend op [rekeningnummer 5] geldt dat uit de beschikking van de rechtbank volgt dat het saldo op de peildatum € 71.366 bedroeg en dat dit saldo bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. De verdeling van deze rekening is bij het hof niet meer ter sprake gekomen. Gelet hierop kan geen acht worden geslagen op het standpunt van de vrouw dat geen sprake is van een te verdelen saldo (omdat het saldo voor de echtscheiding tussen partijen al is verdeeld). De rechtbank neemt het saldo van € 71.366 dus wel mee in de verdeling.
Openstaande punten
4.11.
Zoals hiervoor al is overwogen, is alleen ten aanzien van de (waarde van de) juwelen, (het saldo van) de rekening bij Rabobank eindigend op nummer [rekeningnummer 6] en de (saldi van de) bankrekeningen op naam van [naam] bij Odeabank in deze procedure een beslissing mogelijk, aangezien hierover in de eerdere uitspraken nog niet definitief is beslist. De rechtbank zal deze posten hierna bespreken.
Juwelen
4.12.
Uit de beschikking van de rechtbank van 20 juli 2021 (r.o. 3.60) blijkt dat de vrouw ter zitting heeft erkend dat er op de peildatum een kluis was in Turkije waarin juwelen lagen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gehele juwelencollectie in de kluis in Turkije per de peildatum behoort tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank heeft deze juwelencollectie aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting van de vrouw om de helft van de waarde van de juwelen aan de man te voldoen. De rechtbank heeft bepaald dat de vrouw over de omvang van de juwelencollectie en over de waarde daarvan, duidelijkheid aan de man moet verschaffen, onderbouwd met verificatoire bescheiden. Tijdens de procedure bij het hof heeft de vrouw ook toegezegd dat zij de man inzicht zal geven in de juwelen en de waarde daarvan (r.o. 6.19.3). Het hof heeft overwogen dat zij ervan uit gaat dat de vrouw de man binnen afzienbare termijn van die waarde in kennis zal stellen.
4.13.
Nu al bindend is beslist dat de (zich in de kluis bevindende) juwelen tot de gemeenschap behoren, is er in deze procedure geen discussie meer mogelijk over de vraag of juwelen mogelijk buiten de gemeenschap vallen (omdat zij voorafgaand aan het sluiten van de huwelijkse voorwaarden zijn aangeschaft dan wel op grond van artikel 3 van Pro de huwelijkse voorwaarden). Dit had de vrouw in de echtscheidingsprocedure bij de rechtbank en het hof ter discussie moeten stellen. Ook is er in deze procedure geen ruimte om in te gaan op de stelling van de vrouw dat een deel van de juwelen bij de man ligt. In de echtscheidingsprocedure is ervan uitgegaan dat de gehele juwelencollectie zich in de kluis in Turkije bevond en de vrouw moest hier inzage in geven.
4.14.
Ondanks de toezegging bij het hof (en verzoeken van de man daartoe) heeft de vrouw dit nagelaten. Zij heeft de man geen inzicht verschaft in de (omvang en waarde van de) juwelen, maar alleen gesteld dat zich in de kluis slechts (imitatie) Swarovski-sieraden lagen die gemaakt zijn van glas en een zeer geringe (tweedehands) waarde (namelijk van
€ 20) hebben. De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij, gelet op de eerdere erkenning dat er juwelen in de kluis aanwezig waren en de toezegging van de vrouw om de man inzage in de waarde daarvan te geven. Bij gebreke van iedere onderbouwing door de vrouw van de (omvang en waarde van deze) juwelencollectie, gaat de rechtbank uit van de door de man gestelde waarde van de juwelen van (in ieder geval) € 16.545. De man heeft, onder overlegging van diverse facturen als productie 12 en 13 en diverse foto’s als productie 18, onderbouwd dat in ieder geval voor dit bedrag juwelen (waartoe de rechtbank ook het Chopard horloge rekent) voor de vrouw zijn gekocht en dat de vrouw deze juwelen ook heeft gedragen.
Rekening Rabobank [rekeningnummer 6]
4.15.
