ECLI:NL:RBDHA:2026:7854
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduring maatregel bewaring vreemdeling ongegrond verklaard
De minister heeft op 9 december 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel duurt voort en de minister heeft de rechtbank op 27 maart 2026 geïnformeerd over de voortzetting, waarbij de rechtbank werd verzocht een rechtmatigheidsbeoordeling te verrichten.
Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko omdat de Marokkaanse autoriteiten niet reageren op verzoeken om informatie, ondanks dat eiser meewerkt door een kopie van zijn paspoort te verstrekken en een vrijwilligersbrief te ondertekenen. Tevens stelt eiser dat de minister onvoldoende inspanningen heeft verricht om de uitzetting te bespoedigen.
De rechtbank oordeelt dat de lp-aanvraag op 15 december 2025 aan de Marokkaanse autoriteiten is verzonden en dat dit niet te lang geleden is om zicht op uitzetting te ontkennen. De minister heeft recentelijk op 16 maart 2026 nog een rappel gedaan. De rechtbank acht de handelwijze van de minister voldoende voortvarend, mede gelet op vertrekgesprekken en meerdere rappellen. Er zijn geen nieuwe omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortduring van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.