Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7661

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/09/681149 / FA RK 25-1574
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht vader met minderjarige wegens ernstig nadeel

De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden tot opschorting en ontzegging van het omgangsrecht van de vader met zijn minderjarige kind, geboren in 2017. De omgangsregeling was eerder vastgesteld op begeleide omgang eens per acht weken twee uur. De minderjarige heeft een trauma- en stressstoornis door vroegkinderlijke traumatisering en ouder-kindrelatieproblemen, mede veroorzaakt door huiselijk geweld tussen de ouders.

De omgangsmomenten werden begeleid door het Wilmahuis, maar deze vonden vaak niet plaats en veroorzaakten spanningsklachten bij het kind. De voormalige pleegouders weigerden verdere uitvoering vanwege de negatieve impact van de vader op het kind. Andere begeleidingsinstanties stopten eveneens vanwege veiligheidsproblemen. De gecertificeerde instelling verzocht daarom om opschorting van de omgang voor negen maanden, met een latere herbeoordeling.

De vader stemde in met opschorting maar verzette zich tegen ontzegging, omdat dit een langere periode zou betekenen. De kinderrechter oordeelde dat de omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind en ontzegde het omgangsrecht op grond van artikel 1:377a BW. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan na een jaar of bij gewijzigde omstandigheden worden herzien.

Uitkomst: De kinderrechter ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige wegens ernstig nadeel voor haar geestelijke ontwikkeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/681149 / FA RK 25-1574
Datum uitspraak: 3 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter

Wijziging omgangsregeling (artikel 1:265g BW)

in de zaak naar aanleiding van het op 21 februari 2025 ingekomen verzoekschrift van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
betreffende:
- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.P. Friperson in ’s-Gravenhage.

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
De kinderrechter merkt als informanten aan:

[de voormalig pleegvader] en [de voormalig pleegmoeder] ,

hierna te noemen: de voormalige pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de pleegmoeder]

hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • de brief van 30 januari 2026 van de gecertificeerde instelling.
Op 3 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:
  • de advocaat van de vader;
  • de moeder;
  • de voormalig pleegvader;
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De vader was niet aanwezig op de zitting.
[de minderjarige] is op 30 januari 2026 ook in raadkamer gehoord.

Feiten

  • De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] .
  • [de minderjarige] heeft zes jaar bij de voormalig pleegouders verbleven. Sinds de zomer van 2025 verblijft zij bij de nieuwe pleegmoeder.
  • Bij beschikking van 18 februari 2021 van deze rechtbank is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden benoemd tot voogd over [de minderjarige] .
  • Bij beschikking van 17 oktober 2023 van deze rechtbank is bepaald dat [de minderjarige] als volgt omgang heeft met de vader: ten minste éénmaal per achtweken twee uur onder begeleiding van het Wilmahuis en onder regie van de gecertificeerde instelling.

Verzoek

De gecertificeerde instelling heeft verzocht de bij beschikking van 17 oktober 2023 van deze rechtbank vastgestelde omgangsregeling op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) op te schorten voor een periode van negen maanden, en dat binnen deze periode nieuwe zitting zal plaatsvinden waarin wordt beoordeeld of en zo ja, met welke frequentie en duur de begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de vader zal kunnen plaatsvinden. Daarnaast dient de regie over het hervatten van de omgang alsmede de frequentie en de duur aan de gecertificeerde instelling te worden toegedeeld, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Bij beschikking van 17 oktober 2023 van deze rechtbank is bepaald dat de vader en [de minderjarige] eens per acht weken twee uur onder begeleiding omgang hebben. Hiertoe is besloten omdat [de minderjarige] in haar jeugd getuige is geweest van ernstig huiselijk geweld tussen de vader en de moeder. Uit diagnostisch onderzoek is gebleken dat bij [de minderjarige] sprake is van een gespecifieerde trauma- of stressor-gerelateerde stoornis met vroegkinderlijke traumatisering en ouder-kindrelatieproblemen. Na voornoemde beschikking zijn de omgangsmomenten begeleid door het Wilmahuis. Gebleken is dat deze momenten niet altijd door gingen en vaak werden verzet. De pleegouders merkte dat [de minderjarige] rondom de omgangsmomenten spanningsklachten liet zien zoals slecht slapen, langdurige obstipatie en onvoorspelbaar en boos gedrag.
Op 11 november 2024 hebben de voormalige pleegouders laten weten geen uitvoering meer te willen geven aan de omgang omdat de vader al vier jaar lang een trigger is voor [de minderjarige] . Het Wilmahuis heeft naar aanleiding daarvan besloten om de Omgangsbegeleiding te stoppen en het verder over te laten aan Jeugdformaat. Vanuit Jeugdformaat is besloten om niet mee te werken aan de Omgangsbegeleiding vanwege de veiligheid van de medewerkers door incidenten in het verleden met de vader. Naar aanleiding daarvan is door RondomJou en Jeugdformaat een visie bepaald waarin is geconcludeerd dat de omgangsregeling moet worden gepauzeerd totdat er voldoende rust en stabiliteit is bij [de minderjarige] . Daarbij moet eerst worden ingezet op een stabiele plaatsing en het opstarten van de behandeling voor [de minderjarige] , voordat de omgang met de vader weer gestart kan worden.

