Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7686

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/09/679945 / FA RK 25-953
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402a BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en kinderalimentatie met 50/50-verdeling voor minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling en kinderalimentatie voor hun minderjarige kind, geboren in 2011. De ouders oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en waren gehuwd van 2015 tot 2017. De huidige zorgregeling was vierwekelijks met wisselende verblijfsperioden bij beide ouders.

Beide ouders dienden voorstellen in voor een nieuwe zorgregeling, waarbij de moeder een regeling voorstelde met vijftien dagen per vier weken bij haar, en de vader een regeling met vijftien dagen per vier weken bij hem. De rechtbank stelde vast dat het kind behoefte had aan minder wisselmomenten en meer duidelijkheid, en besloot een regeling vast te stellen waarbij het kind twee weken bij de ene ouder verblijft en vervolgens twee weken bij de andere ouder, met wisselmoment op vrijdagavond.

De vakantie- en feestdagenregeling werd aangepast in overeenstemming met de wensen van de ouders, waarbij vakanties en feestdagen gelijk verdeeld worden, met specifieke afspraken over kerst en oud en nieuw. De rechtbank oordeelde dat de moeder een wijziging van omstandigheden had aangetoond die een herziening van de kinderalimentatie rechtvaardigde, mede vanwege haar nieuwe geregistreerd partnerschap en gewijzigde gezinssituatie.

Na berekening van de behoefte van het kind en de draagkracht van beide ouders, werd de kinderalimentatie vastgesteld op €105 per maand, ingaande 3 maart 2026. Het verzoek tot betaling van achterstallige alimentatie werd afgewezen vanwege een gering verschil met onverschuldigde betalingen door de vader. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de zorgregeling naar een 50/50-verdeling en stelt de kinderalimentatie vast op €105 per maand vanaf 3 maart 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-953
Zaaknummer: C/09/679945
Datum beschikking: 3 maart 2026

Verdeling van zorg- en opvoedingstaken en alimentatie

Beschikking op het op 7 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.J. Roetman te Gouda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.M. Klink te Waddinxveen.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het bericht van 31 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de vader;
- het bericht van 22 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- het bericht van 28 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de vader;
- het bericht van 30 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder.
De minderjarige [de minderjarige] heeft in raadkamer zijn mening gegeven over het verzoek.
Op 2 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van 9 februari 2026, met bijlage, van de zijde van de vader;
  • het bericht van 12 februari 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder.

Feiten

- De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2015 tot [datum 2] 2017.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft [de minderjarige] erkend.
- De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] .
- Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 13 februari 2017 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en zijn het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan opgenomen in de beschikking. In het ouderschapsplan is – voor zover hier van belang – opgenomen:
  • dat de vader maandelijks € 50,- kinderalimentatie betaalt aan de moeder, welk bedrag jaarlijks dient te worden geïndexeerd;
  • dat [de minderjarige] de hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;
  • dat [de minderjarige] één keer in de vier weken gedurende het weekend bij de vader is van vrijdag tot en met zondag en dat de rest van de afspraken wordt gemaakt zo spoedig mogelijk na het verkrijgen van het rooster van de vader;
  • dat [de minderjarige] ’s verjaardag in overleg gezamenlijk wordt gevierd bij de moeder en dat [de minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld om de verjaardagen van de ouders, Vader- en Moederdag en verjaardagen van de grootouders te vieren, ongeacht bij wie [de minderjarige] is;
  • dat de ouders de vakanties en feestdagen in onderling overleg verdelen. Bij niet nakomen van andersluidende afspraken geldt de hoofdregel dat de schoolvakanties en viering van feestdagen gelijk worden verdeeld, met als uitgangspunt dat [de minderjarige] in het even jaar de eerste helft van de schoolvakanties bij de vader verblijft en in het oneven jaar de tweede helft. Kerstavond en nieuwjaar zullen jaarlijks worden gewisseld en bij wie [de minderjarige] op kerstavond is, zal [de minderjarige] ook op eerste kerstdag verblijven. Om een goede planning van de omgang en het verblijf mogelijk te maken, stellen de ouders binnen twee weken na ontvangst van het schoolrooster een verdeling op van de vakanties, vastgestelde feestdagen en roostervrije dagen.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie:
  • sinds 1 januari 2018 € 50,75;
  • sinds 1 januari 2019 € 51,77;
  • sinds 1 januari 2020 € 53,06;
  • sinds 1 januari 2021 € 54,65;
  • sinds 1 januari 2022 € 55,69;
  • sinds 1 januari 2023 € 57,58;
  • sinds 1 januari 2024 € 61,15;
  • sinds 1 januari 2025 € 65,12;
  • sinds 1 januari 2026 € 68,12.
