Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7895

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/09/698632 / JE RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.4 JeugdwetArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging voor gesloten jeugdhulp en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2010, die verblijft bij een zorginstelling. De minderjarige heeft een niet-aangeboren hersenletsel als gevolg van een verkeersongeval, met geheugenproblemen en emotieregulatiestoornissen, en is kwetsbaar en beïnvloedbaar.

De kinderrechter constateert dat de minderjarige sinds opname positieve ontwikkelingen toont, coöperatief is en gemotiveerd voor behandeling. De ouders zijn niet beschikbaar; de moeder is gedetineerd en de vader heeft geen vaste verblijfplaats. De kinderrechter acht gesloten jeugdhulp noodzakelijk vanwege ernstige belemmeringen in de ontwikkeling naar volwassenheid en het risico dat de minderjarige zich aan hulp onttrekt.

De machtiging tot uithuisplaatsing in een open setting wordt eveneens noodzakelijk geacht voor verzorging en opvoeding. De minderjarige stemt in met de voorwaarden en toont bereidheid tot naleving. De kinderrechter verleent de voorwaardelijke machtiging voor zes maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarheid bij voorraad. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een voorwaardelijke machtiging voor gesloten jeugdhulp en een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van respectievelijk zes maanden en de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer:
I. C/09/698632 / JE RK 26-155
II. C/09/699876 / JE RK 26-276
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter
I.
Voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
II.
Machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. D.J. Klock uit Haarlem.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
thans gedetineerd in [land] ,
advocaat: mr. J.J.C. Engels uit Heerhugowaard,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
zonder vaste woon- of verblijfplaats, feitelijk verblijvende te [plaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij de beschikking van 17 februari 2026, met zaaknummer
C/09/698632 / JE RK 26-155(verzoek I), heeft de kinderrechter in deze rechtbank de behandeling van het verzoek aangehouden tot deze zitting. Daarnaast heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij de beschikking van 19 februari 2026, met zaaknummer
C/09/699876 / JE RK 26-279(verzoek II), een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 februari 2026 tot 5 maart 2026. De behandeling van dit verzoek is voor het overige ook aangehouden tot deze zitting.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de voornoemde beschikking van 17 februari 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • de voornoemde beschikking van 19 februari 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 16 februari 2026.
1.3.
Op 4 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] met haar advocaat en bijgestaan door een tolk in de Poolse taal;
  • [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen. Mr. E. Stam, waarnemend voor de advocaat van de moeder, heeft de kinderrechter op 4 maart 2026 bericht dat zij zich niet gemachtigd voelt in deze zaak omdat zij geen contact met de moeder heeft kunnen krijgen en zich daarom afmeldt voor de zitting.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft op [zorginstelling] .

3.De verzoeken

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden (verzoek I). Ook verzoekt de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (verzoek II).
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft de verzoeken als volgt gemotiveerd. Sinds [minderjarige] op [zorginstelling] verblijft is er duidelijk een positieve ontwikkeling merkbaar. [minderjarige] stelt zich coöperatief op en is gemotiveerd voor behandeling als PMT-therapie. Ook houdt zij zich aan de gemaakte afspraken, zoals rondom haar telefonische contactmomenten. Haar huidige functioneren toont aan dat [minderjarige] in staat is om onder voorwaarden haar vrijheden verantwoord te hanteren. Een voorwaardelijke gesloten machtiging wordt daarom passend en toereikend geacht. Voorlopig kan [minderjarige] op een open groep op [zorginstelling] blijven. Mocht [minderjarige] mogelijk opnieuw in haar ontwikkeling stagneren, kan worden teruggevallen op de kaders van de gesloten setting.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens [minderjarige] wordt ingestemd met de verzoeken. Het gaat momenteel goed met [minderjarige] op [zorginstelling] . Zij kan haar emoties beter controleren dan voorheen, heeft dagelijks telefonisch contact met de moeder en heeft sinds kort een baan bij de Albert Heijn waar zij blij mee is. Ter zitting stemt [minderjarige] in met de voorwaarden die door [zorginstelling] worden gesteld in het kader van de voorwaardelijke machtiging gesloten plaatsing. De voorwaarden zijn duidelijk voor haar en zij gaat zich hieraan houden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Buiten de gesloten accommodatie kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1] Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding. [2]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] heeft de afgelopen periode mooie stappen gezet. Dat vindt de kinderrechter erg knap van haar. De zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige] waren namelijk flink voordat zij geplaatst werd op de gesloten groep bij [zorginstelling] . [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met een niet aangeboren hersenletsel als gevolg van een verkeersongeval. Zij heeft sindsdien geheugenproblemen en een emotieregulatiestoornis. Daarnaast is zij erg beïnvloedbaar en had zij moeite om de gevaren van haar keuzes te overzien. Haar ouders zijn niet beschikbaar, waardoor [minderjarige] er in Nederland alleen voorstaat. [minderjarige] heeft hard gewerkt aan zichzelf en veel stappen gezet. Daardoor heeft zij nu meer zelfvertrouwen en staat zij steviger in haar schoenen. [minderjarige] heeft inmiddels meer vrijheden en zij houdt zich aan de gemaakte afspraken. Gezien de ernst van de zorgen die er waren, is het noodzakelijk dat [minderjarige] haar vrijheden verder opbouwt vanuit de open setting van [zorginstelling] en vanuit daar ook nog beter bestand wordt tegen beïnvloeding door anderen. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] terugvalt in zorgelijk en gevaarlijk gedrag. [minderjarige] heeft kenbaar gemaakt de jeugdhulp te aanvaarden, zoals opgenomen in het overgelegde hulpverleningsplan. Tevens heeft [minderjarige] zich bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlenen voor de duur van zes maanden, en de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een open setting in [zorginstelling] , verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 4 maart 2026 tot 4 september 2026, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte hulpverleningsplan zijn gesteld;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 maart 2026 tot 5 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Gillot als griffier, en op schrift gesteld op 11 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.4, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.