StandpuntenNamens de vader is op de zitting ingestemd met het verzoek tot opschorting van de omgang, maar verweer gevoerd tegen ontzegging van de omgang. De vader ziet in dat rust en stabiliteit nu belangrijk is voor [de minderjarige] . Hij heeft daarom bewust geen contact meer gezocht met [de minderjarige] . Ontzegging van de omgang met [de minderjarige] vindt de vader echter te ver gaan. De vader kan dan pas na minstens een jaar opnieuw een verzoek doen, terwijl dit anders is als de omgangsregeling wordt opgeschort.

De moeder heeft ingestemd met het verzoek.

Beoordeling

Het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling is bij de rechtbank binnengekomen op 21 februari 2025 en op de zitting van 3 februari 2026 besproken. Gebleken is dat er in de afgelopen periode geen omgang heeft plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] . De jeugdbeschermer heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij voorlopig geen mogelijkheden ziet om de omgang te herstellen. Daarvoor is redengevend dat de vader niet reageert op pogingen van de jeugdbeschermer om contact op te nemen, en dat rust op dit moment noodzakelijk is voor [de minderjarige] . Uit de brief van 30 januari 2026 van de gecertificeerde instelling blijkt immers het volgende: ‘
laat zorgend en verantwoordelijk gedrag zien richting jongere kinderen en heeft moeite om kind te kunnen zijn. Zij is gevoelig voor stress in haar omgeving en reageert hierop met emotionele ontregeling.
Uit zowel het perspectiefonderzoek als het psychoseksueel onderzoek komt naar voren dat rust, voorspelbaarheid en begrenzing essentieel zijn voor haar verdere ontwikkeling. Het opnieuw (of voortijdig) activeren van begeleide omgang met vader vergroot het risico op toename van spanningen en verwarring, versterking van loyaliteitsconflicten, hernieuwde emotionele ontregeling en belemmering van haar verwerking en ontwikkeling.’
Op de zitting is besproken of het verzoek zoals gedaan door de gecertificeerde instelling, te weten opschorting van de omgang voor een duur van negen maanden, nog wel passend is. De kinderrechter begrijpt dat de jeugdbeschermer de facto een ontzegging van de omgang vraagt. De moeder kan zich vinden dat verzoek. De vader voert formeel verweer tegen ontzegging van de omgang. De kinderrechter ziet aanleiding om de rechtsgronden aan te vullen en zal hierna beoordelen of voldaan is aan de vereisten van artikel 1:377a BW. In dat licht overweegt de kinderrechter de bevoegdheid van de ouders om op grond van artikel 1:377a BW een verzoek te doen, ook toekomt aan een gecertificeerde instelling (zie Hoge Raad 16 mei 2015, ECLI:NL:HR:2017:943). De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in haar verzoek tot ontzegging van de omgang.
Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders. De kinderrechter stelt op verzoek van de ouders of een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De kinderrechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Uit de stukken blijkt, en door de voormalig pleegvader is op de zitting bevestigd, dat [de minderjarige] buitengewoon emotioneel reageert rondom omgangsmomenten met de vader. Daarmee kan geconcludeerd worden dat op dit moment de emotionele belastbaarheid van [de minderjarige] laag is. De enorme onrust rondom de omgang met de vader heeft geleid tot beëindiging van het langdurig verblijf bij de voormalig pleegouders, terwijl het een perspectiefbiedend pleeggezin betrof waar [de minderjarige] al ruim zes jaar verbleef. [de minderjarige] verblijft nu sinds de zomer van 2025 bij de nieuwe pleegmoeder. Gelet op het bovenstaande, is de kinderrechter van oordeel dat de omgang met de vader ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] en in strijd is met haar zwaarwegende belangen. De kinderrechter zal het recht van de vader op omgang met [de minderjarige] ontzeggen omdat voldaan is aan de vereisten van artikel 1:377a lid 3 sub a BW.
De kinderrechter merkt op dat een ontzegging van het recht op omgang tussen een ouder en een kind blijkens vaste jurisprudentie een in tijd beperkt karakter heeft. In ieder geval kan na een periode van een jaar, of als de omstandigheden wijzigen ook eerder, een (nieuw) verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling worden ingediend (zie Hoge Raad 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG504).

Beslissing

De kinderrechter – met wijziging in zoverre van de beschikking 17 oktober 2023 van deze rechtbank – :
*
ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ;
*
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 maart 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.