- De moeder heeft een geregistreerd partnerschap met haar nieuwe partner. De vader heeft een nieuwe partner.

Verzoek en verweer

Na wijziging van het verzoekschrift verzoekt de moeder de rechtbank – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad –:
een zorgregeling vast te leggen, waarbij [de minderjarige] bij de vader is:
  • week 1: van maandag tot en met woensdag naar school;
  • week 2: van donderdag tot en met zondag;
  • week 3 en 4: van donderdag tot en met de dinsdag van week 4;
een vakantieregeling vast te leggen, waarbij [de minderjarige] :
  • in de even jaren bij de moeder is gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie, op eerste kerstdag van 10.00 uur tot tweede kerstdag 10.00 uur, de voorjaarsvakantie en de meivakantie en bij de vader is gedurende de laatste drie weken van de zomervakantie, de kerstvakantie en de herfstvakantie, en dat deze regeling in de oneven jaren gespiegeld wordt toegepast;
  • te bepalen dat voor alle overige bijzondere dagen of feestdagen geldt dat de reguliere zorgregeling doorloopt, tenzij partijen overeenstemming hebben bereikt over afwijking daarvan;
te bepalen dat [de minderjarige] tweemaal per jaar niet bij zijn vader verblijft van donderdag op
vrijdag tot 15.00 op een door moeder (minimaal drie maanden van tevoren) aan te geven moment;
een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] vast te
stellen van € 400,- per maand, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag met ingang van de datum van indienen van dit verzoekschrift, althans een zodanige datum die de rechtbank juist acht;
te bepalen dat de vader aan de moeder vanwege het niet toepassen van de indexering
een achterstallige kinderalimentatie verschuldigd is van € 373,56 over de periode 1 januari 2020 tot 1 januari 2025.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de vader de rechtbank– voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens – na wijziging van het zelfstandig verzoek:
de reguliere zorgregeling te wijzigen en een vierwekelijkse zorgregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] bij de vader verblijft:
  • week 1: op donderdag en vrijdag;
  • week 2: op donderdag tot en met zondag;
  • week 3: op maandag tot dinsdagochtend voor school en van donderdag tot en met zondag;
  • week 4: op maandag, donderdag en vrijdag;
ten aanzien van de verdeling van vakanties en feestdagen te bepalen dat:
  • de zomervakantie bij helfte wordt gedeeld, waarbij [de minderjarige] in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader verblijft en in de even jaren de laatste drie weken;
  • [de minderjarige] jaarlijks gedurende de herfstvakantie bij de vader verblijft en gedurende de voorjaarsvakantie bij de moeder;
  • de meivakantie en kerstvakantie bij helfte worden gedeeld, waarbij [de minderjarige] in de oneven jaren de eerste helft of week van de meivakantie en van de kerstvakantie bij de vader verblijft en in de even jaren het tweede deel of de tweede week van deze vakanties;
  • [de minderjarige] jaarlijks tweede kerstdag bij de vader verblijft en oud en nieuw wisselend tijdens de even jaren bij de vader verblijft en tijdens de oneven jaren bij de moeder;
  • tijdens alle overige feest- en vakantiedagen de reguliere zorgregeling die sedert 1 juni 2024 van kracht is, doorloopt;
indien de rechtbank het verzoek van de moeder ten aanzien van de achterstallige
kinderalimentatie niet afwijst dan wel niet-ontvankelijk verklaart, te bepalen dat de moeder aan de vader €13,60 verschuldigd is vanwege het verschil tussen de achterstallige kinderalimentatie en de contributie voor de sport
free rundie de vader onverschuldigd aan de moeder heeft betaald na het eindigen van het lidmaatschap van [de minderjarige] .