In de beschikking van de rechtbank van 20 juli 2021 (r.o. 3.61) is overwogen dat, als de rekening bij Rabobank eindigend op nummer [rekeningnummer 6] voor de peildatum is geopend, de vrouw bewijs moet verstrekken van het saldo van deze rekening op de peildatum (4 februari 2020).
4.16.
De vrouw heeft in deze procedure als (onderdeel van) productie 8 een afschrift van de rekening bij Rabobank eindigend op nummer [rekeningnummer 6] overgelegd waaruit blijkt dat het saldo op deze rekening op 4 februari 2020 € 47,08 bedroeg. De man erkent dit, maar wijst erop dat uit het afschrift ook blijkt dat op diezelfde dag een bedrag van € 2.650 is overgeboekt naar de en/of-rekening van partijen bij Rabobank eindigend op [rekeningnummer 1] , terwijl dit bedrag niet in de verdeling is meegenomen (ten aanzien van die rekening is namelijk slechts een saldo van € 983 in aanmerking genomen). Dit moet volgens de man worden gecorrigeerd bij het bepalen van het saldo van de Rabobankrekening [rekeningnummer 6] . De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij. In de echtscheidingsprocedure is bindend bepaald dat het saldo per de peildatum moet worden meegenomen. Dat is het door de vrouw aangetoonde saldo van € 47,08. De rechtbank neemt dit saldo dus bij de verdeling in aanmerking.
Rekeningen ( [naam] ) Odeabank
4.17.
In de beschikking van de rechtbank van 20 juli 2021 (r.o. 3.64) is geoordeeld dat de vrouw aan de man met stukken onderbouwd opgave moet doen van de saldi per de peildatum van de op naam van [naam] gestelde rekeningen bij Odeabank. De rechtbank heeft hierbij vastgesteld dat van het totale saldo een bedrag van € 69.285 buiten de verdeling blijft en dat het restant van het saldo bij helfte moet worden verdeeld. Dit is in hoger beroep niet meer aan de orde gekomen, zodat ook in deze procedure van de beslissing van de rechtbank in de echtscheidingsprocedure moet worden uitgegaan.
4.18.
Voorafgaand aan deze procedure heeft de vrouw geen afschriften van de rekeningen op naam van [naam] bij de Odeabank aan de man overgelegd. In deze procedure heeft de vrouw, onder verwijzing naar (de vertaling van) productie 8, gesteld dat het totale saldo van de rekeningen op de peildatum nihil was. Nog los van het feit dat uit productie 20 van de man blijkt dat deze stelling in strijd is met hetgeen de vrouw zelf tijdens de echtscheidingsprocedure heeft verklaard, geldt dat uit productie 8 niet blijkt dat op de rekeningen bij Odeabank op de peildatum geen saldi stonden. De rechtbank leest het overgelegde stuk zo dat op de dag van de peildatum (4 februari 2020) geen transacties op de rekeningen hebben plaatsgevonden. Dat de saldi van de betreffende rekeningen op die dag ook nihil bedroegen, kan de rechtbank uit het afschrift niet afleiden. De rechtbank is dus met de man van oordeel dat de vrouw niet met stukken heeft onderbouwd wat de saldi per de peildatum van de op naam van [naam] gestelde rekeningen bij de Odeabank waren. De rechtbank volgt de man daarom in zijn standpunt dat, bij gebrek aan andere wetenschap, uitgegaan moet worden van een saldo van € 96.978 (het in de echtscheidingsprocedure bij de rechtbank door de man genoemde en door de vrouw onvoldoende weersproken totaalsaldo van € 166.263 minus het onder 4.17 genoemde bedrag van € 69.285).
