Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7861

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
09-086508-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor twee gewapende overvallen met jeugddetentie en schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 25 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan twee gewapende overvallen, gepleegd op 16 en 18 maart 2025. De verdachte heeft beide feiten bekend. De rechtbank verklaarde de tenlasteleggingen wettig en overtuigend bewezen en kwalificeerde de feiten als diefstal met geweld en afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Tijdens de zittingen is uitgebreid aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd, sociaal-emotionele ontwikkeling en de invloed van zijn omgeving. De rechtbank nam ook rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en deskundigen in overweging, die een risicoprofiel schetsten maar ook positieve ontwikkelingsmogelijkheden aanwezen.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 270 dagen op, waarvan 37 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals contactverbod met de medeverdachte en begeleiding door jeugdreclassering. Tevens werd de verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €2.150 aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente, en werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 270 dagen jeugddetentie met 37 dagen voorwaardelijk en betaling van €2.150 schadevergoeding.

Uitspraak

VONNIS
RECHTBANK DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09-086508-25
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ), BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 12 juni 2025, 14 augustus 2025 en 6 november 2025 (pro forma) en 11 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De officier van justitie in deze zaak is mr. A. van Rookhuizen en de raadsvrouw van de verdachte is mr. L.E. Toet. De verdachte is op de terechtzitting van 11 maart 2026 verschenen.

2.De tenlastelegging

Kort weergegeven wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het overvallen van een Coop-winkel te Haastrecht op 16 maart 2025 (feit 1) en een Shell-tankstation te Gouda op 18 maart 2025 (feit 2), in beide gevallen samen met een ander en gewapend met een mes. De volledig tekst van de tenlastelegging is als volgt:
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 16 maart 2025 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Coop (gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen
[aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
over de winkelmandjes te springen en/of voor die [aangever 1] een mes te trekken en/of
dat mes dreigend te tonen aan die [aangever 1] en/of te richten en/of gericht te houden op het lichaam van die [aangever 1] en/of
(meermaals) tegen die [aangever 1] te zeggen dat die [aangever 1] de kassalade eruit moest halen en/of
een geldbedrag uit de kassalade te pakken;
2.
hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Gouda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die Shell tankstation (gelegen aan de [adres 3] ) en/of een derde toebehoorde(n) door
te roepen/zeggen "Dit is een overval" en/of
die [aangever 2] dreigend een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of in het zicht te houden en/of in de richting van die [aangever 2] te houden en/of zich achter de balie van dat tankstation te begeven en/of naar de kassalade te wijzen en/of te zeggen dat die [aangever 2] de kassa moest openen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 2.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat de bewezenverklaring betreft van zowel het onder feit 1 als het onder feit 2 ten laste gelegde.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 1 en onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank zal voor beide feiten met een opgave van bewijsmiddelen volstaan, zoals bedoeld in artikel 359 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv). De verdachte heeft deze bewezenverklaarde feiten bekend en daarna niet anders verklaard. De raadsvrouw heeft daarnaast geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en), tenzij anders vermeld.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met onderzoeksnummer DH7R025013 / HAVEN25, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn - Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 227).
Gebruikte bewijsmiddelen feit1
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 maart 2026;
2. het proces-verbaal van aangifte van [naam] , opgemaakt op 16 maart 2025 (p. 67-68);
3. het proces-verbaal van verhoor van de getuige
[aangever 1], opgemaakt op 16
maart 2025 (p. 107-108).
Gebruikte bewijsmiddelen feit 2
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 maart 2026;
2. het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, opgemaakt op 9 oktober 2025 (p. 219-227);
3. het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 18 maart 2025 (p. 126-128).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
feit1
hij op 16 maart 2025 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag dat geheel aan Coop (gelegen aan de [adres 2] ) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken, door
- voor die [aangever 1] een mes te trekken en
- dat mes dreigend te tonen aan die [aangever 1] en te richten en gericht te houden op het lichaam van die [aangever 1] en
- meermaals tegen die [aangever 1] te zeggen dat die [aangever 1] de kassalade eruit moest halen en
- een geldbedrag uit de kassalade te pakken;
feit 2
hij op 18 maart 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld
[aangever 2]heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, dat geheel aan
datShell tankstation (gelegen aan de [adres 3] ) toebehoorde door
- te roepen "Dit is een overval" en
- die [aangever 2] dreigend een mes te tonen en in het zicht te houden en in de richting van die [aangever 2] te houden en
- zich achter de balie van dat tankstation te begeven en te zeggen dat die [aangever 2] de kassa moest openen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 300 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (233 dagen).
De officier van justitie heeft gevorderd van deze jeugddetentie een gedeelte van 67 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de medeverdachte ( [medeverdachte] ) en daarnaast de bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd. Die voorwaarden hebben de strekking dat de verdachte voor de duur van de proeftijd:
- zich op door de Jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de Jeugdreclassering, ook als dit inhoudt het volgen van behandeling in het kader van Multidimensionale Familietherapie (MDFT);
- meewerkt met de coach van [instelling] ;
- naar school/dagbesteding gaat,
waarbij aan de gecertificeerde instelling Jeugdbeschenning West Haaglanden opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige te begeleiden, met het advies van de Raad om de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden volstaan met (ten hoogste) een jeugddetentie voor de duur van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Zij wijst daarbij op de LOVS-oriëntatiepunten die uitgaan van vier maanden jeugddetentie voor ieder feit en op de jonge leeftijd van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, die tot strafverlaging zouden moeten leiden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich als veertienjarige in zeer korte tijd schuldig gemaakt aan het plegen van twee gewapende overvallen. In beide gevallen is hij doelgericht op de (kassa)medewerkers afgelopen, heeft hij een groot mes getrokken en dat mes dreigend gericht op de medewerkers. Op die manier heeft hij hen gedwongen zijn instructies op te volgen. De verdachte heeft daarmee op grove wijze inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van de slachtoffers. De verdachte deed dat naar eigen zeggen omdat hij het idee had niet meer terug te kunnen en om 'stoer te doen', maar was er ook op uit om snel geld te verdienen. Hij heeft zich kennelijk laten leiden door zijn eigen financiële gewin en is daarbij volledig voorbijgegaan aan het welzijn van de slachtoffers. Dat de verdachte het mes niet heeft gebruikt om fysiek letsel toe te brengen, doet daar niet aan af.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 november 2025. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat weegt in de strafmaat verder niet mee omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is.
Persoon van de verdachte
Uit het Pro-Justitiarapport van 20 november 2025 volgt kort samengevat dat bij de verdachte geen psychische stoornis of verstandelijke handicap is vastgesteld. Dat was niet anders ten tijde van het ten laste gelegde. Wel zijn er zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de verdachte. Die is onder druk komen te staan door de omgeving waarin en de omstandigheden waaronder de verdachte is opgegroeid. Hij is beïnvloedbaar, wil graag ergens bij horen en is sterk afhankelijk van externe goedkeuring en erkenning. Zijn gedrag hangt daardoor sterk af van de groep of setting waarin hij zich begeeft. In algemene zin zijn er risicofactoren aan te wijzen voor toekomstig crimineel gedrag. De meeste