De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Zorgregeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de ouders op dit moment een vierwekelijkse zorgregeling hanteren, waarbij [de minderjarige] steeds twee weekenden achter elkaar bij de vader verblijft en gedurende de volgende twee weken van donderdag tot vrijdagavond bij de vader is. Beide ouders wensen deze regeling te wijzigen en vinden allebei dat hun voorstel het beste aansluit bij wat [de minderjarige] wil en wat in zijn belang is. De moeder stelt daarbij een regeling voor waarbij [de minderjarige] per vier weken gedurende vijftien hele dagen bij haar verblijft, terwijl de vader een regeling voorstelt waarbij [de minderjarige] per vier weken gedurende vijftien hele dagen bij hem verblijft.
Uit het gesprek dat de kinderrechter met [de minderjarige] heeft gehad maakt de rechtbank op dat [de minderjarige] veel last heeft van de onenigheid tussen zijn ouders over (onder meer) de zorgregeling alsook van de vele wisselmomenten in de huidige zorgregeling. Daarnaast heeft de rechtbank de indruk dat [de minderjarige] niet wil (hoeven) kiezen tussen zijn ouders en evenveel tijd bij iedere ouder wil doorbrengen.
De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen waarbij [de minderjarige] steeds twee weken bij de ene ouder is en vervolgens twee weken bij de andere ouder verblijft en waarbij het wisselmoment valt op vrijdagavond 19.00 uur. De rechtbank zal haar beslissing uitleggen
In beginsel ligt het op de weg van de ouders om te proberen om samen tot afspraken te komen over de zorgregeling en om daarbij het belang van [de minderjarige] voorop te stellen. De rechtbank leidt uit (de toelichting van) de voorstellen van de ouders af dat de ouders het erover eens zijn dat [de minderjarige] twee achtereenvolgende weekenden bij de vader zal doorbrengen en dat beide ouders inzien dat het belang van [de minderjarige] vergt dat het aantal wisselmomenten wordt beperkt en dat er naar zijn mening wordt geluisterd. Over de verdeling van de overige dagen zijn de ouders het niet eens. Hoewel de rechtbank begrijpt dat [de minderjarige] vanwege zijn ongemak met de huidige situatie op zoek is gegaan naar een oplossing waarmee hij iedereen tevreden kan stellen, vindt de rechtbank het zeer verdrietig dat [de minderjarige] zich verantwoordelijk lijkt te voelen voor het vinden van een oplossing voor de onenigheid tussen zijn ouders. De rechtbank beseft dat de zorgregeling die zij vaststelt ertoe leidt dat [de minderjarige] steeds voor een relatief lange tijd bij een ouder is, maar stapt daarover heen omdat deze regeling [de minderjarige] wel de duidelijkheid, structuur en rust biedt die hij nodig heeft. Daarnaast komt deze regeling tegemoet aan zowel [de minderjarige] ’s wensen, als de beperkte overeenstemming tussen de ouders.
Vakantie- en feestdagenregeling
Beide ouders hebben verzocht om een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken blijkt dat de ouders het erover eens zijn dat [de minderjarige] in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de moeder doorbrengt en de laatste drie weken bij de vader, en in de oneven jaren andersom. Gelet op deze overeenstemming zal de rechtbank ten aanzien van de zomervakantie dienovereenkomstig beslissen.
De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat de schoolvakanties bij helfte worden verdeeld tussen de ouders, zodat [de minderjarige] in gelijke mate met de ouders tijd kan doorbrengen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat [de minderjarige] gedurende de schoolvakanties die volgens zijn schoolrooster één week duren, te weten de voorjaarsvakantie en de herfstvakantie, in de even jaren de voorjaarsvakantie bij de moeder zal zijn en de herfstvakantie bij de vader, en in de oneven jaren andersom.
Over de schoolvakanties, die langer duren dan één week, zal de rechtbank bepalen dat deze vakanties worden verdeeld, in die zin dat iedere ouder een helft van de vakantie heeft. Bij de vakantie die langer duurt dan één week, met uitzondering van de zomervakantie, krijgt één van de ouders de eerste keuze ten aanzien van welke helft van de vakantie hij of zij wil. De andere ouder heeft de resterende helft. Deze eerste keuze zal bij toerbeurt plaatsvinden en omwille van de duidelijkheid zal de rechtbank bepalen dat de ene ouder het ene jaar de voorkeur heeft en de andere ouder het andere jaar. De rechtbank neemt in het dictum van deze beschikking op welke ouder wanneer de eerste keuze heeft.
Voorts geven beide ouders aan dat zij voor wat betreft de verdeling van feestdagen wensen aan te sluiten bij de reguliere zorgregeling, maar zijn zij het niet (geheel) eens over de verdeling van de kerstdagen en oud en nieuw. Zo zijn de ouders het erover eens dat de kerstdagen moeten worden verdeeld, maar zijn de ouders het er niet over eens op welke van de twee kerstdagen [de minderjarige] bij welke ouder is. Daarnaast wil de moeder dat [de minderjarige] oud en nieuw doorbrengt bij de ouder bij wie hij op dat moment volgens de reguliere zorgregeling verblijft, terwijl de vader wenst dat [de minderjarige] oud en nieuw tijdens de even jaren bij de vader verblijft en tijdens de oneven jaren bij de moeder. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat [de minderjarige] eerste kerstdag doorbrengt bij de ouder bij wie [de minderjarige] op dat moment reeds verblijft conform de vakantieregeling en dat [de minderjarige] vanaf 10.00 uur op tweede kerstdag tot 10.00 uur op 27 december bij de andere ouder verblijft. De rechtbank zal verder het verzoek van de vader ten aanzien van oud en nieuw toewijzen, zodat [de minderjarige] oud en nieuw bij de vader doorbrengt wanneer oudejaarsdag in het oneven jaar valt, en oud en nieuw bij de moeder doorbrengt wanneer oudejaarsdag in het even jaar valt. Voor de overige feestdagen geldt dat [de minderjarige] deze zal doorbrengen bij de ouder bij wie hij op dat moment conform de reguliere zorgregeling verblijft.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het de ouders vrij staat om bij wederzijds goedvinden af te wijken van deze verdeling van de vakanties en feestdagen.
Kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
De moeder verzoekt de kinderalimentatie te wijzigen en beroept zich daarbij op het eerste en het vierde lid van artikel 1:401 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is tussen partijen in geschil.
De rechtbank stelt vast dat de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat de vader maandelijks € 50,- aan kinderalimentatie aan de moeder zal betalen. Omdat er geen sprake is van een rechterlijke beslissing waarin de kinderalimentatie is vastgesteld, kan het beroep van de moeder dat de kinderalimentatie nooit aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan en/of is gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens (artikel 1:401 BW Pro lid 4) niet slagen.
Een overeenkomst kan wel worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW Pro). Het moet hierbij gaan om een wijziging van de omstandigheden waarvan partijen op dat moment zijn uitgegaan.
De rechtbank is van oordeel dat de nieuwe gezinssituatie van de moeder een wijziging van omstandigheden oplevert. Uit hetgeen partijen in de overgelegde stukken en tijdens de mondelinge behandeling hebben aangevoerd blijkt dat de moeder een geregistreerd partnerschap heeft gesloten met haar nieuwe partner, dat zij met hem samenwoont en dat zij als stiefouder onderhoudsplichtig is geworden voor de kinderen van de nieuwe partner die bij haar en de nieuwe partner wonen. Omdat de rechtbank het aannemelijk acht dat deze omstandigheden van invloed zijn op de mate waarin middelen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] beschikbaar zijn in het nieuwe gezin, zal de rechtbank de moeder ontvangen in haar verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de overeenkomst.
Daarbij merkt de rechtbank – in navolging van het gerechtshof Den Haag (8 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:93, r.o. 5.13) – uitdrukkelijk op dat een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt dat een wijziging in de inkomens- of gezinssituatie van partijen nog geen relevante wijziging van omstandigheden vormt die noopt tot herberekening en aanpassing van de overeengekomen onderhoudsbijdrage en een andere onderlinge verdeling van de kosten van de kinderen indien sprake is van voldoende draagkracht. Dit brengt mee dat, indien de ouders voldoende draagkracht hebben om in de kosten van de kinderen te voorzien, niet iedere wijziging van omstandigheden noopt tot wijziging van de kinderalimentatie.
De rechtbank zal hierna aan de hand van een nieuwe beoordeling van de behoefte en draagkracht onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de overeenkomst niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarbij geldt dat de rechter zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven en alle op het moment van deze beschikking bestaande relevante omstandigheden. De rechter is in dit geval niet langer gebonden aan wat de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 33.000,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. Omdat de moeder geen jaaropgaaf van het jaar 2016 kan overleggen, schat de rechtbank het inkomen van de moeder op € 33.000,- bruto per jaar, omdat de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bij dat bruto jaarinkomen overeenkomen met de bedragen die zijn vermeld in de door de moeder overgelegde aanslag inkomstenbelasting van 2016.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 2.327,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, in die zin dat de vader geen stelling inneemt over zijn NBI, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 37.441,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de vader overgelegde jaaropgave van 2016, aangezien partijen het eens zijn over dit inkomen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 2.287,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2016 dus € 4.614 per maand (€ 2.327
(NBI vrouw) +€ 2.287 (
NBI man)). Op basis van dit NBGI hadden partijen geen recht op kindgebonden budget. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2016, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 724,- per maand voor [de minderjarige] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.007,- per maand.