Overzicht verdeling
4.19.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank uitgaat van de volgende verdeling van de hiervoor genoemde vermogensbestanddelen, waarbij de waarde en toebedeling van de in dit vonnis niet inhoudelijk besproken bestanddelen al (onbestreden) zijn vastgesteld in de eerdere beslissingen van de rechtbank en het hof:
Bestanddeel
Waarde
Toegedeeld aan man
Toegedeeld aan vrouw
Woning [plaats 2] (50%)
€ 350.000
€ 350.000
Appartement [plaats 3]
€ 160.000
€ 160.000
Appartement Turkije
€ 219.500
€ 219.500
Inboedel NL
€ 20.000
€ 20.000
Inboedel Turkije
€ 10.000
€ 10.000
Jaguar en Ford Focus
€ 15.500
€ 15.500
Audi A3
€ 7.250
€ 7.250
Juwelen
€ 16.545
€ 16.545
Rabobank [rekeningnummer 1] (gezamenlijk)
€ 983
€ 983
Rabobank [rekeningnummer 2] (man)
€ 41.301
€ 41.301
Rabobank [rekeningnummer 3] (man)
€ 49.998
€ 49.998
Rabobank [rekeningnummer 4] (man)
€ 0
€ 0
Rabobank [rekeningnummer 5] (vrouw)
€ 71.366
€ 71.366
Rabobank [rekeningnummer 6] (vrouw)
€ 47,08
€ 47,08
Van Lanschot [rekeningnummer 7] (man)
€ 27.898,32
€ 27.898,32
Van Lanschot [rekeningnummer 8] (man)
€ 0
€ 0
AK Bank [rekeningnummer 11] (man)
€ 3.004,06
€ 3.004,06
AK Bank [rekeningnummer 12] (man)
€ 355,34
€ 355,34
Garanti Bank [rekeningnummer 13] (vrouw)
€ 3.000
€ 3.000
Garanti Bank [rekeningnummer 14] (vrouw)
€ 1.900,99
€ 1.900,99
Erste Bank [rekeningnummer 15] (vrouw)
€ 6.000
€ 6.000
Erste Bank [rekeningnummer 16] (vrouw)
€ 0
€ 0
Bank Austria [rekeningnummer 17] (man)
€ 610
€ 610
Odeabank ( [naam] )
€ 96.978
€ 96.978
RBA-fondsen [rekeningnummer 18] en [rekeningnummer 19]
€ 61.329
€ 61.329
Van Lanschot [rekeningnummer 9] (man)
€ 588.591
€ 588.591
Van Lanschot [rekeningnummer 10] (man)
€ 36.407,81
€ 36.407,81
TOTAAL
€ 1.788.564,60
€ 1.585.477,53
€ 203.087,07
4.20.
De rechtbank overweegt hierbij dat zij met betrekking tot de RBA-fondsen uitgaat van een waarde van € 61.329 in plaats van € 161.329. De man heeft namelijk onweersproken gesteld dat van het in de echtscheidingsprocedure vastgestelde bedrag van
€ 161.329 al een bedrag van € 50.000 aan de vrouw is uitgekeerd en dat met dit bedrag dan ook aan zijn zijde rekening moet worden gehouden. De rechtbank zal om deze reden dan ook € 100.000 in mindering brengen op het eerder vastgestelde saldo.
Berekening door de man verschuldigde bedrag wegens overbedeling
4.21.
Uit het overzicht van de verdeling volgt dat de totale waarde van de bestanddelen (afgerond) € 1.788.565 bedraagt. Hierop strekken in mindering de volgende vergoedingsrechten van de man op de gemeenschap:
Vergoedingsrechten man op gemeenschap
Nalatenschap overleden eerste vrouw
€ 505.668 (zie r.o. 4.9.)
Nalatenschap zus eerste vrouw
€ 105.000
Aandeel in nalatenschap ouders man
€ 41.967
Schenkingen moeder eerste vrouw/rente
€ 13.500
Voorhuwelijks opgebouwd pensioen
€ 49.143
TOTAAL
€ 715.278
4.22.
Na vermindering met deze vergoedingsrechten ten bedrage van in totaal € 715.278, resteert een waarde van de gemeenschap van € 1.073.287. Partijen hebben ieder recht op de helft van deze waarde (oftewel op een bedrag van € 536.643,50). Rekening houdend met hetgeen aan de vrouw is toegedeeld (een bedrag van € 203.087), resteert een door de man te betalen bedrag van € 333.556,50.
4.23.
Hierop in mindering brengt de rechtbank de door de vrouw aan de man verschuldigde bedragen ter zake van de belastingaanslag 2020 (€ 7.233), de belastingaanslagen 2018 en 2019 (€ 6.082) en de teveel betaalde partneralimentatie. Ten aanzien van dit laatste bedrag verschillen partijen van mening over de vraag of het hierbij gaat om een bedrag van € 21.760 (volgens de vrouw) of € 21.941 (volgens de man). De rechtbank volgt hierin de vrouw en gaat dus uit van een bedrag van € 21.760. In totaal is de vrouw dus aan de man verschuldigd een bedrag van € 35.075. Na verrekening van dit bedrag met het hiervoor genoemde bedrag van € 333.556,50, is de man nog een bedrag van € 298.481,50 aan de vrouw verschuldigd. Hierop moet tot slot nog het door de man al betaalde voorschot van € 50.000 in mindering worden gebracht.
4.24.
De slotsom is dat de man nog een bedrag van € 248.481,50 aan de vrouw moet voldoen wegens overbedeling uit hoofde van de financiële afwikkeling van de echtscheiding volgend uit de beschikkingen van de rechtbank en het hof van 20 juli 2021 en 22 juni 2023. De rechtbank zal, nu de vrouw betaling van een hoger bedrag vordert dan € 248.481,50, maar betaling daarvan naar het oordeel van de rechtbank dient plaats te vinden overeenkomstig de vorderingen van de man (zie onder), dat bedrag toewijzen in lijn met de vordering van de man (onder a), oftewel verklaren voor recht dat de man aan de vrouw verschuldigd is een (restant)bedrag van € 248.481,50. De door de vrouw gevorderde wettelijke rente over het aan haar toekomende bedrag kan ook niet worden toegewezen, nu het door de man te betalen bedrag eerder, mede door toedoen van de vrouw, nog niet vast stond en dus nog niet opeisbaar was.
Overige vorderingen van de man
4.25.
Met betrekking tot de (wijze van) betaling van het hiervoor genoemde bedrag aan de vrouw beslist de rechtbank overeenkomstig de (primaire) vordering van de man (onder b), zoals hierna uitgewerkt. De rechtbank koppelt de betaling door de man van het aan de vrouw verschuldigde bedrag dus aan de (medewerking door de vrouw aan de) levering van het onroerend goed in Nederland dat aan de man is toegedeeld. De vrouw zal worden veroordeeld om binnen een termijn van vier weken na betekening van dit vonnis aan deze levering haar medewerking te verlenen. De rechtbank zal hierbij ook bepalen dat, als de vrouw deze medewerking niet verleent, dit vonnis dezelfde kracht heeft als de voor de overdracht benodigde (rechts)handelingen. Verder zal de rechtbank, zoals door de man gevorderd, bepalen dat een deel van het door de man te betalen bedrag (de helft van de in de echtscheidingsprocedure aan het onroerend goed in Turkije toegekende waarde van
€ 219.500, oftewel € 109.750) bij de notaris in depot wordt gehouden (totdat de Turkse rechtszaak definitief is afgewikkeld of partijen alsnog anders overeenkomen). Gebleken is namelijk dat de vrouw in Turkije (een) nieuwe procedure(s) is gestart over het onroerend goed aldaar. Ter zitting is gebleken dat het de vrouw niet alleen gaat om de erkenning en uitvoering van de Nederlandse beschikkingen maar (ook) om aanspraak te kunnen maken op de huidige waarde van het onroerend goed. De man heeft, onder overlegging van e-mailberichten van zijn Turkse advocaat, toegelicht dat het depot noodzakelijk is om te voorkomen dat hij gehouden is dubbel te betalen in het geval de Turkse rechter geen rekening zal houden met betalingen die de man in dit kader in Nederland al heeft verricht. Voor de vordering tot het in depot houden van een deel van de waarde van het onroerend goed bestaat dus voldoende grond.
4.26.