factoren zien op de complexe opvoedings- en thuissituatie van de verdachte, zijn schoolgang en een gebrek aan emotionele steun van volwassenen. Daar tegenover staat dat de verdachte sociaal competent is, zelfcontrole en doorzettingsvermogen heeft en bereid is zich aan afspraken te houden. Met de juiste ondersteuning kan de verdachte zich op een pro-sociale manier ontwikkelen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de Raad van 6 maart 2026 en van wat ter zitting door de deskundigen naar voren is gebracht. Daaruit volgt kort samengevat dat de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte onder druk staat, maar dat de verdachte in de kern over goede vaardigheden beschikt, die met de juiste ondersteuning verder kunnen worden uitgebreid. Sinds de schorsing van de verdachte is er geen sprake geweest van recidive en heeft de verdachte zich goed ingezet voor school, werk en het meewerken aan hulpverlening, in de vorm van coaching en (MDFT-)behandeling. De begeleiding van de verdachte zowel op individueel niveau als op gezinsniveau moet onverminderd doorgaan. Het doorzetten van de betrokkenheid en nabijheid van Jeugdreclassering is van belang en wordt door de Raad geadviseerd, mede om de noodzakelijke contacten met de coach en het MDFT-traject te blijven voortzetten en daarmee de kans op herhaling verder terug te brengen.
De Raad adviseert een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, zoals door de officier van justitie overgenomen in de strafeis.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat in beginsel een jeugddetentie wordt opgelegd voor feiten zoals door de verdachte gepleegd, voor de duur van vier maanden. De verdachte heeft zich tweemaal aan een vergelijkbaar feit schuldig gemaakt. In het nadeel van de verdachte weegt mee dat de verdachte zich in beide gevallen heeft bediend van een wapen en dat hij de feiten samen met een ander heeft gepleegd. De rechtbank zal de jonge leeftijd in het voordeel van de verdachte meewegen.
De rechtbank acht een jeugddetentie passend en zal deze opleggen voor de duur van 270 dagen, waarvan 37 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (233 dagen) en met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de Raad geadviseerd en toegelicht en met inbegrip van het contactverbod met de medeverdachte, zoals gevorderd door de officier van justitie.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de ernst van de feiten en de opgemaakte rapportages is de rechtbank van oordeel dat het kader van de geadviseerde bijzondere voorwaarden van belang is om het recidivegevaar te beperken en dat er zonder dat kader rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal kunnen begaan. De rechtbank zal dan ook bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.
De vordering van de benadeelde partij
[aangever 2]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert de verdachte (hoofdelijk) te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van€ 2.150,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit een bedrag van € 900,-- ter vergoeding van materiële schade (gederfde arbeidsinkomsten) en een bedrag van € 1.250,-- ter vergoeding van immateriële schade. Ook verzoekt de benadeelde partij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangegeven dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.
Daarnaast vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte in de vorm van de schadevergoedingsmaatregel de hoofdelijke verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van een bedrag€ 2.150,--, vermeerderd met de wettelijke rente, ten behoeve van het slachtoffer genaamd
[aangever 2].
7.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verweer gevoerd tegen de omvang van de gevorderde vergoeding van materiële schade. Zij heeft betwist dat de benadeelde partij in de maand april van 2025 (exact) acht diensten niet op zich heeft kunnen nemen. De door de benadeelde partij overgelegde werkgeversverklaring spreekt immers van 'ongeveer' acht diensten, zodat niet voldoende specifiek en duidelijk is om hoeveel misgelopen diensten het gaat.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Het onder feit 2 bewezenverklaarde levert een door de verdachte gepleegd strafbaar feit op. Het staat daarmee vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat zij als rechtstreeks gevolg daarvan schade heeft geleden. Dat wordt als zodanig niet door de verdachte betwist, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt. De verdachte is in beginsel gehouden deze schade aan de benadeelde partij te vergoeden.
De benadeelde partij heeft gesteld schade te hebben geleden in de vorm van gemiste inkomsten uit arbeid. Het aantal diensten dat de benadeelde partij heeft gesteld niet te hebben kunnen uitvoeren in de maanden maart en april van 2025 en de schade die zij daardoor heeft geleden, zijn door haar met een werkgeversverklaring en loonstroken onderbouwd. De raadsvrouw van de verdachte heeft door enkel te wijzen op het feit dat het een 'benadering' of 'schatting' van de werkgever betreft, dit niet voldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.
De benadeelde partij heeft daarnaast gesteld en onderbouwd dat zij immateriële schade heeft geleden door een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW), die kan worden aangenomen vanwege de aard en ernst van de normschending, zoals die door de verdachte is begaan. Nu dit door de verdachte verder niet is betwist, zal de rechtbank ook dit gedeelte van de vordering tot schadevergoeding toewijzen.
De rechtbank zal de schadevergoeding daarom toewijzen zoals gevorderd tot een bedrag van
€ 2.150,--, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 18 maart 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit tegen de benadeelde partij samen met een ander heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de ander een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van€ 2.150,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 maart 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd
[aangever 2].
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4. bewezen zijn verklaard en kwalificeert deze als:
feit 1:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
270 (TWEEHONDERDZEVENTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht
(233 dagen),bij de tenuitvoerlegging van
het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie van
37 dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht, en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. gedurende de proeftijd meewerkt aan behandeling/begeleiding in het kader van MDFT of een soortgelijke door de jeugdreclassering te bepalen behandeling of begeleiding, zolang en voor zover de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
3. gedurende de proeftijd meewerkt aan begeleiding door een coach vanuit [instelling] of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
4. gedurende de proeftijd onderwijs volgt en/of zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, alles in overleg met de jeugdreclassering;
5. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, direct of indirect en ook niet via sociale media, contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
[medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2] ;
geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
veroordeelt de verdachte hoofdelijk om een bedrag van€ 2.150,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2025 tot de dag van voldoening, te betalen aan de benadeelde partij [aangever 2] ;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij
[aangever 2]te betalen€ 2.150,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2025 tot aan de dag van voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s) tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde op.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.P. Sameel,
mr. A.P. Pereira Horta, en mr. M. de Kleine,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2026.
.