De moeder stelt dat het tabelbedrag moet worden verhoogd met € 192,- per maand wegens de extra kosten van de beugel, lenzen en bril van [de minderjarige] .
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten zijn begrepen. Bepaalde kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn dat deze niet zijn begrepen in het tabelbedrag, en daarnaast niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. In dat geval kan het tabelbedrag worden gecorrigeerd. Voorbeelden van kosten die volgens het Rapport alimentatienormen in aanmerking komen voor correctie zijn de kosten van een gehandicapt kind, kosten van topsport, privélessen en extra hoge schoolgelden.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd waarom de door haar gemaakte kosten voor de bril en lenzen van [de minderjarige] niet geacht kunnen worden (volledig) te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het tabelbedrag te verhogen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om het tabelbedrag te verhogen met de kosten van de beugel van [de minderjarige] , maar merkt ten aanzien hiervan op dat de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat bijzondere, niet door de ziektekostenverzekeraar vergoede ziektekosten buiten de alimentatieregeling vallen en door de ouders bij helfte zullen worden gedragen. Dat brengt mee dat de kosten voor de beugel van [de minderjarige] , voor zover deze niet worden gedekt door de ziektekostenverzekering, door beide ouders bij helfte dienen te worden betaald. De rechtbank is van oordeel dat deze afspraak los staat van de maandelijkse alimentatieverplichting. Daarom zal het tabelbedrag niet worden verhoogd.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 46.683,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens en houdt daarbij ook rekening met de WIA-uitkering die de nieuwe partner van de moeder ontvangt. Het geregistreerd partnerschap van de moeder met haar nieuwe partner maakt dat zij geen kindgebonden budget ontvangt.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 3.125,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie wordt in beginsel rekening gehouden met een woonbudget. Dat is 30% van het NBI. Omdat de moeder inmiddels een geregistreerd partnerschap heeft en samenwoont met haar nieuwe partner, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde percentage van 30%. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het duurzame samenwonen van de moeder met haar partner, de woonlasten gedeeld kunnen worden. De rechtbank zal daarom rekening houden met een woonbudget van 15% van het NBI van de moeder. De formule die de rechtbank voor de berekening van de draagkracht van de moeder zal gebruiken is dan 70% x [NBI – (0,15 x NBI + € 1.365)]. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [€ 3.125 – (€ 469 + € 1.365)] = € 904,- per maand.
Draagkracht nieuwe partner van moeder
De moeder voert aan dat er bij de berekening van de draagkracht geen rekening dient te worden gehouden met het inkomen van haar nieuwe partner, omdat haar partner alleen een WIA-uitkering ontvangt en – naar de rechtbank begrijpt – maandelijks € 25,- aan zijn ex-partner betaalt als bijdrage in de verzorging en opvoeding van zijn kind dat bij zijn ex-partner woont en hij onderhoudsplichtig is voor zijn twee kinderen die bij hem en de moeder wonen. De moeder heeft niet aangevoerd dat haar partner en zijn ex-partner onvoldoende draagkracht hebben om te voorzien in de behoefte van hun kinderen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de partner van de moeder zijn totale draagkracht aanwendt voor de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kinderen en dat de moeder haar volledige draagkracht kan aanwenden voor [de minderjarige] .
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 55.394,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2025.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.484,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [ € 3.484 – (€1.036 + € 1.365)] = € 752,- per maand.
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.656,- per maand (€ 904 + € 752). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: € 752 / € 1.656 x € 1.007 = € 457,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: € 904 / € 1.656 x € 1.007 =
€ 550,-
samen € 1.007,-
Zorgkorting
De vader maakt op de dagen dat [de minderjarige] bij hem verblijft kosten waarmee hij ten dele aan zijn onderhoudsverplichting voldoet. Daarom verlaagt de rechtbank de bijdrage van de vader met een percentage van de behoefte van [de minderjarige] (de zorgkorting).
Gelet op de rechtbank vast te stellen zorgregeling voor [de minderjarige] , waarbij [de minderjarige] steeds twee weken bij de ene ouder verblijft en vervolgens twee weken bij de volgende ouder, hanteert de rechtbank een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 352,- per maand (35% van € 1.007). Dit bedrag van € 352,- komt in mindering op het aandeel van de vader voor [de minderjarige] van € 457,-. Dit betekent dat de vader aan de moeder een bedrag van € 105,- (€ 459 – € 352) per maand voor [de minderjarige] dient te betalen.
Ingangsdatum
De moeder verzoekt de rechtbank de kinderalimentatie te wijzigen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (7 februari 2025).
De vader stelt dat er geen redenen zijn om de wijziging eerder dan de datum van de beschikking te laten ingaan.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:402 BW Pro heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. Volgens vaste jurisprudentie heeft ook als uitgangspunt te gelden dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid bij het vaststellen van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. Nu duidelijk is geworden dat de vader steeds kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald, acht de rechtbank het redelijk om de kinderalimentatie te wijzigen vanaf de datum van de beschikking.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de vader aan de moeder met ingang van 3 maart 2026 een bedrag van € 105,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de moeder de verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige] moet betalen vanuit de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie die de vader aan de moeder verschuldigd is, de gehele kinderbijslag, (indien van toepassing) het kindgebonden budget en haar eigen inkomen. Hiernaast dragen beide ouders ieder voor zich de verblijfskosten voor de kinderen wanneer zij bij hem of haar verblijven. Indien blijkt dat de vader kindgebonden budget en/of kinderbijslag ontvangt, is hij gehouden deze bedragen door te storten aan de moeder.
Achterstallige kinderalimentatie
Het is de rechtbank gebleken dat het bedrag dat de vader volgens het ouderschapsplan aan kinderalimentatie zou betalen aan de moeder, niet jaarlijks is geïndexeerd, maar voor het eerst per maart 2025. Dat betekent volgens de moeder dat er sprake is van achterstallige kinderalimentatie die nog moet worden betaald. De vader stelt hier tegenover dat hij nog enige tijd nadat [de minderjarige] is gestopt met de sport
free runningcontributiegelden voor die sport aan de moeder is blijven betalen en dat dit bedrag in totaal € 13,60 hoger is dan de kinderalimentatie die niet is betaald omdat het overeengekomen bedrag niet is geïndexeerd. Dit heeft de moeder niet betwist.
Gelet op het geringe verschil tussen de achterstallige kinderalimentatie en de door de vader onverschuldigd betaalde contributiegelden zal de rechtbank het verzoek van de moeder ten aanzien van de achterstallige alimentatie afwijzen.
Proceskosten
Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt een verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast, waarbij de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , steeds afwisselend twee achtereenvolgende weken bij de ene ouder is en vervolgens twee achtereenvolgende weken bij de andere ouder is, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdagavond om 19.00 uur;
*
bepaalt dat [de minderjarige] gedurende de schoolvakanties van één week en feestdagen volgens het de reguliere zorgregeling bij de ouders zal verblijven, met uitzondering van de vakanties en feestdagen in onderstaand schema, waarvoor het volgende geldt:
Voorjaarsvakantie
even jaren bij moeder, oneven jaren bij vader;
Meivakantie (als langer dan (één week)
oneven jaren moeder eerste keus, even jaren vader eerste keus;
Zomervakantie (vanaf 2026)
even jaren: [de minderjarige] brengt de eerste drie weken door bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader;
oneven jaren: [de minderjarige] brengt de eerste drie weken door bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder;
Herfstvakantie
oneven jaren bij moeder, even jaren bij vader;
Kerstvakantie
oneven jaren moeder eerste keus, even jaren vader eerste keus;
Eerste kerstdag
bij de ouder waarbij [de minderjarige] conform de vakantieregeling op die dag verblijft;
Tweede kerstdag
van 10.00 uur tot de volgende dag 10.00 uur bij de ouder waarbij [de minderjarige] eerste kerstdag niet heeft doorgebracht;
Oud en nieuw
oneven jaren bij moeder, even jaren bij vader;
*
bepaalt de door de vader met ingang van 3 maart 2026 te betalen alimentatie voor de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] op € 105,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 maart 2026.