ECLI:NL:RBDHA:2026:7853
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot terugplaatsing in inrichting bij PIJ-maatregel
De veroordeelde is in 2019 voorwaardelijk veroordeeld tot de PIJ-maatregel, die sindsdien meerdere malen is verlengd en voorwaardelijk beëindigd op 1 juli 2024. De officier van justitie vorderde op 16 februari 2026 de terugplaatsing van de veroordeelde in een inrichting wegens onvoldoende naleving van de voorwaarden en recidive.
De reclassering rapporteerde dat de veroordeelde zijn afspraken structureel niet nakomt, onvoldoende communiceert en ondanks een positieve woonplek bij een instelling in [plaats] niet voldoende gedragsverbetering toont. De raadsman betoogde dat de veroordeelde wel begeleidbaar is en dat terugplaatsing disproportioneel zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat hoewel aan een voorwaarde voor terugplaatsing is voldaan, het einde van de PIJ-maatregel nabij is en terugplaatsing weinig toegevoegde waarde heeft. Bovendien zou terugplaatsing het verlies van de woonplek en begeleiding betekenen, wat nadelig is voor de veroordeelde.
Daarom wijst de rechtbank de vordering tot terugplaatsing af en benadrukt dat de reclassering binnen de resterende termijn de begeleiding en controle moet voortzetten, waarbij de feitelijke begeleiding steeds meer bij de wooninstelling zal liggen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot terugplaatsing af vanwege het naderende einde van de PIJ-maatregel en het belang van continuering van de begeleiding bij de huidige woonplek.