Tot slot kan ook de (primaire) vordering (onder c) van de man tot opheffing van de door de vrouw gelegde conservatoire beslagen op de woning in [plaats 2] en het appartement in [plaats 3] worden toegewezen. In dit vonnis is het door de man aan de vrouw te betalen bedrag wegens overbedeling uit hoofde van de financiële afwikkeling van de echtscheiding tussen partijen berekend. De man is ook bereid om het aan de vrouw toekomende bedrag te betalen en heeft hiertoe zelf vorderingen ingesteld die op de wijze zoals hiervoor vermeld worden toegewezen. Dat de man herhaaldelijk heeft geweigerd om zijn verplichtingen na te komen is op geen enkele wijze gebleken. De man wil juist tot een definitieve afwikkeling komen. Gelet hierop heeft de vrouw geen belang bij handhaving van het beslag. De rechtbank zal het beslag dan ook opheffen.
4.27.
De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de vrouw gevorderd, een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de (daarvoor vatbare) beslissingen achterwege te laten.
Proceskosten
4.28.
De man heeft de rechtbank uitdrukkelijk gevraagd om de vrouw in de proceskosten te veroordelen. Hoewel het klopt dat na de in kracht van gewijsde gegane beslissingen van de rechtbank en het hof in de echtscheidingsprocedure tussen partijen voor het overgrote deel vast stond op welke wijze het huwelijk van partijen financieel moest worden afgewikkeld, waren er nog enkele openstaande punten. Partijen hebben hun discussie over deze punten buiten rechte niet kunnen beslechten. Om deze reden ziet de rechtbank toch aanleiding om te proceskosten zowel in conventie als in reconventie tussen partijen te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.

5.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
5.3.
verklaart voor recht dat de man aan de vrouw verschuldigd is een (restant)bedrag van € 248.481,50 wegens overbedeling uit hoofde van de financiële afwikkeling van de echtscheiding volgend uit de beschikkingen van de rechtbank van 20 juli 2021 en het hof van 22 juni 2023;
5.4.
veroordeelt de vrouw om binnen vier weken na betekening van dit vonnis op een door een notaris verbonden aan Kooijman Autar notarissen te Rotterdam (hierna: de notaris) opgegeven, door de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw te communiceren datum en tijdstip bij de notaris te verschijnen teneinde mee te werken aan alle (rechts)handelingen die nodig zijn voor de overdracht van de woning in [plaats 2] en het appartement in [plaats 3] aan hem (waaronder het passeren van de akte van levering), bij gebreke waarvan het vonnis dezelfde kracht heeft als de voor die overdracht benodigde (rechts)handelingen van de vrouw, waarbij:
  • de man aan de vrouw is verschuldigd een bedrag van € 248.481,50 wegens overbedeling uit hoofde van de financiële afwikkeling van de echtscheiding, welk bedrag de man uiterlijk 24 uur voorafgaand aan de levering op de derdengeldrekening van de notaris zal storten en waarbij een bedrag van € 109.750 bij de notaris in depot wordt gehouden totdat de tussen partijen lopende rechtszaken in Turkije over het appartement aldaar c.q. over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding van partijen zijn afgewikkeld doordat er een in alle zaken onherroepelijke uitsprak ligt of partijen alsnog anders zijn overeengekomen, en
  • het depot als volgt zal worden uitbetaald:
indien de Turkse rechter oordeelt dat de man een bedrag (ongeacht de hoogte) aan de vrouw moet betalen uit hoofde van de afwikkeling van het appartement in Turkije, dan komt het volledige in depot bij de notaris staande bedrag aan de man toe;
indien de door de vrouw in Turkije gestarte procedures worden afgewezen zonder veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van een bepaald bedrag, dan komt het in depot bij de notaris staande bedrag alsnog aan de vrouw toe, waarbij de kosten van het depot (waaronder maar niet uitsluitend begrepen de vergoeding op jaarbasis van € 150 exclusief btw, de overige werkzaamheden op basis van de bestede tijd van de notarieel medewerking op basis van het in dat jaar geldende uurtarief en alle overige kosten, waaronder mede begrepen de kosten voor juridisch verweer die de notaris moet maken) ten laste van het depot worden gebracht;
5.5.
heft de op 14 april 2022 door de vrouw gelegde conservatoire beslagen op de woning aan de [adres 1] en het appartement aan de [adres 2] op;
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.4 en 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Knijff en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
2163

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2006/1103 van de Raad van 24 juni 2016, tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensrecht