ECLI:NL:RBDHA:2026:7808
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens late besluitvorming minister
Verzoeker diende een beroep in omdat de minister niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 24 december 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat proceskostenvergoeding passend was. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele hulpverlener werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast op het standaardbedrag.
De rechtbank wees het verzoek toe en veroordeelde de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Er was geen aanleiding tot het houden van een zitting. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 12 maart 2026.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoeker.